Een pleidooi om met aandacht om de hoek te kijken

Column door JACE van de Ven

Al eens eerder wees ik u erop dat Brabant Cultureel weleens aan zijn laatste jaar of jaren bezig zou kunnen zijn. We zijn een klucht journalistieke cultuurliefhebbers van gemiddeld minstens zeventig jaar oud die over kunst en cultuur in Noord-Brabant schrijven zonder daarvoor bezoldigd te worden. Dat is niet erg, want we doen het graag. Alleen is het moeilijk om nieuwe aanwas te vinden als er weer eens eentje van ons, door overlijden of niet meer kunnen of willen, wegvalt. Wie, o wie komt ons redden? Beeldende kunst-, dans-, jazz, opera-, literatuur-, of-wat-dan-ook-voor-kunstliefhebbers die graag eens zouden schrijven over de artistieke creaties die hen bekoren, kunnen zich melden. Sinds uw laatste opstel op de middelbare school geen verhandeling meer op papier gezet? Er is op de redactie wel iemand te vinden die u helpt.

Goed, dat was dat, want ik hoop dat Brabant Cultureel kan voortbestaan, ook al zie ik dat jongere generaties, zeker die van mensen onder de vijftig jaar, weinig belangstelling voor ons hebben. Zij hebben andere kanalen op de media, andere interesses ook, met een enkel artikel bereiken we hen soms, maar meestal niet. Toch wordt onze site jaarlijks nog steeds door meer dan 200.000 bezoekers aangeklikt. Dus u gaat niet schrijven voor de kat zijn viool. Daarbij zijn de mensen die onze site bezoeken allemaal cultuurliefhebbers, iedereen is geïnteresseerd, terwijl bij een krant of magazine veel abonnees de kunstartikelen overslaan, zoals trouwens ook die over voetbal, maar dat gelooft u misschien niet. Ik weet het uit onderzoek.

Als brugwachter nam ik me voor om in de stille uren te studeren.
Natuurlijk kwam er niks van terecht.

Eigenlijk had ik met deze aflevering willen beginnen aan een serie artikelen over de hete en droge zomer van 1976. Die is nu vijftig jaar geleden en was een voorbode van wat ons te wachten staat. Ik was toen zesentwintig en een trage student. Die zomer had ik een baantje als brugwachter aan het Wilhelminakanaal in Tilburg, mooi om tijdens stille uren wat te studeren, zodat ik eindelijk eens zou opgaan voor mijn doctoraal Rechten. Er kwam natuurlijk niks van terecht. Wel schreef ik gedichten aan die brug, genoot van een vergeten stukje natuur achter de leegstaande brugwachterswoning en beleefde mijn eigen kleine stukjes cultuur van de grote cultuur die gaande was. Is dat na vijftig jaar nog interessant? Dat zullen we de volgende keer bekijken.

Blijven er twee zaken om nu nog even te bespreken: Hans van Driel (Nijmegen 1952), gepensioneerd docent communicatie- en cultuurwetenschappen aan de Universiteit van Tilburg, stuurde me het boekje Sporen, het verslag van een dagelijkse wandeling die hij maakt door de directe omgeving van zijn woonhuis in het centrum van Tilburg. Zelf ken ik die omgeving als mijn broekzak en ook de details die Van Driel bespreekt. Hij verbindt er korte poëtische of filosofische bespiegelingen aan. Sporen vormt een pleidooi om met aandacht om de hoek te kijken’, staat er op de achterflap. Het boekje is uitgegeven door Uitgeverij Fugato, een van de vele kleine uitgeverijen die de laatste jaren opduiken en interessante boeken weten te ontdekken.

Het tweede onderwerp waarover ik had nagedacht om het tot onderwerp van deze tweewekelijks column over kunst in Noord-Brabant te verheffen, was een voordracht die ik afgelopen zaterdag en zondag heb gehouden over de heilige Theresia van Lisieux. Deze jongedame – zij stierf op haar vierentwintigste aan tuberculose (tbc) – is tot ver in de twintigste eeuw een van de populairste heiligen van de katholieke kerk geweest. Zij werd in 1925, binnen achtentwintig jaar na haar dood, al heilig verklaard, een absoluut record destijds. Ik denk dat dat veel te maken had met de braafheid van eenvoudige mensen die toen nogal gepropageerd werd en met het boekje Histoire d’une âme, Geschiedenis van een ziel, dat Theresia in het klooster schreef. Dat boekje sprak de gelovigen van toen erg aan, waarschijnlijk omdat zij zich herkenden in de jonge non die volgens zichzelf nogal onbeduidend was. Maar, bedacht zij, misschien was zij in de tuin van God dan maar een madeliefje tussen de rozen en de lelies, maar ze zou wel zo mooi mogelijk kunnen proberen te bloeien, dan had ze toch haar eigen unieke waarde. En mocht ze dan ooit in de hemel komen, dan zou ze daar niet passief gaan zitten genieten, maar zou ze het rozen – dat zijn zegeningen – laten regenen op aarde. Begrijpelijk dat gelovigen haar gingen aanroepen.

Theresia van Lisieux was tot ver in de twintigste eeuw een van de populairste heiligen

Ik praat altijd graag op enigszins badinerende wijze over dit soort onderwerpen, probeer feiten van mythes te scheiden en cultuurhistorisch het verschil van nu met de tijd van een eeuw geleden aan te geven. Vergeet niet dat wij hier, gedepriveerden op onze arme zandgronden, het heil toen ook nog enkel van de hemel zagen komen. Ik daag u uit om in de stad of het dorp waar u woont, een standbeeld te vinden dat voor de Tweede Wereldoorlog is geplaatst en dat niet naar het katholieke geloof verwijst. Dergelijke kunstwerken zijn in Brabant op een paar handen te tellen.

Theresia van Lisieux, links > Theresia vlak voor haar intrede in het klooster (1885). Bron eerste twee beelden > Wikimedia Commons

Het gaat te ver om verder op mijn een half uur durende lezing in te gaan, maar één stukje wil ik u niet onthouden. Het gaat over een dag, nog geen kwarteeuw geleden, toen ‘die theatrale Poolse paus, Johannes Paulus II, de Donald Trump van de katholieke kerk’ Josemaria Escrivá de Balaguer, stichter van Opus Dei, heilig verklaarde. Opus Dei is ‘een sekte die niet in haar eigen organisatie laat kijken, ondanks allerlei beschuldigingen van seksueel misbruik, maar die naar buiten toe ageert tegen euthanasie, abortus en allerlei gebruiken die zij ziet als niet recht in de leer van het conservatieve katholicisme. De deugden van Escrivá werden tijdens zijn heiligverklaringsproces verdedigd door leden van Opus Dei zelf. Tijd om stemmen van buitenaf te horen was er niet, want Johannes Paulus II verklaarde Escrivá binnen veertien jaar na zijn dood heilig. Weg record van Theresia. Tegelijk zette hij het proces tot de heiligverklaring van aartsbisschop Romero uit El Salvador, die tijdens een heilige mis werd vermoord, stop. Romero vond-ie maar een gevaarlijke socialist, al kwam de man alleen maar op voor de onderdrukking van de armen.’

De vermoorde bisschop Romero was te links om heilig verklaard te worden

En zo mompelde ik nog een tijdje door over Theresia en andere heiligen, zelfs Gina Lolobrigida, Brigitte Bardot en Memphis Depay werden erbij betrokken. De voordracht werd vier keer gehouden ter gelegenheid van een cultureel feest in de wijk Theresia in Tilburg en is zo goed als onbelangrijk, afgezet tegen de uitingen van hoe de grote cultuur zich ontwikkelt. Maar voor degenen die erbij waren, alsmede voor misschien de weinigen die het boekje Sporen van Hans van Driel gaan lezen, of de bespreking van een expositie van een kunstenaar in Brabant Cultureel, is zij wel degelijk een culturele ervaring. Ik schreef al hoe ik als brugwachter in 1976 genoot van een vergeten stukje natuur achter een leegstaande brugwachterswoning. Men hoeft niet in de Scala te zitten om van opera te genieten of in het Rijksmuseum voor de Nachtwacht te staan om beeldende kunst te ervaren. Dit stuk is ‘een pleidooi om met aandacht om de hoek te kijken’.

Op een hoek in de wijk Theresia ontdekte ik bijvoorbeeld een prachtige creatie van de kunstenaar Twan Hendriks die verbeeldt hoe de Theresia rozen laat neerregenen op aarde. Het kunstwerk is een portret van de heilige Theresia, samengesteld uit dunne roestvrijstalen buizen die met een hamer gebutst zijn om lichtschittering weer te geven. Zij zijn de regenstralen en als rozen zijn op de muur zeven rode lichtdozen geplaatst. Had ik niet in Theresia moeten spreken, had ik het nooit ontdekt. En toch is het hemelsbreed niet meer een kilometer van mijn huis.

Theresia’s Rozen van Twan Hendriks. Kijk ook hier.

Reacties (2)

  1. Frank Mommersteeg schreef:

    Weer een mooie column, stimulerend tevens. Misschien hebben de jongere lezers hier ook wat aan. Mijn reactie is als volgt:

    Kunst

    Het was in het begin van het derde schooljaar- het eerste leerjaar van de bovenbouw: het gymnasium – dat Kapteijns, mijn nieuwe leraar Nederlands, de klas binnenkwam. Sigaret in de mond, zonder stropdas, het bovenste knoopje van zijn geruite overhemd los, een versleten boekentas nonchalant op de lessenaar slingerend, dwong hij meteen gezag af dat hij ook op didactisch terrein ten toon zou spreiden.
    ‘In de onderbouw,’ sprak hij ons staande voor de klas toe, de rechterhand gebarend, de linker onverschillig in zijn broekzak, af en toe zuigend aan zijn onafscheidelijke sigaret, ‘hebben jullie je hoofdzakelijk beziggehouden met eindeloze spellingsoefeningen, het maken van dictees en het beantwoorden van vragen bij een stukje tekst. Taalbegrip en taalbeheersing, dat was het werk van mijn collega; hij bracht jullie de nodige kennis van de grammatica bij; en wij zullen in de komende tijd zeker nog wel eens aandacht aan die aspecten besteden, al was het alleen maar om het geheugen op te frissen; maar vanaf vandaag gaan we ons met andere zaken bezighouden. Met de vraag wat een kunstwerk eigenlijk is, – en een literair kunstwerk in het bijzonder. Met de vraag wat mooi is en wat niet.’
    Je kon een speld horen vallen toen hij hierna zweeg. Nadat hij het op het kleine podium achter de verhoogde lessenaar was gaan zitten vanwaar hij de klas goed kon overzien, haalde hij uit zijn tas twee zwart-wit reproducties van oude schilderijen. Op de ene afbeelding stonden Adam en Eva in het paradijs, op de andere Jezus aan het Kruis. Aan enkele leerlingen op de voorste rijen vroeg hij welke van de twee afbeeldingen zij de mooiste vonden. Onwennig giechelend antwoordden sommigen “Adam en Eva’, anderen ‘Jezus’. Er ontstond enig rumoer, dat bedaarde toen Kapteijns, nadat hij een nieuwe sigaret had opgestoken (Lexington aan het pakje te zien), ons vroeg het nieuwe leerboek open te slaan. Met rokerige stem las hij hardop voor: ‘De vraag wat kunst is, is nog nimmer bevredigend beantwoord.’ Het was de eerste zin van de inleiding van Lodewick’s Literaire kunst, het boek dat voor Nederlands op de boekenlijst stond. De klas was een en al aandacht, nieuwsgierig gemaakt voor wat komen ging.
    Om beurten liet hij de leerlingen een stukje voorlezen uit het boek, en stopte telkens enkele ogenblikken om een vraag te stellen of een toelichting te geven. Ook al was de vraag wat kunst is, nimmer bevredigend beantwoord, het belette de schrijver van het leerboek niet om een poging tot definitie te wagen. Het ging volgens Lodewick bij het maken van kunst niet om imitatie van wat al bestond, maar om het scheppen van iets nieuws. ‘De kunstenaar schept een nieuwe, een hogere werkelijkheid, die ons overtuigt en ontroert. Een kunstwerk overstijgt de werkelijkheid van alledag, kan daar zelfs helemaal los van staan. Het kunstwerk kent zijn eigen waarheid, en die hoeft niet per se te behagen.’ En voor het eerst las ik wat een zekere Willem Kloos over poëzie had geschreven, dat ze ‘geen genegenheid is, maar een hartstocht, geen bemoediging, maar een dronkenschap’.
    Zo ging Kapteijns die hele eerste les maar door met ons aan het denken te zetten. Het waren zinnenstrelende zinnen, die hij ons liet oplezen. Over kunst als arbeid: ‘Ook voor de kunstenaar geldt dat hij zich, soms in moeizame strijd, de techniek eigen moet maken.’ Over het uiteindelijke resultaat: ‘De kunstenaar zal bijna nimmer tevreden zijn over zijn schepping.’ Over roem: ‘Dat waardering eerst later volgt, zien we bij tal van grote kunstenaars (denk aan Rembrandt en van Gogh); omgekeerd zien we vaak dat kunstenaars, door hun tijdgenoten hoog geëerd, al heel gauw – en terecht – in het vergeetboek raakten (Cats bijvoorbeeld).’
    Dit was kunst, dit was literatuur.Ik weet niet hoe het anderen verging tijdens deze eerste les, die zo geheel anders was dan alle andere. Mij bedwelmden de woorden van Kapteijns, de woorden van Lodewick, de woorden van Kloos. Die dag ging een nieuwe wereld voor mij open: die van de literaire kunst.
    In tegenstelling tot de literaire kunst was de beeldende kunst mij van huis uit niet vreemd; mijn vader nam mij al jong mee naar tentoonstellingen in het Noord-Brabants Museum, of naar het atelier van regionaal bekende schilders als Slager en Engels, of Paashuis. Ook de jaarlijkse kunstmarkt in Den Bosch was vaste prik
    De bemoeienissen van mijn vader met de kunst had een schaduwzijde. Twee keer heb ik van hem een kunstboek gekregen. Het eerste was een grootformaat boek met prachtige tekeningen van Henriët, Amsterdamse graficus en beeldhouwer die vlak voor het einde van WO 2 op tragische wijze het leven liet bij een bombardement. Het tweede was een exemplaar met reproducties van schilderijen van Rembrandt. Mijn vader had de gewoonte om de boeken te inspecteren op vrouwelijke naakten, deze er met een scheermesje uit te snijden, zodat er in het midden van het boek altijd een reepje van de verwijderde pagina achterbleef. Een vriendje van mij (meer door de wol geverfd dan ik), viel het dadelijk op. Via de inhoudsopgave kwamen we achter de naakte waarheid.
    Aan deze flagrante schending van het boek als ding, kwam een eind toen Oom Ad, missionaris op Soa tijdens een verlof uit Indonesië mij een boekje over Vincent van Gogh cadeau deed, waarin een liggend naakt op de rug te zien was. Mijn vader liet het wel uit zijn hoofd om in dat fraaie door zijn broer aan mij geschonken boekje het scheermes te zetten. Sindsdien hield hij op met míjn boeken te verminken. Hij zou zich trouwens tegenover zijn broer, die heel wat naakt gewend was met al die inboorlingen om zich heen, belachelijk hebben gemaakt.
    Maar ik zou mijn vader onrecht doen door hem deze ‘misstappen’ na zo lange tijd nog aan te rekenen. Er stond immers zoveel tegenover. Dankzij mijn vader hadden we van begin af aan Openbaar Kunstbezit in huis. Het was een initiatief van Stichting voor esthetische vorming, door middel van de radio, in woord en beeld. Als het moment daar was, luisterde het hele gezin tussen tien voor zeven en zeven uur, na het avondeten, naar een deskundige die commentaar leverde bij een reproductie van een of ander landschap, een stilleven, een portret, een beeld of een bijzonder kunstvoorwerp. De betreffende afbeelding stond rechtop tegen een stoelleuning zodat iedereen hem goed kon zien. Er was dan soms meer devotie te bespeuren dan tijdens het gezamenlijk bidden van het rozenhoedje in de meimaand, wanneer we op onze knieën moesten zitten en de slappe lach af en toe door de kamer gierde.
    In dat eerste jaar van de bovenbouw vond in het Noord-Brabants Museum een tentoonstelling plaats, getiteld: Vier Nederlandse Expressionisten. Er werden werken getoond van Benner, Wiegers, Chabot en Kruyder. Ik zou er misschien geen aandacht aan geschonken hebben, als er geen prijsvraag aan verbonden was geweest. Voor de zes beste en persoonlijkste antwoorden op een lijst met vragen (die schriftelijk moesten worden beantwoord) werd een prijs in de vorm van een grote ingelijste kleurenreproductie of een boekwerk beschikbaar gesteld. Het stencil met de vragen kwam via school in mijn bezit. In mijn herinnering zie ik Kapteijns de formulieren uitdelen, maar misschien wil ik al te graag dat hij het is geweest die ons ertoe aanzette om deze expositie te gaan bezichtigen, omdat in opzet heel erg aansloot bij zijn manier van lesgeven.
    Hoe dan ook, ik wil de tentoonstelling zien, ik wil meedoen met de prijsvraag. En ik wil winnen. Ik lees de vragen na jaren nogmaals:

    1. Wie vind je de belangrijkste schilder op de tentoonstelling en kun je zeggen waarom?
    2. Welke 2 schilderijen van hem vind je het beste?
    3. Welke schilder beantwoordt volgens jou het meest aan het begrip expressionisme?
    4. Welk schilderij vind je de meest expressieve van de tentoonstelling?
    5. Waarin zie je de overeenkomst tussen de 4 schilders?
    6. Wat vind je van kleurgebruik en verfbehandeling a) bij Chabot en b) bij Benner?
    7. Hoe zie je de visie op de mens a) bij Wiegers en b) bij Chabot?
    8. Wat valt je bij Kruyder heel sterk op?
    9. Welk(e) schilderij(en) op de tentoonstelling vind je eigenlijk niet expressionistisch?
    10. Vind je het expressionisme een natuurlijk of een geforceerd verschijnsel?
    11. Geef in het kort je indruk van de tentoonstelling weer.

    Achteraf ben ik minder verbaasd over de antwoorden (die ik bewaard heb) en het feit dat ze goed genoeg bevonden werden voor een eerste prijs (‘in de lagere leeftijdsgroep’) dan over de vragen zelf, die bepaald pittig genoemd mogen worden en die een gestudeerd iemand nog hoofdbrekens zouden kosten. Ik kan een gevoel van trots niet onderdrukken, wanneer ik herlees wat ik destijds op sommige vragen geantwoord heb. Op vraag 1 bijvoorbeeld heb ik Chabot genoemd. ‘Omdat hij zijn diepste ervaringen op het doek weet over te brengen. Zijn schilderijen herinneren ons aan de verschrikkingen van de oorlog. Het is alsof de schilder ons wil zeggen: zorg dat dit niet meer gebeurt. Dat is wat de kunstenaar ons wil leren.’
    Met De brand van Rotterdam onderstreepte ik nog eens mijn beweringen en voegde eraan toe: ‘De vlammen zetten het land in een felle gloed van angstwekkend licht-donker contrasten’. En zo ventileerde ik met de vroegwijsheid van een veertienjarige gymnasiast nog meer opvattingen, waarvan er enkele na zoveel jaren nog altijd om een nadere verklaring vragen, zoals deze: ‘Ik vind het Expressionisme van oorsprong een natuurlijk verschijnsel, dat geforceerd KAN worden, wanneer de gevoelens van de schilder zo ‘onnatuurlijk’ worden, dat hij niet meer in staat is hiervan een natuurlijke weergave te bieden.’ (vraag 10). Misschien bedoelde ik dat een kunstenaar kan doen alsof hij hevig bewogen is, terwijl hij dat niet echt is. Dat hij acteert of poseert, omdat hij alleen maar wil behagen, en zich dus een bepaalde houding aanmeet, zonder dat er van een doorleefde emotie sprake is?
    Het is allemaal wel een beetje pretentieus, maar over het algemeen spreekt uit de antwoorden een oprechtheid van voelen, een onbevangenheid. Al heb ik met de zinsbouw en woordkeuze nog wel enige moeite. Dat blijft mijn zwakke plek.
    Maar wat ik van die tentoonstelling en de ermee verbonden wedstrijd vooral leer, is dat kunst vragen oproept; dat het leuk is om over dit soort vragen (als in de vragenlijst gesteld) na te denken en antwoorden te formuleren die een eigen houding of visie veronderstelt. Onze gedachten zijn vaak vluchtig, gedwongen worden om ze op te schrijven dwingt je tevens tot het vinden van een vorm waarin het denken gestalte krijgt.
    Lezen, kijken en schrijven hebben mijn leven verrijkt. En ergens is dat begonnen met die tentoonstelling, denk ik. Maar het meest stimulerende van dit alles was misschien wel het uitgangspunt van de tentoonstellingsdienst (die de prijsvraag organiseerde). Het ging haar om een persoonlijke stellingname. Het ging niet op de eerste plaats om kennis, maar om goed kijken, invoelen en je waardeoordeel geven. Je hoefde niet bang te zijn om je eigen mening te geven, zoals dat op school vaak wel het geval was (met uitzondering van de lessen van Kapteijns).
    De litho die ik als prijs in ontvangst mocht nemen uit handen van de adjunct-directeur van de Kunstacademie, heeft jarenlang bij ons thuis aan de muur in de gang gehangen. Zoals zoveel dingen, is hij verloren gegaan. Maar de herinnering aan die bijzondere tentoonstelling is tot op de dag van vandaag gebleven.

    Uit: Frank Mommersteeg, Memoires van een zondagskind (boek in wording)

  2. José van Dijck schreef:

    Uw opmerking dat Opus Dei niet in de eigen organisatie zou laten kijken, verbaasde mij. Niets is minder waar. Ik nodig u graag uit voor een gesprek en maak graag een afspraak om hier open met u over van gedachten te wisselen.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *