Museum De Wieger toont hoe de moderne kunst in Noord-Brabant kwam

Telkens weet Museum De Wieger in Deurne interessante tentoonstellingen te maken over kunst in Nederland in de eerste helft van de twintigste eeuw. En vooral ook over hoe de moderne kunst naar Noord-Brabant kwam. Daarbij speelde Hendrik Wiegersma door zijn (inter)nationale contacten een belangrijke rol. Later werd die rol overgenomen door Kees Bol vanwege zijn docentschap aan de academie in Eindhoven.

door Irma van Bommel

Bij de tentoonstelling ‘Verwantschap in verf – Hendrik Wiegersma en de Bergense School’ zijn de contacten van schilder en huisarts Hendrik Wiegersma als uitgangspunt genomen. Geïnspireerd door de kunstenaars Otto van Rees, Piet en Matthieu Wiegman en Constant Permeke ontwikkelde Wiegerma (1891-1969) een eigen stijl. Een uitspraak van kunstcriticus Albert Plasschaert siert een van de wanden in de tentoonstelling: ‘Op basis van deze invloeden creëert hij een geheel eigen mix, voorzien van een vleugje Limburgse barok en een toets die doet denken aan de Spaanse schilders El Greco en Velazquez.’

Eerst als arts, later als kunstenaar

Interessant is hoe deze contacten tot stand kwamen en welke invloeden deze kunstenaars meebrachten. Otto van Rees woonde een aantal jaren in Deurne nadat hij jaren in Parijs had gewerkt. Via Van Rees kwam Wiegersma in contact met de in Parijs gevestigde Russische beeldhouwers Moissy Kogan en Ossip Zadkine en met de Zwitserse schrijver Charles-Albert Cingria. Eerst kwam Wiegersma bij Van Rees als arts en vanaf 1924 ook als kunstenaar. Kogan schijnt hem te hebben aangespoord om te gaan schilderen.

Piet Wiegman, harmonicaspeler. Collectie > De Wieger

Via Otto van Rees ontmoette hij dichter en criticus Jan Engelman en via hem kwam Wiegersma in contact met schrijvers en kunstenaars die werkten voor het tijdschrift De Gemeenschap. Zo ontmoette hij de glazenier Joep Nicolas, die afwisselend woonde in Roermond en Groet, niet ver van het schildersdorp Bergen. Via Nicolas kwam Wiegersma vervolgens in contact met de broers Piet en Matthieu Wiegman van de Bergense School. Wiegersma en Piet Wiegman raakten bevriend toen die laatste verhuisde naar Thorn. Jaren later vertelde Wiegersma: ‘Een der eerste kunstenaars die ik ontmoette en wiens werk mij werkelijk raakte, was de toentertijd in Thorn levende schilder Piet Wiegman. Door zijn werk en door zijn aanwezigheid opende zich voor mij een geheel nieuwe wereld.’ Later raakt Wiegersma ook bevriend met Matthieu Wiegman, die regelmatig in Frankrijk werkte.

Piet Wiegman, Thorn. Collectie > De Wieger, langdurige bruikleen Ger Fransen

Een verbindende schakel

De Franse schilder Henri Le Fauconnier had zich enkele jaren eerder in Nederland gevestigd, van 1914 tot 1920, en had contact met de schilders van de Bergense School. Zodoende vormde hij een verbindende schakel tussen het kubisme en expressionisme in Parijs en de Bergense School. Via kunstcriticus Albert Plasschaert raakte Wiegersma bevriend met Constant Permeke van de Latemse School in Vlaanderen.

Zo kwam hij in aanraking met het Vlaams expressionisme, wat op zijn beurt was beïnvloed door het Franse kubisme, het Italiaanse futurisme en het Duitse expressionisme van Die Brücke. Net als Permeke had ook Le Fauconnier contacten met kunstenaars van het Duits expressionisme. Hierdoor ontstond er via zowel Permeke als Le Fauconnier een gematigd expressionisme in Nederland.

