Vijftig jaar geleden was het ook al heet (1)

Column door JACE van de Ven

Wat een prachtige temperatuur om mijn serietje over de zomer van 1976 te beginnen, net als nu beleefden we toen tijdens de laatste junidagen een hittegolf, zeventien dagen lang. Tot 10 juli zou het elke dag meer dan vijfentwintig graden worden. De weken tevoren was het ook al heet geweest en de weken na 10 juli zouden eveneens hitte brengen. Het regende dat jaar nauwelijks in juni, juli en augustus, de drie maanden dat ik als vakantiekracht brugwachter was aan het Wilhelminakanaal.

Op een erg hete dag kreeg ik de brug bijna niet in gang. Pas na heel hard duwen op de slinger, floepte hij uit het wegdek en liet zich opendraaien, maar toen ik na het passeren van het schip, de brug weer dicht wilde maken, paste hij niet meer in het kader dat voor hem was uitgefreesd in de weg. Het brugdek was door de hitte uitgezet en kwam tot stilstand op het straatoppervlak, waardoor het doorgaand verkeer te maken kreeg met een hoogteverschil van bijna tien centimeter. Als nieuwbakken brugwachter zette ik mijn meest ervaringsdeskundige blik op en liep naar de plek waar het brugdek op de weg terecht gekomen was.

Er kwam uiteraard geen beweging in de brug, maar mijn actie zorgde wel voor een lachsalvo bij de wachtenden

Het stak een flink stuk over. Ik schopte er eens tegenaan, ging op mijn knieën zitten en keek er van opzij overheen, schudde het hoofd en begon toen met kracht op het brugdek te stampen. Er kwam uiteraard geen beweging in, maar mijn actie zorgde wel voor een lachsalvo bij de wachtenden. Ik keek naar hen, spreidde hopeloos mijn armen en sprak zo vastberaden mogelijk: ‘Hij gaat er niet in.’ ‘Ja, dè zien wij òk wel, koekwaus, draoit de slagboome mar oope.’ Dat deed ik dan maar, waarna het leven weer voortging, zij het dat niemand meer geluidloos mijn brug passeerde, maar er eerst met een klap tegenop botste.

Wat een zomer was dat, die van 1976! Het was zo droog dat er scheuren in de grond kwamen en als het waaide hadden we heuse zandstormen in Brabant. Van mijn zwager, Hans Godschalx, groothandelaar in bier, kreeg ik te horen dat de brouwerijen maar beperkt konden leveren omdat alle vaten en flessen die ze hadden, in omloop waren. ‘Lever aub uw leeggoed zo snel mogelijk in!’ Ach ja, vijftig jaar geleden lesten we onze dorst nog met bier. Misschien deden we daarom gekke dingen. In verschillende dorpen werden gebedsdiensten gehouden om regen af te smeken en mijn vrouw en ik sliepen niet op onze slaapkamer, maar op het smalle binnenplaatsje achter ons huisje waar nooit zon kwam.

De zomer van 1976 was een voorbode van wat ons te wachten staat. En zeg nou niet, dat we daar nu pas achter komen, ook toen werd er al volop gewaarschuwd om enige eerbied voor moeder aarde op te brengen. Toen luisterden degenen die alles in brand hebben gezet niet, nu ook niet. Het virus mensheid leeft dan ook geen eeuwen meer, maar de aarde zal van haar genezen als van gordelroos en zonder haar voortrazen door de ruimte.

Deze plechtige uitspraken gedaan hebbende, terug naar 1976. Net als dit jaar werd PSV toen voor de derde keer achter elkaar landskampioen, won een leeg melodietje het Eurovisie Songfestival, voerden scholieren en ambtenaren tropenroosters in, verbrandden duizenden hectare bos en hei, dreven in onze Brabantse Biesbosch vogels en vissen vanwege botulisme op hun rug door het water en weigerde de UNCTAD de ontwikkelingslanden mogelijkheden te geven om te concurreren op de wereldmarkt. Ongetwijfeld heb ik in de kroeg destijds hevig over deze thema’s mijn alwetende stem verheven, met het glas drastischer, maar ook steeds holler weerkaatsend tegen het van teer en nicotine zwartbruine caféplafond.

