Museum Slager kan zelf gelden als een verborgen parel in de binnenstad van ’s-Hertogenbosch, vlak achter het koor van de Sint-Jan. Het museum is geheel gewijd aan de schildersfamilie Slager en bestaat dit jaar vijftig jaar. Om dat te vieren worden nu Bossche tijdgenoten in het zonnetje gezet. Meer en minder bekende namen en allemaal met figuratief werk.
door Lauran Toorians
Kunstenaarsfamilies komen vaker voor, deels doordat talent erfelijk is, deels doordat zien doet volgen en deels doordat kunst lang ook gewoon een ambacht was dat van generatie op generatie werd overgedragen. In ’s-Hertogenbosch bestaat sinds vijftig jaar het Museum Slager dat is gewijd aan drie generaties van de familie Slager die in totaal acht beeldend kunstenaars voortbracht. Om dit jubileum te vieren, is naast de presentatie van werken van de Slagersen nu een expositie ingericht met werken van Bossche kunstenaars die generatiegenoten – en deels ook leerlingen – waren van leden van de familie Slager.
Abstract was absoluut taboe
Deze tentoonstelling, ingeleid door enkele korte filmpjes over de familie en de geschiedenis van het museum, vormt een mooie staalkaart van Bossche schilders, tekenaars en prentmakers uit de periode van ongeveer 1850 tot 1950. Met één voorbehoud: abstract was voor de familie Slagers absoluut taboe en dat geldt ook voor deze expositie. Jammer, want hier had juist een kans gelegen om ook te laten zien dat er buiten de Slagers-kring ook kunstenaars waren die andere wegen verkenden.

Als om dit taboe nog eens extra kracht bij te zetten, is er wel werk van Alexei Wladkine. Maar die bestond niet. Het was Herman Moerkerk (1879-1949), vooral bekend als illustrator, die zich als kunstenaar miskend voelde en besloot onder pseudoniem wraak te nemen op de nieuwlichters. Razendsnel maakte hij zo’n twintig schilderijen in expressionistische stijl die hij in augustus 1926 onder naam Alexei Wladkine exposeerde in Tilburg – dus niet in ’s-Hertogenbosch waar teveel mensen hem kenden. Dat gebeurde in de toen nieuwe galerie van een kunsthandel. Om de grap compleet te maken, liep Moerkerk zelf in de galerie rond en gaf gevraagd en ongevraagd zure kritiek op de werken. Het zal hem dan ook niet zijn meegevallen dat zowel het publiek als de kranten juist positief reageerden. Het Algemeen Handelsblad sprak van ‘een talent in aanleg’.

Of Moerkerk zichzelf meteen daarna bekend maakte, vertelt het verhaal niet, maar de grap was mislukt. Moerkerk besloot niet als expressionist door te gaan en verhuisde in 1928 naar Haarlem waar hij als illustrator in dienst kwam bij De Spaarnestad. Zijn roem als Bossche kunstenaar werd er niet minder door.
Die de avant-garde omarmde
De werken die er in deze tentoonstelling meteen uit springen, zijn enkele schilderijen van Jan Sluijters (1881-1957). Die kennen we vooral als ‘fauvist’ en hij was dus wel degelijk een vernieuwer die de avant-garde omarmde. Sluijters was een geboren Bosschenaar en had in zijn jonge jaren één jaar les gehad van Petrus Marinus Slager, de stamvader van de Slagers. Toen Jan Sluijters veertien was, verhuisden zijn ouders met het gezin naar Amsterdam. Daar ging Jan naar de Rijksakademie van beeldende kunsten. In de tentoonstelling hangen nu van hem enkele portretten waarvan er één ook op het affiche staat. Mooi werk, maar in deze context misschien ook wat veel eer voor iemand die weinig invloed van een Slager heeft ondergaan en die wegen insloeg waartegen Moerkerk zich verzette.

Ook Antoon Derkinderen (1859-1925) verliet zijn geboorteplaats al vrij jong, maar maakte in 1889-1891 nog wel in de entreehal van het Bossche stadhuis een enorme wandschildering. Twee jaar later begon hij aan nog een ‘tweede wand’, nu niet direct op de muur, maar op doek. In de tentoonstelling hangt van hem een portret dat hij maakte van Adrianus Ceelen als abt van de abdij van Berne. Qua opzet is dat een vrij traditioneel abtsportret: Ceelen zittend met alle tekenen van zijn waardigheid. Maar we zien ook nog steeds een erg ‘menselijke’ man die een beetje benauwd lijkt te kijken door wat hem te beurt is gevallen. Huib Luns (1881-1942) is vertegenwoordigd omdat hij in 1918 de oprichter en tot 1923 ook directeur was van de Koninklijke School voor Beeldende en Nuttige Kunsten in ’s-Hertogenbosch.
Twee geschilderde interieurs
Ook geboren Bosschenaren die hun stad trouw bleven, zijn goed vertegenwoordigd. Frans Kops, Kees Pasmans en Arnold van de Laar, bijvoorbeeld. Geen ‘grote namen’, maar beslist verdienstelijke schilders die in hun tijd naam maakten met overwegend traditioneel werk. Opvallend in deze categorie zijn twee geschilderde interieurs van Hendrik de Laat (1900-1980) die toch vooral bekend werd als etser en die toch zeker in de regio nog steeds enige bekendheid geniet. Eén van deze interieurs is gemaakt in de kooromgang van de Sint-Jan, de plek waar nu in het kader van de tentoonstelling een aanvullende reeks schilderijen is te zien, allemaal met als thema ‘in de schaduw van de kathedraal’.

Voor experimenteerdrift is Museum Slager niet de aangewezen plek, maar zowel de vaste collectie als deze expositie laat zien dat hier met veel ijver en groot vakmanschap werd getekend en geschilderd. Stemmige en soms uitbundige landschappen, veel bloemstillevens en portretten stelen de show en slagen er regelmatig in de blik van de bezoeker net even langer vast te houden. Een werk dat dit zeker doet, werd in 1933 geschilderd door Piet Slager jr. en toont het interieur van de woonkamer waarin Suze Maria Catharina Slager zit te lezen. Het doet meteen denken aan het schilderij ‘En écoutant du Schumann’ van Fernand Khnopff, maar dat dateert al uit 1883 – en dat laat dan weer zien hoe traditioneel de Slagersen waren. En hoe goed.

‘Verborgen Parels. Een eeuw Bossche schilderkunst (1850–1950)’ tot en met 13 september 2026 in Museum Slager, Choorstraat 8, ’s-Hertogenbosch.

Bij de expositie verscheen een bescheiden catalogus à € 10,00.
Lees meer over Museum Slager op Brabant Cultureel
© Brabant Cultureel 2026
