In ‘Een schilderend leven’ maakt de Bredase beeldend kunstenaar Frans van Veen de balans op van een halve eeuw kunstenaarschap. Daarbij put hij niet alleen uit zijn geheugen, maar ook uit zijn dagboek- en brieffragmenten. Van Veen: ‘Het is slechts terugkijkend dat je de begane weg ziet en verbanden gaat begrijpen.’
door Corien Ligtenberg • beeld > Frans van Veen (tenzij anders vermeld)
‘Een autobiografie in krijt en verf, 1950-heden’ luidt de ondertitel van Een schilderend leven. In het boek kijkt Frans van Veen (Voorburg 1950) terug op en onderzoekt hij de ontwikkeling van zijn kunstenaarschap. Dat begint bij de bron, het ‘gelukkig zijn in de natuur’. Dat beleefde hij als kind als zijn vader hem op zondag vanuit het ouderlijk huis in Roermond met de fiets meenam naar de hei om bramen te plukken, hazelnoten te zoeken, door het zand van zandafgravingen te rollen.


Van Veen houdt van buiten zijn, in de vrije natuur. Daar maakt hij de pastelkrijtschetsen die de basis vormen van zijn schilderijen die in het atelier ontstaan. Als puber al zwierf hij na de lessen langs de Maas, maakte er foto’s, tekende en schilderde. Na de middelbare school besloot hij het erop te wagen: hij ging naar de kunstacademie. Van Veen begon in 1969 aan Academie Sint Joost in Breda, waar hij in eerste instantie koos voor fotografie, maar na een jaar toch voor schilderen ging. In 1972 stapte hij, op zoek naar een vrijere werksfeer, over naar de Koninklijke Academie voor Kunst en Vormgeving in Den Bosch, waar hij drie jaar later afstudeerde met een reeks realistische schilderijen.
Geïnspireerd door Newman en Hockney
In die jaren liet hij zich inspireren door kunstenaars als Barnett Newman en David Hockney. In het hoofdstuk ‘Het Kijken en daarover willen verhalen in verf’ schrijft hij: ‘Aanvankelijk wilde ik schilderend vertellen over kleine visuele voorvallen die mij fascineerden. Licht en kleur waren daarbij altijd heel belangrijk.’

In 1976 betrok hij zijn atelier in Princenhage, waar hij nu nog steeds werkt. Het ligt verscholen in een fraaie tuin, de voormalige tuin van een oom van Vincent van Gogh, oom Cent. In 1978 kreeg Van Veen voor het eerst de gelegenheid om drie maanden te werken in het atelier van het Kröller-Müller Museum, Maison Jaune te Murs, Frankrijk. Daarheen zou hij nog vier keer terugkeren.

Koningin Juliana woont de uitreiking van de Koninklijke Subsidie voor Vrije Schilderkunst bij. Van links naar rechts: Peter Thijs, Albert Verkade, John van ’t Slot, Koningin Juliana, Frans van Veen, Gerard Hendriks, M. van Wingerden, 26 april 1977. Foto > Anefo / Wikipedia
In 1976 en 1978 kreeg Van Veen de bronzen medaille Europaprijs voor Schilderkunst van de stad Oostende. Hij ontving in 1977 ontving uit handen van toenmalig koningin Juliana de Koninklijke Subsidie voor Vrije Schilderkunst. In 2000 nam hij deel aan de Biënnale van Buenos Aires, in 2008 aan de tentoonstelling Dutch Landscapes in Kemerovo, Siberië. Naast het exposeren in diverse galerieën, organiseerde hij ook zelf tal van tentoonstellingen van zijn werk.
Bedachtzaam realistische schilderijen
De opzet van het boek is chronologisch in vijf delen: de jonge jaren – ‘de aanvankelijk realistische periode’; de ‘Franse’ periode, waarin de bedachtzame realistische schilderijen en de meer emotionele pastelkrijttekeningen naast elkaar bestaan en elkaar steeds meer gaan beïnvloeden; de periode daarna, waarin die beïnvloeding zich doorzet en Van Veen zijn eigen schildertaal vindt; de periode van 1996 tot 2016, ‘waarin ik mijn horizon verbreed’; en de periode van 2020 tot 2025, waarin hij meer vrijheid neemt, experimenteert met kleurgebruik en steeds abstraherender gaat werken.
In 2020, tijdens het begin van de coronaperiode, werkte Van Veen twee maanden als artist-in-residence in het atelier van het Vincent van Goghhuis in Zundert. Hij verdiepte zich in de discussie tussen Van Gogh en Gauguin over het werken naar aanleiding van waarneming of vanuit het idee, de fantasie. Van Veen: ‘Dat thema fascineert me al heel mijn schilderend leven, omdat ik mij ervan bewust ben dat ik geen fantasie heb en waarneming nodig heb om tot een schilderij te komen.’
In een brief uit oktober 2021 schrijft hij: ‘In al die jaren schilderen is het waarnemen in de natuur de basis van mijn werk gebleven. Na een lange weg laat ik nu steeds meer het spelen toe. Niet alleen kijken naar de natuur en me daar telkens door laten verwonderen, of betoveren zelfs, maar nu ook steeds meer kijken naar de verf zelf. Het is alsof dat spel met de kleur, met de materie steeds meer mijn onderwerp wordt.’
Geraakt door Mont Sainte-Victoire
Gedurende de coronaperiode zoekt hij geregeld de afzondering van de duinen op. Als er weer mag worden gereisd trekt hij naar Frankrijk en wordt geraakt door Mont Sainte-Victoire, inspiratiebron van de impressionist Paul Cézanne. Uit Van Veens dagboek, mei 2023: ‘Plan broeit om me de komende twee jaar helemaal te concentreren op het Victoire-thema…’
Een schilderend leven eindigt met waar Van Veen nu staat. ‘Het is klaar! Ik heb nu zoveel nagedacht en geschreven om mijzelf te leren kennen. Om te begrijpen wat mij voortdrijft in deze verfstroom’ schrijft hij in handgeschreven woorden in het nawoord van het boek. ‘De woorden raken uitgesproken, de kleuren zwijgen nooit. Nu alleen nog maar schilderen.’ Dat laatste verklaart misschien ook dat er eigenlijk weinig persoonlijks staat in het boek – toch een autobiografie – dat niet direct of indirect met Van Veens kunstenaarschap te maken heeft. Schilderen, lijkt de voorzichtige conclusie, is zijn leven.
Frans van Veen, Een schilderend leven. Een autobiografie in krijt en verf, 1950-heden. Breda 2026, 256 pp., ISBN 9-789090-414874, hb. Uitgegeven in eigen beheer.
Het boek kost € 40, indien verstuurd met extra € 6 verzendkosten. Bestellen > fransvanveen0905@gmail.com. Verder in Breda te koop bij: Vrije Boekhandel, Boekhandel Hollaers, Deva Kunstbenodigdheden en Stedelijk Museum Breda.

Meer over beeldende kunst op Brabant Cultureel
Beeld voorpagina > Frans van Veen, Sainte-Victoire, pastel, 50 x 65 cm.
© Brabant Cultureel 2026