Natuurlijk schreef ik in die jaren, gedichten en columns, maar ik maakte nooit iets af

Ik was toen aan het eind van mijn zesde jaar rechtenstudie en nog geen doctorandus, laat staan meester. Wat deed ik eigenlijk in die jaren? Opkomen voor natuur, gezond eten en duurzaamheid, maar mezelf bijna dagelijks te pletter drinken. En schrijven natuurlijk, maar op een enkel gedicht na en columns die gepubliceerd werden in Het Tilburgs Hogeschoolblad, maakte ik nooit iets af. Of het duurde jaren. De gedichten ik die zomer aan het kanaal schreef, werden pas gepubliceerd in het bundeltje Een dagje op/aan/in het water in 1991, bijvoorbeeld ‘Ophaalbrug’ waarin de brugwachter, zo u wilt, een soort van Sint-Pieterfunctie aan de hemelpoort krijgt toebedeeld.


De brug spert traag haar tandenloze muil
Een vrachtschuit komt behoedzaam ingevaren
Een meeuw zeilt weg met trage vlieggebaren
En spiedt naar lekkers tussen kadevuil

De bruggenman knikt groetend naar de boot
En schrijft haar naam op voor de goede orde
Hij laat de brug weer langzaam wegdek worden
En stelt de scheepvaartlichten in op rood

Quo vadis stond er op de boeg als klacht
Aan alle bruggenmannen die hem groeten
De schipper weet best wat hij zal ontmoeten
Hij vaart om grint van Tilburg naar Maasbracht

Met mijn dichtervrienden Jasper Mikkers, die toen nog publiceerde onder de naam Tymen Trolsky, en Fred la Haye, die nog veel ecologischer bezig was dan ik en die een jaar later zou emigreren naar de eilandcultuur en -natuur van Ierland, vond ik dat jaar het stickergedicht uit. Stickers, die dingen die je overal op kan plakken, waren toen vrij nieuw. Het was overigens al 1977 toen onze eerste sticker met gedichten verscheen. Daarom staat er ook STEKZWAMM “PENCI”-GEBEUREN op. Gebeuren was toen een afschuwelijk modewoord zoals nu event en er werd hetzelfde mee bedoeld, een niet nader te omschrijven culturele uiting.

Wij waren bedenkers van stickergedichten die je overal op kon plakken

Fred en ik bedachten die naam in een studiezaal van de Katholieke Hogeschool Tilburg. Hoe hij tot stand kwam? Je had toen nog geen laptops, alleen typemachines. Wilde je ooit een aparte letter gebruiken dan kon je strookjes wrijfletters kopen in de kantoorboekhandel. Die wreef je dan met behulp van je duim op het papier. Nadeel was wel dat je elke letter maar één keer kon gebruiken. Op een gegeven moment was je letterstrookje op en bleven er altijd een aantal letters ongebruikt over. Meestal werden die weggegooid. Echter niet in het geval van Fred en mij, wij construeerden er de naam STEKZWAMM PENCI mee en wreven die letters uit op een advertentie van DAF-trucks in een geïllustreerd magazine. Uiteraard knipten we de naam DAF uit de afbeelding.

Voila! De kunstbeweging STEKZWAMM PENCI was geboren. Ze zou jammer genoeg niet zoveel stof doen opwaaien als DE STIJL of COBRA, maar organiseerde op de hogeschool toch een aantal absurdistische theateruitingen waar enkelen om moesten lachen en vele zich aan ergerden. Waarom we PENCI later tussen aanhalingstekens zijn gaan schrijven, weet ik niet meer, maar waarschijnlijk stonden die aanhalingstekens ook nog op die doordrukstrip met letters. (wordt vervolgd)

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *