De kroonprins

Het licht in de garage is aan. De kroonprins is aan het werk. Het is twee uur ’s nachts, of, voor hem en zijn vrienden: het is de vroege avond. Troepmuziek dreunt uit de ruimte. Merk op dat hij werkt in onze garage, die is aangesloten op onze stoppenkast. Zowel het licht als de troepmuziek als het zachtzoemend koelkastje waar de jongeren bier uit drinken komt op onze stroomrekening. En dan heb ik het nog niet eens over de apparatuur, lasdinges en compressoren, die nodig zijn voor de brommers waaraan ze sleutelen.

kort verhaal door Stijn van der Loo

Hoe die situatie ongemerkt heeft kunnen ontstaan, lijkt wel wat op hoe wij ook moeten betalen voor onze echte kroonprins, tegenwoordig koning en nog wel mét gezin, van wie wij ook ongemerkt voor het stroomgebruik opdraaien. Nu al van zijn hele gezin dus, men voelt al zo’n beetje aan waar een ietwat gelaten houding op uit kan lopen. Als je de mensen hun gang laat gaan, pakken ze zonder gêne alles waar ze maar hun oog op laten vallen.

Onze kroonprins zit ook daadwerkelijk in onze garage. Terwijl ik in huis de kachel permanent op vijftien graden houd en spaarzaam een houtkacheltje stook tegen onderkoeling en voortdurend alle lichten uitdoe tegen onnodig stroomgebruik, trekt de kroonprins prinsheerlijk koele biertjes, dreunende troepmuziek en vol tl-licht uit onze portemonnee, nachtenlang, steile pieken veroorzakend in het overzicht van de watertandende stroomleverancier, vooral als ze beginnen te compressen, te comprimeren, te compresseren, wat doet zo’n ding?

Maar komaan. Altijd dat geklaag is niet goed voor mijn gestel. Ik wil bezig zijn met verheven zaken. Een compositie voor strijktrio en koor, duetten voor fagot en cello, duetten voor zanger en spreekstem, en schrijven: van de liefde die zich verschuilt, van de machteloos rondploeterende mens in zijn tragikomische streven, ik wil… Ik ga naar bed.

Even sta ik voor de stoppenkast. Zal ik de stop er uitdraaien? ‘Garage’, staat er op een stickertje bij. Moeilijk is het niet. Dan staat hij vast en zeker aan de deur, onze prins. Want zo onbewust als hij zich lijkt van het gratis stroomgebruik, zo precies weet hij waar het vandaan komt, dat kan ik je verzekeren. Ik doe de stoppenkast dicht, ga in bed liggen naast mijn lieve vrouw en sluit mijn ogen.

We sluiten onze ogen. Je kunt moeilijk blijven klagen, dat krijgt iets neurotisch. Ik was er even van op vakantie, echt heerlijk, ik kan het iedereen aanraden. Even niet klagen, je komt ervan op adem! Maar ja, het is wel weer zomer en dan zijn de fruitvliegjes terug, en ook marcheert er opnieuw een colonne mieren voorlangs de drempel tussen keuken en hal. Er zaten deze lente zelfs witte vlokken schimmel in de ranjaflessen en er lagen als vanouds vele muizenlijken vlak buiten de buitendeur, laatst een met ontvelde nek. De schrik stond nog in zijn verstarde oogjes. Me dunkt. Hoe zou ik kijken.

Maar raken we misschien eindelijk afgestompt? Het besef dat leven en dood op een boerderij door elkaar lopen en dat het één zowel als het ander bijdraagt aan de bedrijfswinst? Worden we pragmatischer? Wat meer ‘boers’? Mogelijk zijn we eindelijk wat beter geprepareerd op de expansiedrift van al wat ons omringt… Zo hebben we in de afgelopen maand een paar flessen antischimmelschuim leeggespoten op de weerbarstig zwartgevlekte slaapkamermuur en nu slapen we weer even fris. Ik wil maar zeggen: er komt systeem in, we weten wat we kunnen verwachten, we beginnen de kringloop van onderhoud te zien. Eerdaags moet het gras wel weer gedaan en dat we vijftien frisse kussentjes in regen en storm buiten hebben laten liggen is duidelijk een residu van onze voormalige leefhouding, maar er daalt bij ons duidelijk een besef in van jaarwende, van de hypnotiserende cirkelgang der seizoenen, het overkomt ons allemaal wat minder. Op een goed moment ga je eindelijk anticiperen, routine aanbrengen, rust. Je raakt georganiseerd. Er komt vrede! Je staat bijna als een echte boer met een strootje tussen je tanden uit te kijken over het gewas. Vliegen, maden, fruitvliegen, schimmels en mieren maken deel uit van onze dagelijkse dag.

Daarbij wil ik wel benoemd hebben – en dat doe ik bij deze – dat het andere eskadrons fruitvliegen zijn en nieuwe colonnes versgeboren mieren die onze keuken heden invliegen dan wel -marcheren. Door vorige generaties genetisch gebriefd, staan ze fris en moedig klaar om dezelfde gebieden te gaan exploreren als hun voorzaten, met de kennis van hun voorzaten: dat ons huis zo’n fijn huis is om in binnen te trekken, waar de kieren ruim zijn en waar je meestal prinselijk ongestoord op roof- en verzameltocht kunt. Een schatkamer van voedsel en vocht, het regenwoud gelijk: het paradijs van Gulleman!

Heb ik het al gehad over de slierten slakkensnot die we ’s ochtends over het vloerkleed in de zitkamer aantreffen? Ik sluit tegenwoordig vaker mijn ogen dan ooit. Ook dat hoort bij acceptatie van de gegeven situatie, houd ik mezelf voor. Ook dat hoort bij de noodzaak om mij af te schermen van de aanvallen op mijn souvereiniteit ten einde mijn composities en edel schrijfwerk te kunnen volbrengen.

Overigens zijn wij – de verdedigers van onze beschimmelde veste – tegenover de nieuwe generaties roofdieren wel nog van de oude generatie. We staan, zij het wat stijver van leden dan vorig seizoen, met meer wijsheid tegenover de nooit aflatende woekerdrift van de natuur. We kennen de schuilplaatsen van de fruitvlieg, waar ze zich met honderden zitten voort te planten, en ook kennen we de sluipwegen van de mier, lang voordat de eerste verkenner verschijnt. We zouden erop kunnen anticiperen. Wij hebben ons lesje geleerd, zeg maar gerust. Wat ons onderscheidt, is ervaring en kennis. Over de slakken en hoe ze te vinden en uit te roeien hebben we nog even niet nagedacht. Maar ook die komen aan de beurt, zodra we ons weloverwogen verdedigingsbeleid daarnaartoe uitrollen.

Maar op het nieuwste element van aanvallen van buitenaf waren we niet voorbereid: de kroonprins! Die kwam als een onplezierige verrassing, als donderslag bij heldere hemel – enzovoort: de schoonzoon van de buurman. Hij is uiteraard de keuze van zijn dochter, dat zeg ik meteen vooraf om geen verdenking op mij te laden dat wij daar op welke manier dan ook in gekend hadden willen zijn. Nee, daarin is, althans voor ons, geen taak weggelegd. Je krijgt hem er ongevraagd bij, wil ik maar zeggen: een plotselinge schoonbuurzoon. Buurschoonjongen. Natuurlijk, we kiezen allen onze tegenpart om mee te paren en te settelen en deze is nou eenmaal verkozen door buurdochterlief.

Op een speciaal moment in het afgelopen jaar – waar wij niet bij waren – moet hij in een samenzijn, al of niet met buurdochterlief, aan zijn aanstaande schoonvader zijn verlangen hebben geuit naar een eigen brommersleutelwerkplaats. Ach, ach, had hij maar zo’n eigen werkplaats, dan zou hij zo fijn kunnen sleutelen, maar overal waar hij wil huren is het zo duur!

Boem, zo’n vraag moet de hulpvaardig ingestelde buurman, buurschoonvader, schoonbuurvader, die de fietsenmaker van het dorp is, in het hart hebben getroffen. Een kolfje naar zijn hand, hij voelde zich geroepen: hij ging dat regelen. Tenslotte spreken we hier over de mogelijke opvolger in zijn fietsenimperium, de kroonprins voorwaar, daar moest voortvarend op worden doorgepakt. Een brommersleutelwerkplaats, zeg je. Wacht eens… Deelde onze buurman, herinnerde hij zich plotseling, niet een garage met ons, de Gullemannetjes?

