poëzie door Herman Schaap •
Metamorfose
De wei is lang, aan alle zijden bomen,
vergelend al, nog van de zomer dromend.
Een hert, zojuist de schaduw uitgekomen,
heft het gewei, waarna het verder gaat,
dan grazend inhoudt. Bij het prikkeldraad
staan wij tot aan de schemering te kijken.
Na al die tijd denk ik weer aan de heide.
Ooit renden daar de herten langs de rand.
Zorgvuldig stonden wij daar uit de wind,
die vroege ochtend. Ik was nog een kind,
verwachtingsvol bij vader aan de hand.
Maar sinds dit bijna uitgeveegd verleden
nam ik soms tussen slaap en dag een schicht waar,
alsof er tussen stammen door gegleden
een dier verscheen, nog een seconde zichtbaar.
De tijd ging springerig hieraan voorbij.
En als iets schimmigs zich manifesteerde
leek mij het beter dat ik het negeerde.
Maar dan, als ik opeens een groot gewei
in een café boven de schouw zie hangen,
loop ik de schemervelden in, verlangend.
Zou er iets zijn wat naar een verte leidt,
een bosbeek die zich tot een ven verwijdt,
een horizon van vuur als afscheidsgroet?
Of wijst dat dier mij hoe ik verder moet,
die schaduw midden op een kruisend pad?
Er schuilt iets in mij dat zich stil vertwijgt,
naar buiten dringend langzaam vorm verkrijgt,
zich steeds vertakkend, volgens mij omdat
het lijnen die ik almaar volg omvat.
Het avondrood zegt dat we moeten gaan.
We lopen bij het prikkeldraad vandaan
en doen, nog stil, in huis de lampen aan.

Horloge
De tijd drukt op de kromme daken.
De huizen staan hier al zo lang,
de toren houdt ze in bedwang,
hun zinken goten bijna rakend.
Met moeite slaat de klok de uren.
Een duif vliegt op, er trilt een ruit.
Dan kaatst een knal tegen de muren:
een motor scheurt de dorpsstraat uit.
De koffie op het leeg terras
roert stroef, als in de tijd bevroren.
Het lijkt of ik hier eerder was.
Ik pak mijn jas, ga er vandoor.
Maar als je stilstaat op het plein,
kijkend naar de wijzerplaat,
zou er een ruimte kunnen zijn
die tussen wijzers open gaat.
De wijzers als een poort,
die kantelt door de jaren heen.
Het duizelt je maar je kijkt door
naar iets wat lang al was verdwenen.
Verleden, weg, geweest, voorbij.
Toch zie ik ons toen in de stad.
Lantaarns gaan aan, je lacht naar mij,
ik schop gevallen blad opzij.
Nu loop je naast mij naar het dal,
waar het kerkje net nog zichtbaar is.
Het zonlicht glinstert op de torenspits
en op je haar, dat van je schouder valt.
Een hart tikt door, als een horloge,
het slaat intussen op de vlucht,
het liefste nog naar jaren terug,
een prille plek om te verpozen.
Voor nu heb ik genoeg gezien,
tijd voor het einde van mijn tocht.
Ik heb gevonden wat ik zocht
en tijd gewonnen bovendien.
Uitzicht op gracht
Je hebt er al zo lang niet aan gedacht
en dan opeens dient het zich aan.
Na al die jaren zie ik haar weer staan,
de kleren die ze droeg, het moede licht
dat rustte op de daken langs de gracht.
De meeuwen overschreeuwden het verkeer.
Die tevergeefse uren bij ons raam,
met vaag de spiegeling van haar gezicht.
Zoveel te zeggen maar ik wist niets meer,
wat niet gezegd werd, kreeg steeds meer gewicht.
Na al die jaren zie ik haar weer staan,
die middag, zonder woorden bij het raam.
Herman Schaap (Wageningen 1949) was tot 2012 leraar Nederlands in Breda en promoveerde intussen op werk van Henriette Roland Holst. Poëzie van hem verscheen onder meer in Hollands Maandblad. Zijn gedichten zoeken een vaste vorm voor een intrigerende moderniteit. Zie ook: https://hsheep.wordpress.com
Meer poëzie op Brabant Cultureel > klik hier
© Brabant Cultureel 2026
