column door JACE van de Ven •
We hadden het erover dat onze (mijn) cultuur eraan gaat. Nogal een onstuimige opmerking zo zij niet nader uitgelegd wordt. Het is dan ook meer een gevoel dan een rationele conclusie. Maar laat ik dat gevoel verder proberen te omschrijven. Met ‘onze cultuur’ bedoel ik de cultuur van mensen die in hun jeugd nog onderwijs hebben genoten zonder computers, die nog op een typemachine hun brieven hebben getikt en het heel normaal vonden om maar één keer per week te douchen. Als er al een douche in huis was. Maar, soit, het gaat hier niet om wat er allemaal verdwenen is, maar wat ervoor in de plaats komt. En of die vernieuwingen – ongetwijfeld vaak verbeteringen – wel opgenomen kunnen worden door hen in wie oude tijden nog leven. Want wie zijn leven volop geleefd heeft en zich de tijden die hij meemaakte heeft eigen gemaakt, die kan niet zomaar afleggen wat geweest is. De tijden zitten ín hem en hij draagt hen overal en altijd met zich mee, ook als hij heel bewust en met het idee dat dit het beste voor hem is, een nieuwe tijd wil binnenstappen.
Ik vertelde de vorige keer dat ik altijd zo’n vijftig jaar achtergelopen heb op de culturele ontwikkelingen. Sinds mijn jeugd al. En dat is nooit veranderd. Toen wij in 1985 hier in Tilburg de Tilburgse Revue, die decennia eerder had bestaan onder de naam Korvelse Revue, nieuw leven inbliezen, kwamen daar nauwelijks jongeren op af. Ons initiatief hield ongeveer dertig jaar stand met op zijn hoogtepunt meer dan vijftienduizend toeschouwers per aflevering, maar die toeschouwers waren voor meer dan negentig procent ouder dan vijftig. En waar wij, makers, allerlei pogingen deden om jonge stadgenoten van alle kleuren en gezindten bij het initiatief te betrekken, lukte dat alleen bij tienermeisjes die onze revue als een opstapje zagen om musicalster te worden.

Op kunstuitingen – theater, concerten, exposities of wat dan ook – die ik bezoek, zie ik zo goed als geen jongeren, ook als het eigentijdse cultuuruitingen betreft. Hoe komt dat toch? Het is niet omdat jongeren niet door kunst geraakt zouden worden, want dat is eigen aan de mens. Ik ervoer dat afgelopen week nog toen ik naar een optreden ging kijken van de tweedejaarsstudenten van de Fontys Circus Opleiding. De meeste van hun acts waren gebaseerd op acrobatiek, maar allemaal hadden ze naast het fysieke ook iets poëtisch in zich, iets mimisch, iets dansant – het innerlijk weerspiegelde in het uiterlijk. Het was geen ‘kijk mij nou eens’, maar ‘kijk nou eens ín mij’. Ik ging met een geluksgevoel naar huis. Nee, de kunst sterft nooit, dacht ik, maar hoe komt het dat jongeren nog nauwelijks geïnteresseerd zijn in hoe mijn generatie kunst beleeft?
Hoe komt het dat ik nooit jongeren zie bij exposities, concerten, in het theater of wat dan ook?
Kennelijk spreekt de manier waarop mijn generatie kunst maakt jongeren niet aan. Mogelijk zijn zij door een opvoeding met de computer anders gevormd dan wij, niet door de computer gemodelleerden. Maar hoe? Is de uitvinding van de computer, waardoor de toegang tot een virtuele wereld mogelijk werd, net zo’n grote scheiding in de aanpak van ons doen en laten als eens de uitvinding van het wiel dat was? Misschien moeten we de geschiedenis indelen in andere tijdvakken. Geen prehistorie, oudheid, middeleeuwen et cetera, maar natuurlijke tijd, mechanische tijd, virtuele tijd. Misschien ben ik en is een groot deel van mijn generatie een vergrijsd restant uit de mechanische tijd, of zijn we een overgangsgeneratie die wel aan de computer geroken heeft, maar die de werking ervan nog niet volledig snapt, zoals er tussen de natuurlijke en de mechanische tijd ook een generatie moet zijn geweest die zware gewichten op rollende boomstammen verplaatste, maar nog geen kennis had van het wiel.
Al deze nog niet afgeronde gedachten kwamen bij mij op toen tijdens de laatste redactievergadering van Brabant Cultureel twee heel belangrijke redacteuren meedeelden van plan te zijn om over ongeveer een jaar te stoppen met hun hand- en spandiensten voor www.brabantcultureel.nl. Ik kan me hun voornemen heel goed voorstellen, want ze steken heel veel tijd in onze site en dat allemaal gratis. Niemand van ons wordt betaald. Geld is overigens niet de reden om ermee op te houden, maar het gegeven dat je tijd maar één keer kunt gebruiken en zij zelf of het thuisfront ook wel eens iets anders willen dan cultureel nieuws bij elkaar harken voor een digitaal magazine. Wie gaat hen opvolgen, dacht ik onmiddellijk, en wie heeft de kennis en de kunde om dat te doen?
Is dit de doodsteek voor Brabant Cultureel?
Het afscheid van twee belangrijke medewerkers kan wel eens de doodsteek blijken te zijn voor Brabant Cultureel. Op een enkele uitzondering na zijn al onze medewerkers boven de vijfenzestig jaar oud. De laatste jaren zijn er al enkelen weggevallen door overlijden en ondanks daartoe gepleegde inspanningen komen er geen jongeren bij. Niet omdat ons magazine dood zou zijn. Dat niet. De site wordt jaarlijks door meer dan tweehonderdduizend cultuurgeïnteresseerden bezocht en we oogsten veel lof, alleen al omdat andere media in Noord-Brabant hoegenaamd niks meer doen aan cultuurbeschouwing.
Maar het einde lijkt in zicht, omdat onze cultuur eraan gaat. Wie doet er bijvoorbeeld nog iets voor niks? Beter: wie kan er nog iets voor niks doen? De overheid accepteert het niet en de maatschappij verklaart je voor gek. Maar wie weet, misschien huist er ergens in Brabant toch iemand met zin voor cultuur en de bagage om erover te schrijven. Desnoods aanvankelijk met wat hulp. Het zou mooi zijn als Brabant Cultureel, het oudste en enige compleet onafhankelijke kunstmagazine van Noord-Brabant, kan blijven bestaan. Al was het maar omdat de cultuur waartoe ik behoor de wereld nog steeds iets heeft te vertellen. Toen eenmaal het wiel was uitgevonden, bleven er ook mensen te voet gaan. Wat er ook gebeurt, te voet gaan kan altijd. En wat je allemaal ziet als je te voet over de wereld gaat! En hoeveel tijd je hebt om de zaken in je op te nemen, te wikken en te wegen. En de innerlijke voldoening die dat geeft!
Misschien moet Brabant Cultureel toch maar blijven bestaan, en onze (mijn) cultuur ook.
Eerdere columns van JACE van de Ven op Brabant Cultureel
© Brabant Cultureel 2026

Aforisme van J.C. Bloem: Iedere verandering is een verslechtering, zelfs een verbetering.