Column door JACE van de Ven •
Het ziet er naar uit dat de records van de eerste tropische zomer in Nederland, die van 1976, met afstand gebroken gaan worden. Ik kan over die legendarische zomer van vijftig jaar geleden niet meer schrijven als ware hij iets bijzonders. We zijn intussen aan hete zomers gewend en reageren erop door geen vakanties meer in zuidelijke landen te boeken, maar in Scandinavië. De mens is een opportunist. Altijd geweest. En het went.
Daarom ging ik vorige week gewoon naar het zuiden, met enkele vrienden helemaal op en neer naar Orange, elfhonderd kilometer heen, elfhonderd kilometer terug door code rood. Instappen bij dertig graden in Tilburg, uitstappen bij negenendertig graden in Orange, de stad waar onze koninklijke familie haar prinsentitel aan ontleent. We gingen naar het tweeduizend jaar oude Romeinse theater daar om mijn godin Nadine Sierra de rol van Violetta in La Traviata te horen vertolken. Dat wilden er meer, want een half jaar geleden al toen ik onze kaarten bestelde, kon ik nog maar met moeite hier en daar een plekje kopen op de tweede rang, honderdzesentwintig euro per ticket, niet eens met zijn vieren naast elkaar. We hadden er vrede mee.
Een paar maanden geleden kwam het bericht dat niet Nadine Sierra maar Jessica Pratt La Traviata zou zingen in Orange. Ik vroeg mijn geld terug, maar organisator Chorégies d’Orange reageerde nooit op mijn verzoek. Wat nu? We besloten toch te gaan, Jessica Pratt is immers ook een wereldster. En ook de andere hoofdrollen zouden ingevuld worden door grootheden, de bariton Ludovic Tézier en de tenor Javier Camarena. Maar u begrijpt het al, uiteindelijk waren ook Jessica Pratt en Javier Camarena er niet, zij werden vervangen door voor mij volkomen onbekende sterren die, toen we ze hoorden, ook terecht onbekend bleken te zijn.
Operasterren lieten het afweten. Toch voelde ik me niet bekocht.
Toch voelde ik mij niet bekocht. Alleen al het met tienduizend anderen te mogen zitten op stenen treden die in de tijd van keizer Augustus uitgehakt zijn uit een bergwand, de aangrijpende muziek van Verdi te horen, al werd hij dan ook met te weinig pit gespeeld, en van boven in het theater in de verte de Mont Ventoux te zien liggen in de ondergaande zon, daar kan geen Costa Brava tegenop. En dan zong Nadine Sierra weliswaar niet, ze hadden wel haar beeltenis, meer dan levensgroot op de buitenmuur van het theater laten staan. Uiteraard liet ik mij, puber van zesenzeventig jaar, door mijn vrienden met haar fotograferen.

Op de terugweg bezochten we in Dijon nog de Mozesput van onze Nederlandse beeldhouwer Claes Sluter. Rond het jaar 1400 kapte hij daar uit plaatselijke steen in opdracht van de Philips de Stoute in een gigantische zeskantige zuil zes profeten uit. Ooit was de zuil de sokkel van een enorm kruisbeeld dat omarmd werd door Maria Magdalena, maar Christus en zijn mogelijke echtgenote, overleefden de Franse Revolutie niet en nu zijn alleen nog de profeten te zien, toch belangrijk genoeg om op de lijst van het werelderfgoed van de Unesco te staan.
Over Maria Magdalena gesproken, in Nederland wordt zij nauwelijks vereerd, terwijl zij in Frankrijk een favoriete heilige is. Wij hebben te weinig achting voor mooie vrouwen. Er is de prachtige christelijke mythe – er is een lezer die mij er altijd op wijst dat ik in plaats van ‘christelijke mythe’ het woord ‘legende’ moet gebruiken, maar dat doe ik niet omdat ik bang ben dat u het dan zou geloven – hoe zij na Christus dood met enige andere Bijbelse figuren en hun bediende Sara aankwam in Les Saintes-Maries-de-la-Mer. Jaarlijks is daar een spectaculaire bedevaart waarbij Roma en Sinti hun patrones Sara in het zonnetje zetten. Ook is er de basiliek in Vézelay, waar Magdalena’s relikwieën worden bewaard.
Ooit een scheve schaats gereden? Ga naar het Esdonks kapelleke!
Let op, als enigen in Nederland hebben wij Brabanders een bedevaartplek waar Maria Magdalena wordt vereerd, en wel in het Esdonks kapelleke in Gemert. Iedereen die ooit een scheve schaats heeft gereden, moet daar eens naartoe, want volgens mij begrijpt Maria Magdalena van alle heiligen de scheve-schaats-rijders het best. Zij had er ervaring mee. En waarom u ook naar die Gemertse kapel moet gaan: er ligt daar een houten Christus in het graf, die vroeger, toen ze nog rond mochten trekken, door Roma en Sinti eens per jaar werd beweend en letterlijk in de watten gelegd.
Maar wat ben ik weer ver afgedwaald, ik wilde het in deze zomerserie eigenlijk hebben over een novelle die ik in de coronatijd aan het schrijven was en die speelt in de hete zomer van 1976. Uit luiheid heb ik het verhaal, dat al voor meer dan vijftienduizend woorden af is, nooit helemaal afgemaakt. Als ik er nu over ga schrijven, dacht ik, gebeurt dat alsnog. Maar het zal wel niet. Een andere reden om het over die zomer van vijftig jaar geleden te hebben is, dat ik mij herinner dat er in die tijd – en ook in de jaren zestig al – veel ecologische waarschuwingen werden gegeven, terwijl we nu net doen alsof de gevolgen van klimaatverandering zich pas net aandienen. Ik herinner me een poster uit die tijd die ik in mijn novelle laat voorkomen:
Toen Kees de volgende morgen de nog voor publiek gesloten gelagzaal binnenstapte, stond Anne daar met een hamer in haar rechterhand op een wankele stoel. Met haar linkerhand drukte ze een groot poster tegen de muur die ze kennelijk op wilde gaan hangen.
‘Wat is me dat?’
‘Dat is een affiche uit uw eigen Holland, Kees. Hij laat zien hoe wij de wereld aan het opbranden zijn als een kaarske’.
Voor zover zichtbaar achter Anne zag Kees op de poster een kleurige globe afgebeeld met continenten en oceanen, maar de bovenkant van die wereldbol, laten we zeggen vanaf de poolcirkel, ontbrak. Daar brandde, als ware er een waxinelichtje afgebeeld, een kaarsvlammetje, langzaam maar meedogenloos.

‘Ik vind dat geen vrolijk beeld voor een café’, zei Kees.
‘Er is ook helemaal niks plezants aan en dat is ook niet de bedoeling. Maar misschien dat iemand die dit tafereel ziet tussen twee pinten door eens nadenkt over hoe wij onze planeet aan het opbranden zijn.’
‘Onze planeet, toe maar, wat een grote woorden, Anne toch!’
‘Als we zo doorgaan als we doen, gaan we eraan, nu weer met dat botulisme! En waar denk je dat die aanhoudende hitte vandaan komt? En waarom er watertekort is in België? Dat komt omdat we alle beken en rivieren rechtgetrokken en gekanaliseerd hebben. Het water dat gisteren bij de Walen gevallen is, stroomt vandaag door Vlaanderen en is morgen alweer deel van de Noordzee. Dat water hoort de tijd te krijgen om voor een deel in de grond in de grond te zakken. We zijn bezig de wereld kapot te maken.’
‘Maar Anne, zo’n vaart zal het toch niet lopen.’
‘Kees, gij die elken dag met uw gazetten achter oewen filterkoffie zit, steekte gij daar niks uit op, uit uw gazetten?’
‘Ik lees hoe de politiekers ons bedonderen en dat de brutalen de halve wereld hebben.’
‘Maar ziet ge dan niet dat de wereld in brand staat?’
‘Anne, het is al zo dikkels een hete zomer geweest.’
Zoals Kees toen, praten nu nog talloze mensen. Daarom… (wordt vervolgd)
Lees hier de vorige aflevering van de zomercolumn van JACE van de Ven
© Brabant Cultureel 2026
