Het ‘Goejemorrugu’ van de weerman op Omroep Brabant met de lang aangeblazen en zachte G klinkt mij als authentiek Brabants in de oren. Dan hedde gelijk goej zin. Van Kristel Doreleijers verscheen een publieksversie van haar proefschrift waarin ze laat zien hoe jongeren dialect gebruiken om zichzelf herkenbaar te maken als Brabander.
door Hein van Kemenade
Het boek Superbrabants is de publieksuitgave van het proefschrift van Kristel Doreleijers (Veldhoven 1993). Dat had als titel Styling the Local en is een onderzoek naar taalvariatie en verandering in het Nederlands en de Brabantse dialecten rondom Eindhoven. Zij deed haar onderzoek onder jongeren en ouderen en kwam tot een aantal verrassende conclusies. Superbrabants is een goed boek, vlot en met humor geschreven en met veel voorbeelden uit de praktijk. Henk Naaijkens interviewde Doreleijers twee jaar geleden over dit proefschrift voor Brabant Cultureel.

Jongeren spreken een hyperdialect
In gesprekken met jongeren stuitte Doreleijers op de jongerentaal die Khalid Mourigh in zijn boek Denkend aan Hollands beschreef. Hij had onderzoek gedaan onder Marokkaanse jongeren in Gouda. Doreleijers merkt dat ook de Brabantse jongeren een ‘hyperdialect’ spreken. Anders dan de ouderen, die veel puurder in hun dialect zijn en vinden dat de jongeren fouten maken.
In ‘Vurraf’ schrijft zij dat ze van huis uit geen dialectspreker is. Ze zegt wel dat ze is aangereden wanneer ze is vertrokken en ze eet liever friet dan patat. Zo ontdekte ze tijdens haar onderzoeken ook dat koningin Maxima tot het #teamfriet behoort. Houdoe is haar favoriete Brabantse woord. Dialect light dus. Doreleijers is sociolinguïst en duidt de verschillen en veranderingen in taal. Ze is geen dialectkenner of dialectoloog. Daarom legt ze verbindingen met de jongerentaal.
De klacht dat het dialect verdwijnt, pareert zij door er een perspectief tegenover te stellen. De taal vernieuwt zich steeds en ook op sociale media en bij jongeren bestaat de behoefte om te laten horen waar je vandaan komt. Het is geen automatisme, maar taal om het groepsgevoel te benadrukken. In een telefoongesprek onthult Doreleijers nog dat ze er door haar onderzoeken achter kwam dat ze veel meer van het Eindhovens dialect wist dan ze dacht.
Een stereotype van het Brabanderschap
Brabants is eigenlijk een heel compacte taal. Da kan of dè ken. Heddem! Wellek? Tis wa of Tis wè. Waar kun je aan horen of zien of iemand uit Brabant komt? ‘Dat is de zachte g’ is het meest gegeven antwoord, of dat je het gewoon ‘hoort’. Aan de tongval dus. Het blijkt niet gemakkelijk te zijn om een stereotype van het echte Brabanderschap te geven, behalve de geografische associatie, het carnaval, worstenbroodjes, de Snollebollekes, Frank Lammers in de Jumbo-reclame, de New Kids. Maar dit is natuurlijk net zo goed waar als niet waar.
Brabants is eigenlijk een heel compacte taal.
Da kan of dè ken.
Heddem!
Wellek?
Tis wa of Tis wè.
Brabant is gezellig, gemoedelijk en gastvrij (drie keer de zachte g), bourgondisch en PSV. Al is van dat laatste de West-Brabander niet meteen te overtuigen. Doreleijers noemt dit talige en culturele marketingtools. Het meest kenmerkende is de alledaagsheid zoals die wordt bezongen door Hein Augustijn en Gerard van Maasakkers: Buurten meej ons mam, kuukske bij de thee, hedded al geheurd, och ge maokt wa mee, dès wa ik ken. Typisch Brabant taalgebruik. Op zijn Bredaos klinkt het zo: Waauwele meej ôôns moeder, koekske bai de thee, Edde gai da ge’oord g’ad.
Het klinkt dialectachtig, het is Superbrabants
En hét Brabants bestaat eigenlijk niet. Elke plaats heeft zijn eigen dialect en dat kan zelfs binnen een plaats verschillen. Vroeger kon je aan het dialect horen uit welke plaats iemand kwam. In de twintigste eeuw is er een kanteling naar het ABN gekomen. Het dialect werd niet meer van generatie op generatie doorgegeven. Mensen dachten dat hun kinderen hogerop konden komen met ABN. Het dialect werd als boers gezien. In feite is dialect eerder informeel en gemoedelijk dan zakelijk of elitair. De taal is levend en verandert steeds. Zo ook het dialect. Daarbij komt dat er weinig regels zijn voor het dialect en de taalpraktijk nogal rommelig is.

Het traditionele dialect maakt plaats voor een nieuw soort dialect. ‘Hyperdialect‘ is hier een goede term voor. Jongeren nemen uit het dialect slechts bepaalde eigenschappen over, omdat ze het dialect niet zo goed kennen. Die worden vervolgens uitvergroot. Het klinkt dialectachtig: het is Superbrabants. In de jongerentaal worden mannelijke lidwoorden gekoppeld aan vrouwelijke woorden. Zoals in den ouden tramhalte in plaats van D’aauw tramhalte.
‘Dat dialect hangt in de lucht’
Voor verkleinwoorden wordt -ke in plaats van -je gebruikt. Een mèske of een durske, een clubke. Soms komt er een tussen-s: boekske of buukske; bènkske of bankske. In het hyperdialect ontstaan dan vormen als clubske, durpske, bluumske of zelfs bierske. De ervaren oudere dialectsprekers gruwen hiervan. Ouderen klagen graag over de teloorgang van het dialect maar steken de hand ook in eigen boezem: ‘Ik heb toch spijt dè’k ’t ze niet allebei heb gelird. Dè’k nie Brabants met ze gesproken heb.’
Jongeren nemen uit het dialect slechts bepaalde eigenschappen over, omdat ze het dialect niet zo goed kennen. Die worden vervolgens uitvergroot.
Het klinkt dialectachtig: het is Superbrabants.
Jongeren hoeven niet lang na te denken over de vraag of ze nog Brabants gebruiken: ‘Ja! Bende gij, da zegt iedereen.’ Of na een film van New Kids praat iedereen gewoon plat Brabants. Iedereen zegt houdoe of kei erg. Ze willen een bietje Brabants praten om erbij te horen en door de vibe. Mijn moeder zei al: ‘Dat dialect hangt in de lucht.’ Mijn ouders zijn Oost-Brabanders, waar ik ook ben geboren. Thuis spraken wij ABN, maar alle kinderen hebben het Ettense dialect meegekregen. Lilluk dat mijn moeder dat vond, met al die aais en de h niet uitspreken waar die heurt en wel waar er geen thuishoort. In Oost-Brabant was de bijnaam voor Van Kemenade Keem, in het westen Kimmel. Door mijn ouders en familiebezoek is de Oost-Brabantse tongval mij erg vertrouwd en geeft die een gevoel van thuiskomen. Maar dat geldt voor mij ook voor het West-Brabants.
Aan verandering onderhevig
Doreleijers spreekt over de drie T’s: taalgevoel, taalwerkelijkheid en taalnorm. Een meisje die, die meisje, hun hebben, groter als, hij wilt. Allemaal voorbeelden van de taalwerkelijkheid die aan verandering onderhevig is. Het zijn taalvariaties die worden gezien als taalfouten of taalergernissen, omdat ze niet voldoen aan de norm. Het taalgevoel blijkt uit onderzoek zeer verschillend te zijn. Dat is het interessante aan het werk van Doreleijers, en de manier waarop zij daarover schrijft is erg aanstekelijk doordat ze veel voorbeelden gebruikt. Ik ben dan geneigd om mijn eigen Brabants te willen spreken. De jongeren zal het allemaal een zorg zijn. Zij kiezen hun eigen taal om erbij te horen en hun Brabander-zijn te laten zien. Zij spreken een regiolect: Superbrabants!

Doreleijers vertelde mij ook nog dat zij een van de vier auteurs is van het in september te verschijnen standaardwerk Atlas van het dialect in Nederland. Medeauteurs zijn Alexia Kerkhof, Sterre Leufkens en Marc van Oostendorp. In dat werk is er meer aandacht voor de West-Brabantse dialecten.

Kristel Doreleijers, Superbrabants. Over jongerentaal, New Kids en je thuis voelen in je dialect. Amsterdam: Ambo|Anthos 2026, 200 pp., ISBN 9789026372070, pb., € 21,99. E-book € 12,99.
amboanthos.nl
kristeldoreleijers.nl/neerlandica
Lees ook op Brabant Cultureel:
Interview met Kristel Doreleijers > Is er nog toekomst voor dialect in Noord-Brabant [2024]
© Brabant Cultureel 2026
