Boek over negentig jaar verzamelbeleid Van Abbemuseum illustreert het persoonlijk stempel van de directeur  

De collectie van het Van Abbemuseum begon in 1936 met de overdracht van de privéverzameling van Henri van Abbe, directeur van sigarenfabriek Karel I, en werd vervolgens uitgebreid door acht opeenvolgende directeuren. Zij hadden ieder een eigen visie op de beeldende kunst en drukten daarmee hun stempel op het verzamelbeleid. De totstandkoming van de collectie is nu te boek gesteld.

door Irma van Bommel

In negentig jaar tijd zetten acht directeuren zich in voor het Eindhovense Van Abbemuseum. Dat waren achtereenvolgens Wouter Visser (1936-1942, 1945), Piet Peeters (1942-1943), Louis Vrijdag (1943-1944), Edy de Wilde (1946-1963), Jean Leering (1964-1973), Rudi Fuchs (1975-1987), Jan Debbaut (1988-2003) en Charles Esche (2004-2024). In september 2025 trad Defne Ayas aan als directeur van het museum. Onder haar bewind opende recent de nieuwe collectiepresentatie ‘Collectie als kosmos’.

Het boek Collectie in context. Van Abbemuseum 1936-2024 bevat over iedere directeur een uitgebreide inleiding. De teksten hiervoor zijn geschreven door Diana Franssen, voormalig curator van het Van Abbemuseum, Mieke Rijnders, voormalig hoofddocent kunstgeschiedenis aan de Open Universiteit, en Paul van den Akker, hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Open Universiteit. Per directeur is ook een keuze gemaakt uit een aantal verworven kunstwerken. De teksten daarover zijn geschreven door oud-studenten die tijdens hun masteropleiding aan de Open Universiteit hebben meegewerkt aan een door Mieke Rijnders geïnitieerd onderzoek naar het verzamelbeleid van het Van Abbemuseum.

Aan mode onderhevig

De eerste directeur na de Tweede Wereldoorlog was Edy de Wilde. Hij richtte zich op de internationale ontwikkelingen in de kunst en breidde de collectie uit met werken van onder anderen Picasso, Chagall, Braque, Delaunay en Kandinsky. Maar hij verwierf ook werken van Charley Toorop. Oudere schilderijen zoals van de bokser Kid Oliveira (1939) van Wim van de Plas verdwenen voor lange tijd in het depot, om pas weer tevoorschijn te komen in onze tijd nu er tentoonstellingen worden gemaakt waarin inclusie een belangrijk thema is.

Boven: Wim van de Plas, Kid Oliveira (1939). Collectie > Van Abbemuseum. Foto > Peter Cox
Onder: De bokser Kid Oliveira was na jaren in het depot o.a. weer te zien in de tentoonstelling Dwarsverbanden (2021-2026). Een van de verhaallijnen pleitte voor een inclusieve samenleving, met meer aandacht voor mensen van kleur in de portretkunst en meer aandacht voor vrouwelijke kunstenaars, zoals Charley Toorop (portret rechts). Foto > Joep Jacobs
Buste de Femme (1943) van Picasso (rechts) maakte deel uit van de vorige collectiepresentatie ‘Dwarsverbanden’ (2021-2026). Een van de verhaallijnen in de tentoonstelling pleitte ervoor om de West-Europese kunst niet langer centraal te stellen. Foto > Joep Jacobs

De waardering voor kunstwerken is aan mode onderhevig. Maar ook heeft er een verschuiving plaatsgevonden van het waarderen van kunstwerken om artistieke kenmerken naar het plaatsen van kunstwerken binnen een verhaal. Zo kan met diverse werken uit de collectie telkens een ander verhaal worden verteld.

Boven: Marc Chagall, Hommage à Apollinaire (1913). Collectie > Van Abbemuseum. Foto > Peter Cox
Onder: Hommage à Apollinaire maakte deel uit van The making of Modern Art (2017-2021), een tentoonstelling waarbij meesterwerken uit de collectie van het Van Abbemuseum werden gerelateerd aan de klassieke canon van de kunstgeschiedenis. Foto > Peter Cox

We zien een golfbeweging waarin l’art pour l’art afwisselt met maatschappelijk geëngageerde kunst. En een golfbeweging waarin het museum als (dogmatisch) instituut wordt afgewisseld door een type museum dat zich openstelt en het maatschappelijk debat met het publiek zoekt. Jean Leering en Charles Esche waren daar voorstander van. Jean Leering door zijn inspanningen om bewoners van Eindhoven te betrekken bij projecten. Charles Esche door zich activistisch op te stellen en kunst te tonen uit conflictgebieden en van kunstenaars die hij leerde kennen via door hem georganiseerde tentoonstellingen op andere continenten.

Hoort dit in een museum?

De door Jean Leering geïnitieerde tentoonstelling ‘De Straat. Vorm van Samenleving’ die nu zo wordt bejubeld als maatschappelijke tentoonstelling, werd echter destijds door publiek en gemeentebestuur kritisch ontvangen. De vraag was: Hoort dit in een museum? Ook bij de ingepakte stoel van Christo rees de vraag: Is dit wel een kunstwerk?

Christo & Jeanne-Claude, Wrapped armchair (1964-1965). Collectie > Van Abbemuseum. Foto > Peter Cox

Leering verklaarde dat het voor hem niet meer voldoende was ‘dat het museum een forum is voor de eigentijdse kunst; het moet de bezoeker in de gelegenheid stellen zich bewust te worden van zijn kulturele positie in de dynamische maatschappij.’ De installatie van Joseph Beuys, ‘Voglie vedere i miei montagne’ (ik wil mijn bergen zien) is voor meerdere uitleg vatbaar. Het werk roept associaties op en volgens de kunstenaar hoeft de betekenis niet eenduidig te zijn. Beuys zelf verklaarde dan ook niet wat hij ermee bedoelde.

Voglie vedere i miei montagne (1971) van Joseph Beuys was o.a. te zien in de tentoonstelling Ooggetuigen van strijd (2019), met werk van kunstenaars die getuigen zijn geweest van oorlog en conflict. Foto > Peter Cox

Toen Rudi Fuchs aantrad als directeur was hij een voorstander van abstracte kunst, van het minimalisme. Maar toen hij werd gegrepen door het neo-expressionisme van Duitse kunstenaars als George Baselitz, Markus Lüpertz, A.R. Penck en Anselm Kiefer stelde hij zijn visie van een lineaire ontwikkeling van het modernisme bij naar een visie van een meerstemmige ontwikkeling. Zijn opvolger Jan Debbaut richtte de focus niet langer op schilderkunst, maar op sculptuur, installatie, performance en experimentele video.

Dekoloniaal denken

De uitspraak ‘Musea zouden minder conservation en meer conversation moeten zijn’ zou zomaar van Charles Esche kunnen zijn, omdat deze zijn ideeën over de nieuwe functie van een museum in de samenleving goed verwoord. Maar het is een uitspraak van de Frans-Canadese kunsthistorica Nathalie Bondil, wat aangeeft dat Esche niet alleen stond in zijn visie. Naast zijn kritiek op het museum als instituut stelde hij de dominantie van de West-Europese kunstgeschiedenis ter discussie, evenals de autonomie van het kunstwerk en zette hij zich in voor dekoloniaal denken en de ondergeschikte rol van de vrouw in de kunst. Met deze aspecten zette hij het Van Abbe als innovatief museum op de kaart.

Michael Rakowitz vestigde met The Invisible Enemy Should Not Exist (2009-2010) de aandacht op de gestolen kunstobjecten uit het Nationaal Museum van Irak in Bagdad tijdens de oorlog met de VS. De installatie was te zien in de tentoonstelling Er was eens… de collectie nu (2013) en in De collectie is … (2022), een tentoonstelling waarbij design uit de collectie van Lidewij Edelkoort werd gecombineerd met werken uit de collectie van het Van Abbemuseum. Foto > Peter Cox 

Toch verloor Esche geleidelijk aan het publiek. Volgens Diana Franssen omdat zijn ideologische boodschap steeds dominanter werd, en daardoor zijn activisme minder effectief. Maar je kunt gerust stellen dat zijn desinteresse in de stad Eindhoven hem de das om deed. Hier wacht een schone taak voor de nieuwe directeur: zorg dat je contacten onderhoudt met het culturele veld in Eindhoven.

Diana Franssen, Mieke Rijnders, Paul van den Akker (red), e.a., Collectie in context | Van Abbemuseum 1936-2024, Zwolle (WBooks) 2025, 272 pp, hc, ISBN 9789462585140, € 24,95

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *