Expositie over de vormgeving van de natiestaat in Design Museum Den Bosch

In de negentiende eeuw ontstond het idee van de natiestaat. Nationalisme suggereerde de gedachte van één volk, één staat. Een soevereine staat met ‘harde’ grenzen en waarvan de onderdanen zijn verenigd in één cultuur met één taal, allemaal dezelfde godsdienst en een sterk eenheidsgevoel. Fictie, en dus moet er flink worden geduwd en getrokken om iets te bereiken wat op het ideaal begint te lijken. Design, dus. Een expositie in Design Museum Den Bosch.

door Lauran Toorians

Nationalisme is misschien wel het meest desastreuze idee wat de mensheid ooit heeft voortgebracht. Simpel samengevat komt het immers neer op een ideaal van eenheidsworst, of erger, van een hele reeks elkaar beconcurrerende eenheidsworsten die de wereld onderling verdelen en bevechten. Hansworsten, dus eigenlijk. Het is vragen om ellende en de recente geschiedenis maakt overduidelijk dat nationalisme dat ook volop brengt.

Anoniem, afgekeurd ontwerp voor een Europese vlag. Raad van Europa, circa 1951, bron: Wikimedia Commons

Overal ontstaat groepsdenken

Overal waar mensen samenkomen, ontstaat groepsdenken. We vinden een gezamenlijk doel, overeenkomsten en vinden onderling de bereidheid om over verschillen heen te stappen. Of dat nu is in een buurt, een vereniging of onder collega’s, samen zijn we dan ‘wij’ en de rest is ‘zij’. Het aardige is dat die groepen poreus zijn en elkaar probleemloos overlappen. Een goede buur of een naaste collega kan bij het sporten een tegenstander zijn. Een gewaardeerd mede-clublid kan aanhanger zijn van een politieke partij of een religie waarvoor je weinig waardering kunt opbrengen. Dat groepsdenken, maar juist ook de poreusheid van de groep, is nuttig, het vergroot onze overlevingskansen.

Twee foto’s uit de serie Empire door Charles Fréger.
Links: Gardehussar, Denemarken, rechts: Evzones, Griekenland.

‘Wij’ en ‘zij’ zijn persoonlijke voornaamwoorden die in alle talen voorkomen. Er zijn zelfs talen die twee vormen van ‘wij’ onderscheiden, inclusief en exclusief. Je kunt dan zeggen: ‘Wij (in) zijn allemaal mensen, maar wij (ex) hebben rood haar (en jullie niet).’ Dat laatste stukje tussen haakjes is in zo’n taal dus overbodig. Het wordt pas akelig als we die wij-zij-tegenstelling absoluut maken en tot een dwingende regel verheffen. Dan wordt het verven van je haar – of kaal worden – ineens een probleem van levensbelang.

Keurig verhaal over nationalisme

Nationalisme zet dus wel die stap verder. Het heft de poreusheid op. Je hoort erbij of niet en als je erbij hoort moet je net zo doen als ‘wij’, anders spoor je niet. Er zijn mensen die dit nog steeds als ideaal prediken en er zijn landen waar het zo toegaat, met Noord-Korea en China bovenaan in de top tien. Design Museum Den Bosch wijdt nu een expositie aan dit fenomeen, maar blijft daarbij ver – te ver naar mijn gevoel – van de gevaren.

4 impressies van de expositie Vorm en Vaderland in het Design Museum Den Bosch. Foto’s > Evita Copier en Peter Tijhuis

Het museum vertelt keurig wat nationalisme is en hoe het zich sinds de late achttiende eeuw (Franse Revolutie) ontwikkelde. Er moesten grenzen worden bepaald en vervolgens moest worden bedacht hoe mensen zich binnen die grenzen hoorden te gedragen om ‘goede burgers’ te zijn. Uiteraard speelde opkomend onderwijs voor iedereen – ook een idee van de Franse Revolutie – daar een belangrijke rol in. Wie dialect sprak, of een andere taal zoals het Bretons in Frankrijk, moest de standaardtaal leren. En iedereen leerde hetzelfde verhaal over een heldhaftige geschiedenis (Batavieren, watergeuzen en de VOC) en een gemeenschappelijke religie. ‘Waarden en normen’ zeggen we dan, en we doen alsof die Godgegeven zijn.

‘Eeuwenoude’ tradities als klompendansen

Voor de ‘nationale’ cultuur werd ijverig geput uit volksgebruiken die konden worden opgepoetst tot ‘eeuwenoude’ tradities als klompendansen, alpenhoorn blazen of een bepaald soort pannenkoeken bakken en eten. Allemaal nog steeds goed voor het toerisme, maar nergens meer levende traditie. Wat overigens ook meteen de onzin van ‘immaterieel erfgoed’ laat zien. Maar daarover dan weer niets in de tentoonstelling. Wel mooie kostuums die laten zien hoe er van overheidswege een nationale klederdracht kon worden bedacht, met voorbeelden uit Noorwegen en Bhutan.

Naomi Harris, Corn Dog, Tulip Festival, Orange City, Iowa, uit de serie EUSA (2008-2015).
Naomi Harris, ‘Mexican’ Father and Son, Brezno, Czech Republic, uit de serie EUSA (2008-2015).

Belangrijk is ook een nationale vlag, en de vormgeving van munt- en papiergeld en postzegels zijn belangrijke hulpmiddelen om een eigen identiteit uit te dragen. Ook de euromunten hebben nog steeds een nationaal tintje, maar dat zie je – opnieuw – niet in deze tentoonstelling.

Wel is er aandacht voor groepen die buiten de boot zijn gevallen en zichzelf toch als volk of ‘natie’ blijven beschouwen. Maar ook daarbij is er redelijk veilig wel aandacht voor de Sami in het noorden van Scandinavië en voor Wales waar een succesvolle taalpolitiek is gevoerd, maar niet voor Tibetanen, Oeigoeren, Koerden, Palestijnen, Basken, Roma en Sinti en al die inheemse volkeren overal ter wereld die best wat meer erkenning en zelfstandigheid zouden willen hebben. Probeer maar eens op een Irokees (Six Nations of Haudenosaunee) paspoort de wereld over te reizen…

Fantasiestaten

En dan zijn er nog de fantasiestaten. Landen die niet bestaan, maar door hobbyisten in het leven zijn geroepen. Vaak met landkaart, vlag, taal, religie en een volkslied. Soms het werk van een eenling en soms met meerdere ‘ingezetenen’. Alleen een eigen taal kan natuurlijk ook, van Esperanto tot Klingon en de elfentalen van Tolkien. Voor veel mensen is dit spel, enkelingen draaien door en worden een eenpersoonskoninkrijk. Waarom ook niet, zou je zeggen. Maar de soevereinen die we tegenwoordig zien verdienen best dat er een hek omheen wordt gezet.

Schrijver en avonturier George John Dibbern (1889-1962) verklaarde zichzelf wereldburger en bevoer onder een eigen vlag en met een eigen paspoort de wereldzeeën. Foto > Peter Tijhuis

Toen ik deze expositie verliet, had ik het idee dat ik door een Wikipediapagina had gewandeld. Het is allemaal onderhoudend en niet verkeerd, maar wel nogal oppervlakkig en, zo lijkt het, doodsbang om ‘de bange blanke man’ in de spiegel te laten kijken. Nationalisme is eng en gevaarlijk en dat mag best worden benoemd.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *