Column door JACE van de Ven •
1976! Na een halve eeuw lijkt het aanzien van een jaar veranderd. Dat komt voornamelijk omdat je het van afstand bekijkt en omdat je dingen weet die je toen nog niet wist. Bijvoorbeeld hoe dingen die toen aan het gebeuren waren, zijn afgelopen. Alles lijkt simpeler als je op gedane zaken terugkijkt. Niet omdat het dat was, maar omdat je weet hoe een en ander is opgelost of hoe er een manier gevonden werd om ermee te leven. Ook ik ben veranderd, hoewel nog steeds geen held toch minder angstig in het leven staand, maar nog wel steeds iemand aan wie veel voorbij gaat. In elk geval de actuele kunst, dat was in 1976 zo en dat is het nu nog. En toch schrijf ik erover.
Natuurlijk wist ik wel iets. We waren met Openluchtspelgroep Oosterhout vrij serieus met toneel bezig. In 1976 speelde ik er in ‘Antigone’ van Jean Anouilh en het jaar daarop zou ik er zelfs ‘Mijnheer Puntila en zijn knecht Matti’ van Bertolt Brecht regisseren. Ook volgden wij een mime-cursus bij Peter van der Linden, toen een van de belangrijkste theatermensen in Nederland, die in 1976 de Louis d’Or kreeg toegekend. Of was dat een paar jaar later, die cursus? Ik was al naar de eerste nachten van de poëzie geweest in Vorst-Nationaal in Brussel en gaf dat jaar mijn eerste dichtbundel uit, Mijn tragische ziekte en dood. Daarover schreef kunstredacteur Henk Egberts in De Stem dat ik erin afrekende met mijn seminarieverleden. Dat klopte, maar dat had ik zelf tot dan toe niet in de gaten.
Ik was een mislukte student, overweldigd door de kunst.
En, o ja, mijn vriend, Peter Thijs won in 1976 de Koninklijke Subsidie voor de schilderkunst en een ander vriend, Jasper Mikkers, had onder de naam Tymen Trolsky al verschillende boeken uitgegeven bij de Bezige Bij. Dat straalde natuurlijk ook op mij af, vond ik, temeer daar ik, als ware ik Trolsky, optrad tijdens literaire bijeenkomsten, omdat Jasper zelf onbekend wilde blijven. Een en ander daarover is te vinden in Jaspers laatste roman Jonge Beloften die vorig jaar verscheen bij Uitgeverij Aspekt. Ook schreven wij samen een column in het blad van de Katholieke Hogeschool in Tilburg die meestal door mij werd ingevuld. Maar eigenlijk, als ik eerlijk ben, was ik een mislukte student. Iemand die in de kunst actief wilde zijn, maar die door huizenhoog tegen die kunst op te kijken, door de kunst overweldigd werd en monddood gemaakt.
Pas toen ik in 1977 voor Het Nieuwsblad van het Zuiden ging werken en daar alstublieft geen literatuur moest schrijven, maar zo normaal mogelijk, kwam ik een beetje los. Ook behaalde ik, terwijl ik daar al werkte, nog mijn meestertitel in het recht. Volkomen onterecht overigens, ik ben de slechtste jurist van Nederland. Het enige voordeel van die titel is dat ik, als ik nu nog eens droom dat ik door eigen schuld mijn studie heb laten versloffen, me bij het wakker worden realiseer dat dat helemaal niet waar is. Vraag is alleen wat Nederland, dat mijn studeren voor een deel betaalde, en ik eraan gehad hebben? Mogelijk alleen de overtuiging dat ik niet compleet achterlijk ben.
Toine van Gorp maakte iets bijzonders van het oercafé In d’Oude Poort in het Vlaamse Hingene.
Mensen die een academische studie niet afronden, zijn er ook heel wat. Dat geen diploma halen, wil niet zeggen dat ze wel achterlijk zijn. Vaak hebben ze een verkeerde studie gekozen, veel middelbare scholieren weten niet wat ze willen worden, kiezen maar wat en raken gaandeweg de interesse in de materie die zij zich eigen moeten maken kwijt. Of er komen andere dingen op hun levenspad. Weet ik veel? Feit is dat er nogal wat uitstromers zijn die het merkwaardigerwijs zonder die afgeronde studie maatschappelijk ver weten te brengen. Een van die uitstromers was mijn vriend Toine van Gorp uit Riel, die ik toen nog niet kende. Hij werd aanvankelijk ober bij het jammerlijk verdwenen oercafé van Tilburg, Café Voskens, en nam in 1975 een prachtige oude zaak over in het Vlaamse Hingene, In d’Oude Poort, een zeventiende-eeuws pand dat altijd café geweest is.
Van die zaak heeft hij echt iets gemaakt. Het werd een wijd en zijd bekend adres waar altijd wel iets te doen was. Toneelspeler Jan Decleir deed er zijn try-outs, er waren exposities, de eerste van Walter Kerkhofs en Cees Gubbels, en concerten van musici als Carlos Moerdijk, Yury Schiffer en Lucius Voorhorst, namen die Toine kende van Café Voskens waar veel Tilburgse kunstenaars kwamen. Het bleef niet bij die namen, ook The Dutch Swing College Band trad op in Toine zijn café, de clarinettist Walter Boeijkens en noem maar op. Tussen 1975 en 1990, toen Toine er in Hingene mee stopte, was het a place to be.
Ik kan geen wijs meer uit mijn aantekeningen, waarschijnlijk door de drank en het dialect van de Vlaamse stamgasten.
Zo’n vijfentwintig jaar nadat hij uit Hingene vertrokken was, vroeg Toine mij om een boekje te schrijven over In d’Oude Poort van toen. We trokken samen naar Hingene en dronken voornamelijk veel bier met oude klanten. Terug in Tilburg werd ik ziek en bleven de aantekeningen daardoor lang liggen. Toen ik ze na een jaar weer oppakte, zag ik dat ik van veel wat ik opgeschreven had geen chocola meer kon maken, waarschijnlijk door de drank die bij het opschrijven in het spel was geweest, door het dialect van de oud-klanten dat ik niet altijd verstaan had en door de tijd die inmiddels verstreken was natuurlijk. Ik besloot daarom geen documentair verhaal over het café te maken, maar een novelle die zou beginnen en eindigen in 1976, het jaar met de eerste tropische zomer ooit in onze contreien. In het café plaatste ik een jong koppel, de Nederlander Kees en de Vlaamse Anne, verzonnen figuren, die hun eigen rol speelden in wat er in 1976 gebeurde.
Een van die gebeurtenissen was de tourwinst van Luciën van Impe die in mijn fantasie uiteraard niet aan In d’Oude Poort voorbijgegaan was. Een fragment:
Inmiddels was de Tour de France begonnen en had het halve dorp vakantie. Dat betekende dat de meeste kerels van Hingene, die zichzelf abusievelijk sportmannen noemden, ’s middags naar In d’Oude Poort kwamen om de stand van zaken in de Ronde te bespreken en de etappe van de dag te volgen. De adrenaline vloog bijna onmiddellijk tot ongekende hoogte, want al de vierde etappe van de Tour eindigde in Bornem. Vlakbij! Daar moest iedereen bij zijn, ook Kees.
‘Want als al mijn klanten gaan kijken, nietwaar Anne, dan zijn er toch geen gasten meer in het café.
‘Ik hou de zaak wel in de gaten’, stemde Anne toe.

Die vierde etappe van de Tour leidde later tot hevige discussies in In d’Oude Poort, want niet de Vlaming Freddy Maertens, zoals de klanten tevoren geroepen hadden, maar den Ollander Hennie Kuiper won in Bornem. En daar klopte niks van, vonden de sportmannen van Hingene unaniem.
‘Diejen Ollander heeft zitten kloten, hij heeft in de sprint die Zwitser met wie hij voorop lag, zo goed als in de hekken gereden.’
‘Waarom heeft de jury hem dan niet gediskwalificeerd?’, verdedigde Kees zijn landgenoot.
‘Omdat de jury ook vol Ollanders zit’, riep Kobe de journalist. ‘En ik kan het weten want ik schrijf erover in de gazet.’
‘Het zijn altijd die Ollanders’, gromde Ivo de gendarm. ‘Ze peinzen dat de gehele wereld van hen is.’
‘Ik ben geen Ollander, maar een Brabander en ik peins nooit of nooit dat de wereld van mij is’, antwoordde Kees. ‘En Hennie Kuiper is ook geen Ollander, maar hij heeft wel terecht gewonnen vandaag.’
‘Ollanders zijn Ollanders’, viel een manneke dat Kees nauwelijks kende Ivo bij. Hij wees met trillende vinger naar Kees en piepte als verstikten zijn eigen woorden hem: ‘Kuiper is enen Ollander en gij bent ook enen Ollander, Ollander. Wat komde gij eigenlijk doen in Hingene?’
(wordt vervolgd)
Illustratie Freddy Maertens uit Voorbij de meet. 40 dramatische momenten uit de geschiedenis van de Tour de France in verzen van Jace van de Ven en linosnedes van Ivo van Leeuwen. Uitgave van Code x, juli 2006.
Lees hier eerdere afleveringen van de zomercolumn van JACE op Brabant Cultureel
© Brabant Cultureel 2026