Dreigende muziek –

Even voor het ietwat onheldere plaatje: natuurlijk heeft de buurman zijn eigen garage, groot en ruim, en wij huren al tien jaar van hem ons huis plus de garage, die naast zijn eigen garage staat. Alleen in die garage van ons had hij lange tijd nog een voormalige gereedschapsbank en een voormalige auto, zeg maar gerust: een autowrak. Dat ding zou er al lang geleden uitgesleurd zijn, maar het lag gevoelig, want er kleefden persoonlijke herinneringen aan die eerst moesten worden verwerkt. Geen probleem, zo ga je met elkaar om, nietwaar? Dus op die manier ‘deelden’ we onze garage met de buurman. En de helft van onze zolder boven de garage delen we trouwens met zijn vrouw, de buurvrouw. Want op ons zoldertje bewaart zij al zo lang wij hier wonen een geweldige verzameling carnavalskleren, goed om het hele dorp mee in de kleren te hijsen – en Paerel is groter dan je denkt, 6.274 inwoners, om precies te zijn. Ze hadden dus allebei iets waar ze moeilijk afstand van konden doen, hij zijn autowrak en zij haar carnavalstroep, samengevat: onze garage. We deelden hem. Ze kwamen er nooit. Een enkele keer met carnaval kwamen er wat muffe verkleedkleren van het zoldertje geploft en een doodenkele keer was de buurman in onze garage voor een paar ouwe moersleutels. Op een goed moment ging inderdaad het autowrak weg, het ging elders worden ‘opgeknapt’ en de ruimte kwam eindelijk leeg. Juist op dat moment moest ik mijn studio uit, dus ik sloeg wat spullen op in de lege helft van onze garage. Niet eens veel, een paar kisten en wat spul dat ik dacht nog te moeten gebruiken. De rest van mijn studio stalde ik in een opslagloods ergens in de provincie. Die kasten vol boeken, partituren, muziek, uitgaven, twee piano’s en kisten vol apparatuur en instrumenten en mengtafels en computers en kabels om heel Tilburg mee aan elkaar te knubbelen, staan nu alweer lange tijd in die opslag, voor honderdtwintig euro per maand, feitelijk te vergaan. Spullen waar ík dan weer geen afstand van kan doen.

De buurman had zijn auto dus tien jaar in onze garage staan. Het was ooit de bedoeling geweest hem samen met zijn vader op te knappen, maar zijn vader werd ziek en knapte niet op en overleed. Uiteindelijk, zoals gezegd, verwerkte schoonbuurvader zijn verdriet en sleepte dat wrak eruit, het werd elders opgeknapt en voor een mooi bedrag verkocht, zoals hij me eens glunderend toevertrouwde. Het verdriet van het overlijden van zijn vader en klusmaat was verwerkt, geen betere verwerking dan goeie klinkende handel tenslotte, dus iedereen blij en ik sloeg wat van mijn noodzakelijke spullen op in het lege deel van de garage. De buren plaatsten er – nadat er een tante was overleden – nog een bed en een paar kastjes en prullaria. Tot zover woekerde alles vriendelijk op natuurlijke wijze vol, waar ruimte was werd die vol gezet, we gunden elkaar, zoals dat gaat.

Maar toen was daar de kroonprins. De nieuwe generatie fruitvlieg. Hij nam meteen een vriend mee – een fruitvlieg komt zelden alleen – en samen gingen ze voortvarend aan het werk. Ze schoven mijn studiospullen voor onze wasmachine – die kon niet meer open – en zetten de andere helft van de ruimte vol brommers. Radio erbij. Koelkast met bier. Ze timmerden de achterkant van onze stellingkast dicht en plakten er geile foto’s op van vrouwtjes in lingerie. Binnen de kortste keren was het de gedroomde brommersleutelwerkplaats, inclusief koele kratten bier, compressoren, schallende en dreunende troepmuziek, alles aan het infuus van onze stoppenkast. En in de verswolkende benzinewalmen ligt sindsdien onze schone was, achter mijn studio-apparatuur, geschrokken ineengedoken in haar eigen plooien.

Maar ik sluit mijn ogen. Naast mijn lieve vrouw die diep ademend slaapt, probeer ik ook de slaap te vatten. Ik ben er klaar mee, met het gezanik. Ik wil spiritueler bezig zijn. Kom op Gulleman, hiervoor heb je je talenten niet gekregen, voor een kankertirade en klaagzang op zwakke benen. Het waarom van doodgaan, het complexe wezen dat de mens is met zijn driftgestuurde natuur, en het verbloemen van die bagger. Dat zijn mijn thema’s!

Ik wil vertellen van de niet-maakbaarheid van onze wereld, maar hoe er toch altijd kansen zijn. Dat het leven bestaat uit kansen, dat er niets anders is dan kansen, ver boven ons eigen voorstellingsvermogen uit. Wat ondenkbaar is, wat onvoorstelbaar is, wat onmogelijk is. Het is mogelijk. Daarover wil ik schrijven en daarin wil ik zijn: in die flow. Dat niets statisch is. Zelfs de aarde zelf is een ziedende vuurzee waarop de continenten drijven. Alles is fluïde.

Weg dus met het gezeur over hebbedingetjes en kleinzielige hobbyruimtes van een paar adolescenten, dat gaat allemaal over vasthouden aan zogenaamde zekerheden. Overboord ermee. Sluit je ogen, Gulleman, en ga die stroom in, wees fluïde, wees ruimdenkend en alert, en laat gebeuren wat gebeuren wil en laat het ondenkbare, het onvoorstelbare, het onmogelijke toe. En vind daar woorden voor. Dat mag jij doen! Laat een ander aan zijn brommer prutsen.

Klaar met gezeur, Gulleman, over maden en schoonprinsen en fruitvliegen en stront en woekerend gras. Neem je voorname plaats in en verkondig de dwaasheden van de wereld. Het kapitalisme, is dat nou eens klaar? De dwaalsporen waar we onszelf en elkaar op brengen en om veroordelen en vermoorden. De domheid, ijdelheid vooral, en altijd daaronder de verborgen driftendoctrine, de geldzucht, de onoverwinnelijkheidsgedachte.

Tjonge! Hoor toch eens! Kom ik me daar eindelijk, in mijn nadagen, toe aan verlichting. Je hebt een missie, Gulleman! Schrijf met mededogen over het geploeter en getob van de mens. Jazeker, wees lucide! Amen. Adem in en uit en slaap nu maar.

Ik schrik wakker van een harde knal. Een uitlaat van een brommer. De kroonprins heeft blijkbaar de garagedeur opengetrokken en laat zijn brommers even flink knallen. Ik sta meteen buiten.
‘Het is middenin de nacht’, zeg ik, kamerjas omgeslagen, op mijn sokken op het erf, mijn erf. ‘Is het nou klaar met die brommers?’ De jongens kijken me appelig aan. Ach gut, hebben ze opa gewekt?
‘Het zijn motoren, geen brommers.’
‘En wij proberen te slapen.’
Heb je ooit een argument geprobeerd tegenover een adolescent? Het heeft geen zin, het haakt nergens aan. Ze kijken me feestelijk aan. Wat zou er nu weer voor drukte uitkomen, uit die ouwe?
‘En die straalkachel? Wat voor stroom trekt die wel niet!?’
‘Die draait op benzine, mijnheer.’

Ik ga naar binnen, hoor ze achter mij proestend in de lach schieten. Sla de deur dicht, klak, op slot. Stier naar de stoppenkast en draai de schakelaar van de stop om. En meteen weer aan. Ik ga in bed liggen, naast mijn lieve vrouw en sluit mijn ogen.
‘Kun je niet slapen?’
‘Die kutbrommers.’
‘Laat die jongens toch. Je bent toch ook jong geweest?’
‘Ze stelen onze stroom.’
‘Hij betaalt ervoor, tientje in de maand.’
‘O? Dat wist ik niet? En waarom geen duizendje in de maand?’
‘Ik wil slapen. Morgen verder.’ Ze draait zich op haar zij. Haar huid voelt warm en haar adem ruikt zoet. Wat wil ik nog meer? Hier is thuis.
‘Wat als hij koning wordt?’
‘Dan moeten we hier uit. Sst. Slapen nu. Kijk jij nog even of er slakken door de woonkamer gaan?’

Stijn van der Loo (Eindhoven 1963) was enige tijd redacteur van het literaire katern van Brabant Cultureel en brak in die tijd door als romanschrijver. Behalve auteur van romans, korte verhalen en theaterteksten is hij ook componist. Als tekstschrijver/componist kreeg hij de Zilveren Harp van Conamus voor zijn liedjes, waarna hij als componist jaren samenwerkte met Huub Oosterhuis. Tegenwoordig componeert hij ‘klassiek’. Medio 2025 verscheen bij uitgeverij Querido zijn roman ‘De strijd van Gulleman’.

Beeldcollages en -bewerkingen > Hans Lodewijkx

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *