De in Etten-Leur opgegroeide en wonende Olga Vrolijk was zich niet sterk bewust van haar Indische achtergrond. Maar een speurtocht in het verleden leverde toch een band op met haar voormoeders. Ze werd een deel van het geheel van generaties.
door Hein van Kemenade

Olga Vrolijk (Leiden 1981) voelde zich niet verwant met de Indische familie van haar moeder. Die voelde voor haar vreemd, al gingen de liedjes waar ze graag naar luisterde wel over een Indische afkomst. Liedjes als ‘Selamat Jalan, Indisch kind’ van Wouter Muller en ‘Rumah Saya’ van Ernst Jansz van Doe Maar. Bij de uitvaart van haar oudtante Tine ging er iets door haar heen en ze zag ook iets in de blik van haar zoon waarin ze iets dacht te herkennen. Door het moederschap kreeg familie een belangrijkere plek in haar leven. Vrolijk besloot dat zij dit wilde uitzoeken en koos ervoor om de vrouwelijke lijn te volgen. Daarmee maakte ze het zichzelf niet gemakkelijk, want de meeste genealogische gegevens volgen de mannelijke afstamming. Het boek Retourtje Indië is het resultaat van haar zoektocht.
Het leven draaide om familiebanden
De zoektocht begint met een foto van haar betovergrootmoeder Moersia, geboren in 1883. Daarop staat zij afgebeeld met de man waarmee zij als njai *leefde en met hun dochter Greet, geboren in 1900 en de overgrootmoeder van Olga Vrolijk. Moersia was een Javaanse die leefde in de kampong, een traditioneel dorp op Java met huizen van bamboe en palmblad. Het leven draaide voor haar om familiebanden. Onderwijs had zij niet genoten, maar ze kon koken, kleding maken, stoffen batikken, werken op de sawa’s en spullen verkopen op de pasar. De man waarmee ze als concubine samenleefde, was de Nederlandse militair Arie Riet. Ze woonde met hem op de ‘tangsi’ (kazerne). Riet erkende hun kinderen, waardoor die geen ‘inlander’ werden genoemd en meer toekomstmogelijkheden zouden hebben. In 1913 trouwde het paar, toen er al vijf kinderen waren. Moersia kreeg daardoor de Nederlandse nationaliteit en zou uiteindelijk een pensioen ontvangen.

De oudste dochter Greet Riet was Indisch. In 1916 reisde zij met haar vader per boot naar Nederland waar haar vader zei dat zij ook ‘hier’ vandaan kwam. Greet was ‘een donker meisje in een roomblanke familie’ en gewend aan de tropische warmte. Ze werd christelijk opgevoed, maar trouwde niet met de man die haar vader suggereerde, maar volgde haar hart.
Een nieuw bestaan opbouwen
Greet Riet trouwde in 1923 in Sumedang met Louis Smeets, telg uit een Europees georiënteerde familie. Zij kregen blonde en donkere kinderen. De Tweede Wereldoorlog vormde een grote inbreuk op haar leven. In 1940 werd Rotterdam, de stad van haar vader gebombardeerd en in 1942 viel Japan Batavia aan. Alles wat Nederlands was, verdween. Europees onderwijs werd verboden en ze moesten op straat buigen voor de Japanner, anders volgde straf. Louis en Ferry, hun oudste zoon, werden gearresteerd en ook Greet werd opgepakt zodat drie jonge meiden, Ellen was zestien, alleen thuis overbleven.

In 1945 werd de onafhankelijkheid van Indonesië uitgeroepen door Soekarno en Hatta, maar door hun banden met de koloniale overheersers werd de familie opnieuw in verschillende kampen ondergebracht. Uiteindelijk vonden ze elkaar terug in Bandoeng, vierhonderd kilometer verwijderd van hun woonplaats, en konden een nieuw bestaan opbouwen. Na de Nederlandse erkenning van de onafhankelijkheid van Indonesië bleef het gezin aanvankelijk nog daar wonen. Twee dochters trouwden, maar het werd onveiliger voor iedereen die als pro-Nederlands werd beschouwd. In 1952 vertrokken Greet en Louis naar Nederland.
Doorspekt met Maleise woorden
Grootmoeder Ellen Smeets beleefde een huiselijke en onbezorgde jeugd, deels Indisch en deels Europees. Zij leed aan een zeldzame ziekte wat leidde tot een gevoel van onveiligheid door haar eigen lichaam. Ze was dertien toen de oorlog in Indië begon. Haar zus schreef daarover dat ze vreselijke honger leden en blaadjes van de heg aten. De oorlog was een verschrikking. Na de oorlog ging Ellen eerst naar de HBS, maar later toch naar de mulo en vond werk als stewardess bij de KLM. Daar ontmoette ze Jan Vermaat met wie ze trouwde. In 1954 werd Anneke geboren, de moeder van de schrijfster. Toen het contract van Jan Vermaat afliep, vertrok het gezin naar Nederland. Voor Ellen was dit een grote verandering, want alles waarmee zij vertrouwd was, moest ze achterlaten. In 1964 overleed zij aan haar hartklachten, vijfendertig jaar oud.
Anneke Vermaat was geboren als Indisch meisje, maar toen zij een half jaar oud was, vertrok het gezin naar Nederland. Haar moeder vertelde haar kinderen over het leven in Indië en haar taalgebruik was doorspekt met Maleise woorden. Haar ziekte en jonge overlijden maakte hier een einde aan. Anneke kreeg er stekende buikpijn van die later zou leiden tot lichamelijke klachten. Vader Jan vond een vrouw die het huishouden kwam doen, Tante Bep. Er bloeide tussen die twee iets moois op en ze trouwden.
Ze ontdekt verwantschappen
Voor Anneke betekende dit, dat al het Indische uit haar leven verdween. Voor de buitenwereld was zij nu een gewoon Hollands meisje. Ze trouwde jong met haar vriend Adrie Vrolijk uit Scheveningen. In 1979 werd dochter Inge geboren met een lichtbruine huid, zwarte haartjes en bruine ogen. In 1981 volgde Olga met roze huid en blond haar. Nu Anneke zelf moeder was geworden, miste ze haar eigen moeder nog meer. En toen in 1984 ook Oma Smeets overleed, verdween er nog meer Indië uit haar leven.
Toen zij hulp zocht voor haar lichamelijke klachten kreeg ze het advies om op zoek te gaan naar het Indische verleden van haar moeder. Daarop kwam Tante Tine met veel herinneringen en die ervaring was voor haar heerlijk, verdrietig en overweldigend tegelijk. Voorzichtig durfde ze haar verleden toe te laten. In 2008 maakte ze met haar man Adrie een rondreis op Java. Het was alsof er een onzichtbare muur begon af te brokkelen. Eindelijk mocht alles worden gezien en gevonden.

Het schrijven van deze geschiedenis heeft Olga Vrolijk veel gebracht. Door deze verhalen ontdekt ze verwantschappen met haar voormoeders en haar eigen Indische achtergrond. Als een spekkoek die ze opensnijdt, tonen alle lagen hun kenmerken. Oma Ellen heeft een plaats in de familie teruggekregen.
Onbestemde angsten
Onbestemde angsten van Olga vinden hun plek, zoals de angst voor oorlog en bang zijn om te verhuizen. Ook is ze anders gaan kijken naar het Indisch zijn, de geuren en smaken, de klanken en het accent. Ze kwam erachter dat ze eigenlijk Aziatisch haar heeft. Olga is met haar zus de eerste in de vrouwelijke lijn die niet in de Oost geboren is.
In Retourtje Indië heeft Vrolijk in de verhalen haar voormoeders tot leven gebracht. Overlappen met dezelfde gebeurtenissen heeft ze op een kundige manier verteld zonder dat je twee keer hetzelfde leest. Het boek biedt geen opsomming van feiten, maar betrokken verhalen over hoe het leven van en voor haar voormoeders was. En terwijl Vrolijk de levens van anderen beschrijft, laat ze enorm veel zien van hoe zij er zelf naar kijkt en in staat. Ze wordt deel van het geheel.
*) De njai was een vrouw die als concubine of huishoudster diende voor Europese mannen, meestal Nederlandse kolonialen. Ze werd beschouwd als een soort partner, maar had doorgaans geen formele erkenning of rechten. Haar relatie met de man was gebaseerd op ongelijkheid en afhankelijkheid.
Olga Vrolijk, Retourtje Indië. Hoe ik thuiskwam bij mijn voormoeders. Familiegeschiedenis. Edam: LM Publishers 2025, 136 pp., ISBN 9789460229459, pb., € 22,50.
Meer over de geschiedenis van Indië op Brabant Cultureel
© Brabant Cultureel 2026