Sluijters bracht kleur en licht

Met de komende tentoonstelling ‘Brabant Modern. In het spoor van Sluijters en andere vernieuwers’ gaan we wat verder terug in de tijd en wordt de focus gericht op de eerste modernisten met onder andere Jan Sluijters. Na inspiratie te hebben opgedaan in Parijs, verbleef Sluijters in 1909 korte tijd in het schildersdorp Heeze en experimenteerde daar met het luminisme (ook wel pointillisme). In 1911 reisde hij met Leo Gestel naar Parijs en maakte daar kennis met het kubisme. Sluijters verbleef in Heeze in een tijd dat de meeste schilders die daar in de zomermaanden kwamen nog werkten in de trant van de Haagse School. Sluijters bracht kleur en licht in zijn werken, maar het is de vraag wie van de andere schilders dat hebben gezien, want hij vertrok al gauw naar het schildersdorp Laren.

© Jan Sluijters, Opkomende bui bij Heeze, 1909. Collectie > Kunsthandel Dolf D. van Omme, Amsterdam, c/o Pictoright Amsterdam 2026

Feit is wel dat Jan Kruijsen, en vooral zijn zoon Antoon Kruysen (ze spellen hun achternaam niet hetzelfde), die daarna enige tijd in Heeze woonden en werkten een lichter kleurenpalet gingen toepassen. Terwijl Antoon Kruysen naar Frankrijk vertrok en daar een eigen kleurrijke expressionistische stijl ontwikkelde, vestigde Henriëtte Pessers zich jaren later in Heeze. Na een opleiding aan de kunstacademie in Brussel te hebben gevolgd, waar ze in de ban was geraakt van het Vlaams expressionisme, koos zij op een gegeven moment voor een meer naturalistische schilderstijl. Net als Jan Sluijters overigens. En dat gold voor wel meer modernisten. In hun jonge jaren experimenteerden zij met verschillende nieuwe, uit Parijs overgewaaide stijlen, maar keerden daarna terug naar een meer traditionele stijl van schilderen.

Henriëtte Pessers, Portret vrouw in Brussel, 1927. Collectie Jan Geerts. Foto > Peter Cox

Lessen in de avonduren

In de regio Eindhoven speelde Kees Bol (1916-2009) een belangrijke rol en het is goed dat in deze tentoonstelling aandacht aan hem wordt besteed. Bol, die zijn opleiding aan de kunstacademie in Den Haag had gevolgd, gaf vanaf de jaren vijftig in de avonduren lessen schilderkunst aan de Akademie voor Industriële Vormgeving in Eindhoven. Daarmee bracht hij een nieuwe generatie schilders in contact met de moderne schilderkunst.

Jan Kruijsen, Hortensia’s, ca. 1925. Collectie Jan Geerts. Foto > Peter Cox
Antoon Kruysen, Heimwee naar Brabant, 1947. Foto > Peter Cox

Veel werken in de expositie ‘Brabant Modern’ komen uit de verzameling van Jan Geerts. Bij deze tentoonstelling verschijnt een publicatie van zijn hand. Hoewel ‘Brabant Modern’ ook werk laat zien van Hendrik Wiegersma, is niet bekend of hij contact had met de andere kunstenaars van wie werk wordt getoond.

Eerder besteedden het Peter van den Braken Centrum in Sterksel en Museum Kempenland in Eindhoven aandacht aan de kunstenaars van Heeze en ook van Eindhoven en omgeving die door de lessen van Kees Bol vernieuwing brachten. Maar het kleine museum in Sterksel sloot in coronatijd zijn deuren en de collectie ging in de verkoop. En Museum Kempenland (later Eindhoven Museum) wacht sinds de fusie met het Prehistorische Dorp op een doorstart in de vorm van Museumpark Vonk. Ondertussen is een deel van de collectie afgestoten, ook veel schilderkunst. Ik ben benieuwd welke verhalen dit nieuwe museum wil vertellen en hoe het dat gaat laten zien.

‘Verwantschap in verf’, tot en met 10 mei 2026 in Museum De Wieger in Deurne.

‘Brabant Modern. In het spoor van Sluijters en andere vernieuwers’, 16 mei tot en met 29 november 2026 in De Wieger in Deurne.

Beeld voorpagina: Antoon Kruysen, Bospad, Olieverf op doek, 1919. Foto > Peter Cox

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *