Architecten Paul en Frank Wintermans over de schoonheid van meubelkunst 

Paul en Frank Wintermans studeerden eind jaren zestig Bouwkunde in Eindhoven en ontwierpen een groot aantal gebouwen en bruggen. Zij stonden aan het roer van het Rotterdamse bureau Quist Wintermans, maar zijn ook altijd meubels blijven ontwerpen. Aan het nog steeds groeiende oeuvre is nu een boek gewijd waarin onder andere de spanning tussen modernisme en ambachtelijkheid aan de orde komt. Hieronder een bewerking van de inleiding in het boek.

door Pieter Siebers

Niet zelden zijn meubels afgeleid van gebouwen, omdat veel architecten ook meubilair ontwerpen. Voorbeelden daarvan vinden we net over de grens in het Belgische Mol, in het huis van Paul Wintermans (1950) die samen met zijn broer Frank (1949) een leven lang werkzaam was als architect. In een van de kamers staat het zogenoemde bureau voor Pleun dat is gebaseerd op Le Corbusiers Villa Savoye (1928-1931) bij Parijs. Dit buitenhuis van de familie Savoye wordt door zijn soberheid en functionaliteit beschouwd als een icoon van het nieuwe bouwen en is van grote invloed geweest op het denken over de architectuur van het modernisme.

Bureau Pleun, 1981. Multiplex, witgelakt. Geïnspireerd door de witte villa’s van Le Corbusier.

Openheid en geslotenheid in evenwicht

Het bureau blijkt een kleinere variant van de meer robuuste werkbank die zich in een zijvertrek van het huis bevindt. Fraai afgewerkt, smetteloos wit en identiek aan het exemplaar dat Paul ontwierp voor de kledingwinkel van zijn zus en schoonzus (die de werkbank overigens gebruikten als kassameubel). Het meubel is ogenschijnlijk eenvoudig, maar blijkt bij nadere beschouwing een meer complexe constructie waarbij openheid en geslotenheid elkaar in evenwicht houden.

Paul Wintermans typeert het zelf als een ruimtelijk ensemble, ook in overdrachtelijke zin. “Mijn broer Frank en ik studeerden eind jaren zestig Bouwkunde in Eindhoven. Die opleiding stond in het teken van sober en functioneel modernisme. ‘Less is more’, het adagium van Ludwig Mies van der Rohe uit de jaren twintig van de vorige eeuw, vormde voor ons een fundament, net als ‘Form follows function’.

Eerste schreden

Over de meubels die beide broers hebben ontworpen, verscheen nu een bijna honderdvijftig pagina’s tellend boek met een groot aantal afbeeldingen van de vaak sobere, ogenschijnlijk simpele stoelen. Die zijn, hoewel elegant, nooit in serie gemaakt en vervaardigd van triplex of multiplex. Het begin is gemaakt na het afstuderen aan de Eindhovense Technische Hogeschool (zoals de TU/e toen nog heette). Er heerste een economische crisis, met ook voor bouwkundigen geen beste vooruitzichten.

Kuipstoel, 1974. Berken multiplex en triplex. De zitting en armleuningen zijn uit één plaat gezaagd. De zaagsnede is opgevuld met buigzaam triplex, als rugleuning. Witgelakt ontstaat zo een ruimtelijk plastiek.

“Het viel niet mee je weg te vinden”, zegt Frank, “maar het voordeel was dat we tijd konden stoppen in werk dat ambachtelijkheid vergde. Na onze studie kochten we het uitgewoonde studentenhuis waarin we zaten en na een grondige verbouwing begonnen we daar ons ons eerste architectenbureau.” Daar zijn de eerste meubels ontstaan. Al snel maakte Paul ‘de’ Kuipstoel van triplex, met kleine spijkertjes vastgezet op multiplex, die hij wit lakte en die later in de collectie van het Stedelijk Museum in Amsterdam is opgenomen. Kort daarna maakte Frank de Triplex zetel van triplex op multiplex spantjes, die met transparante beits is behandeld.

Triplex zetel, 1974. Berkentriplex van dikte 3mm, gebogen en verlijmd op multiplex, afgewerkt met transparante lak.

De geur van gezaagd hout

Het ‘vroege’ meubilair is volgens beiden op te vatten als een getuigenis van de aandacht voor het maakproces, een werkwijze die hun werk altijd is blijven kenmerken – of het nu meubels, architectuur of bruggenbouw betrof. Waar nodig werd de expertise van derden betrokken, zoals die van de Eindhovense meubelmaker Hans van Vugt. “Een vakman die vrijwel alles kon maken wat we bedacht hadden. Bovendien kwamen we graag in zijn werkplaats, ook omdat er die heerlijke geur van gezaagd hout hing.” 

Tot productie van meubels in serie is het nooit gekomen, vanwege hun beider hang naar ambachtelijkheid, met bovendien een hartgrondige afkeer van commerciële praktijken. Wel werden meubelen in opdracht gemaakt, zoals een kaarttafel met stoelen, geïnspireerd op de meubels van de Wiener Werkstätte, een groep werkplaatsen voor toegepaste kunst die begin vorige eeuw nieuwe wegen insloegen in de aan tradities gehechte Oostenrijke hoofdstad.

Kaarttafel met stoelen, 1983. Geïnspireerd door de meubels van de Wiener Secession. De witte, houten ring van het tafelblad is afneembaar.

Zelf ontworpen huis

Iets van die invloed is zichtbaar in het door hemzelf in 1998 ontworpen huis van Frank Wintermans in Eersel. Binnen springt een hangende wandkast in het oog, uitgevoerd in hout, met een kromming taps toelopend. Die kromming blijkt mogelijk doordat het dunne hout aan de achterzijde is voorzien van inkepingen, een principe dat ook is toegepast in het hout op de trapleuning in zijn werkkamer, achter in het huis. De schuifdeuren die de toegang tot die ruimte markeren, zijn aan de zijkant voorzien van halfrond stootrubber. Als de deur in gesloten toestand is, zorgt dat voor een zachte aansluiting op de wand. Stootrubber dat ook is aangebracht rondom het blad van een zwarte salontafel, zodat de kinderen zich niet zouden bezeren zoals ze dat wel deden aan de glazen tafel van broer Paul, die er eerder stond.

Salontafel, 2003. De randen zijn voorzien van rubberen stootranden zodat kinderen zich er niet aan bezeren. De bovenste uiteindes van vier RVS-poten zijn als ‘muntjes’ te zien in het bovenblad.

De vraag is of er een onderscheid is te maken tussen de meubelontwerpen van architecten en die van specifiek opgeleide mensen. Die vraag kwam ook aan de orde in 2012, toen het Museum für Angewandte Kunst (MAKK) in Keulen de grote tentoonstelling ‘Architektenmöbel. Von Aalto bis Zumthor’ organiseerde. Daar was een staalkaart te zien van meubilair dat architecten van naam sinds de late negentiende eeuw hebben ontworpen.

Invloed architecten op meubelkunst

“De invloed van architecten op de meubelkunst is er ontegenzeglijk”, zegt Frank. “Of je nu stoelen, kasten of bureaus neemt: het zijn ruimtelijke ontwerpen die aan veel minder eisen hoeven te voldoen dan gebouwen waar vaak complexe programma’s van eisen aan voorafgaan. Er is meer vrijheid. Soms heb je een soort van wisselwerking, zoals in het bankje dat we in 1987 maakten voor de architectuurbiënnale in de Beurs van Berlage. Zonder dat gebouw waren we nooit tot dit ontwerp gekomen.”

Biënnale-bankje, 1987. Ontworpen voor de Biënnale Jonge Nederlandse Architecten in de Beurs van Berlage te Amsterdam. De vormgeving is geïnspireerd door de constructie van het Beursgebouw, geopend in 1903. Ronde gewelven en overspanningen met trekstangen om de spankrachten op te vangen.

Een vraag die beiden nog vaak wordt gesteld, is die van het waarom. Waarom doe je dat als architect? Waarom nog een nieuw ontwerp als er al zoveel stoelen zijn? Bijzondere stoelen zijn er wat de broers betreft nooit genoeg. “Vergelijk het met muziek”, zegt Paul. “Er zijn ontelbaar veel goede songs, verhalend, ontroerend, en iedere dag komen er nieuwe bij. Telkens met een andere tekst, een andere melodie, een ander ritme. Die songs vertellen iets over onze tijd en hoe we in de wereld staan. Zo kunnen we ook naar stoelen kijken. Wat zeggen die over onze leefomgeving? Hoe zitten ze in elkaar? Waarom is voor bepaalde materialen en kleuren gekozen? Een goed ontwerp kan dat leesbaar maken.”

Exposities in het Stedelijk een hoogtepunt 

In een bijgebouw van Pauls huis bevinden zich drie stoelen die in 1989 na zijn eenmanstentoonstelling ‘Stoelen Paul Wintermans’ zijn opgenomen in de collectie van het Stedelijk Museum in Amsterdam: de Kuipstoel, Kinderstoel en Ribstoel. Gebogen vormen van triplex en multiplex, zelf gemaakt of met Hans van Vugt.

Die stoelen waren ook te zien op de tentoonstelling die het Stedelijk in 2004 organiseerde. ‘The Furniture Collection’, een overzicht van meubelontwerpen tussen 1850 en 2000. In de begeleidende catalogus, een lijvig boekwerk van ruim vierhonderd pagina’s, zijn de drie ontwerpen van Paul uit de jaren zeventig opgenomen. De broers noemen die exposities in het Stedelijk een hoogtepunt. “Daar stonden we dan, tussen grootheden als Breuer, Rietveld, Eames en Kjaerholm. Twee broers uit de Brabantse Kempen die met hun architectenbureau uit Eindhoven waren vertrokken omdat daar simpelweg te weinig opdrachten waren.”

Onderlinge waardering en synergie

In 1995 verhuisde het bureau naar Rotterdam, waar vrij snel de stap werd gezet om samen met Wim Quist architectenbureau Quist Wintermans te vormen. “Quist was hoogleraar in Eindhoven en kende ons werk. Het was een heel andere man, wat streng en minder bourgondisch dan wij”, zegt Paul. “Ondanks die verschillen was er onderlinge waardering en ook een zekere synergie. Quist werkte net als wij in de modernistische traditie, en bovendien ontwierp hij ook meubels – voor het Kröller-Müller Museum in Otterlo bijvoorbeeld. Bijzaak, maar toch: het schept een band.”

Buffet F&S, 1986. MDF, multiplex en eiken fineer. Gemaakt voor de woonkamer van Frank Wintermans. De gebogen kant ‘begeleidt’ de doorgang naar de woonkamer, de schuifdeurtjes in de kromming zijn aan de achterkant verticaal ingezaagd.

Wat opvalt is dat juist na die periode de aandacht van de broers voor het detail en het ornament is toegenomen, zowel in de architectuur als in de meubels. “Soms ontstond er vanzelf een ontwerp waarvan je dacht: Wat doet die speelse lijn daar? Of: Hoe kan het toch dat de zetel die ik wilde ontwerpen een krukje is geworden?” Deze ontwikkeling had ook te maken met het modernisme zelf. Het heeft schitterende dingen opgeleverd, maar het risico is dat het een universele taal wordt, koel en met een strakheid die is losgezongen van tradities en culturen, van het lokale.

Toch iets comfortabeler

“We zijn gaandeweg losgekomen van dat wat strenge, formele modernisme. Het is nog wel zichtbaar in de latere ontwerpen, maar die zijn toch iets comfortabeler, iets vrijer. Ik ben op die manier ook wandplastieken gaan maken, die ik als ‘ruimtelijke tekeningen’ zie. Mijn eigen paraaf bijvoorbeeld heb ik bewerkt tot een driedimensionale constructie.”

“In die ontwikkeling hebben Frank en ik elkaar gesterkt, door onderling commentaar op onze ontwerpen te leveren, of het nu gebouwen, bruggen, meubels of die plastieken waren. Dat scherpt je narratief. Dialoog en reflectie leiden soms tot twijfel, maar ook tot een monologue intérieur – het verhaal deugt pas als je het ook aan jezelf kunt uitleggen. Als een beschouwer dan de gedachte van de maker kan achterhalen, dan is het waarschijnlijk een goed ontwerp.”

Paul & Frank Wintermans, Meubels en plastieken. Bussum: Uitgeverij Thoth 2026, 142 pp., ISBN 9789068689013, pb., € 27,50.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *