Ton Gloudemans, afkomstig uit Oss en woonachtig in Amsterdam, schreef een boek over de ontwikkeling van de animatiefilm in Nederland: ‘Animation in the Netherlands’. Een must voor wie is betrokken bij de wereld van de animatiefilm. En niet alleen geschreven voor professionals, maar ook toegankelijk voor geïnteresseerden zonder voorkennis. Nooit eerder verscheen zo’n veelomvattend overzicht over dit onderwerp.
door Henk Naaijkens
In de geschiedenis van de Nederlandse animatiefilm speelde Het Nederlands Instituut voor Animatiefilm (NIAf) een belangrijke rol. Het NIAf werd in 1993 opgericht in Tilburg en speelt in het boek Animation in the Netherlands van Ton Gloudemans een prominente rol. Het boek verscheen in een internationale serie over animatiefilms en is uitgegeven in Amerika.

“Ondanks dat de animatiefilm in Nederland al meer dan honderd jaar bestaat, heeft dit type film hier nooit een grote populariteit genoten”, zegt auteur Gloudemans. “Dat is jammer, want over het algemeen is de Nederlandse animatiefilm internationaal gezien de meest succesvolle filmvorm die Nederland heeft. Als je ziet hoeveel prijzen Nederlandse animatiefilms winnen op internationale filmfestivals… Ze hebben een hoge kwaliteit die internationaal erkend wordt. Maar het is voor animatiefilms altijd heel lastig om een publiek te vinden.”
Nauwelijks animatiefilms op tv
“In de jaren zestig en zeventig zag je in de bioscopen nog wel eens een korte animatiefilm in het voorprogramma, tegenwoordig nog maar zelden. Ook op tv kom je nauwelijks animatiefilms tegen. Ze passen niet in de horizontale programmering en er worden vooral veel goedkope series aangekocht. Netflix doet nog wel het een en ander, maar de Nederlandse filmmakers zijn daar nog niet doorgedrongen. Het is heel erg lastig om voor animatiefilms goede distributiekanalen te vinden.”
Ton Gloudemans houdt zich al veertig jaar bezig met animatie. Tijdens zijn studie Theater, film- en tv-wetenschappen medio jaren tachtig bezocht hij veel Nederlandse en internationale filmfestivals. Daar raakte hij onder de indruk van de bijzondere kwaliteiten van de animatiefilms. Hij ontdekte dat ze in het filmonderzoek nauwelijks aandacht kregen en besloot er zijn afstudeerscriptie aan te wijden.

Vanaf dat moment raakte hij in de ban van de animatiefilm en werd het een rode draad in zijn leven. Toen hij enkele jaren geleden door de Duitse filmonderzoeker Rolf Giesen werd benaderd met de vraag of hij een uitgave wilde verzorgen over de Nederlandse animatiefilm in een Europese serie over animatie, hoefde hij daar niet lang over na te denken. “Dat wilde ik erg graag doen, want het was voor mij een samenvatting van de knowhow die ik de afgelopen tientallen jaren verzameld had. Bovendien zijn er weinig mensen die zich in het genre verdiepen en als ik het niet doe, wie dan wel?”
Ton Gloudemans kreeg de vrije hand
De boekenserie over animatiefilm is een internationaal project en Ton Gloudemans kreeg de vrije hand om zelf invulling te geven aan het boek over Nederland. Hij besloot tot een indeling in drie categorieën. In het eerste hoofdstuk wordt de filmgeschiedenis vanaf het begin van de Nederlandse animatiefilm omstreeks 1920 tot nu toe behandeld. Daarin besteedt hij veel aandacht aan de sociaal-culturele ontwikkelingen die ook in de films reflecteren, zoals de crisis in de jaren twintig, de opkomst van het fascisme, de bezetting, de wederopbouw en de protestgeneratie in de jaren zestig.
Het tweede hoofdstuk gaat over alles wat zich achter de schermen afspeelt: productioneel, de financiering, de cultuurpolitiek van de overheid, de opkomst van de festivals voor animatiefilms en de invloed van de tv. Het derde hoofdstuk bevat portretten van animatiefilmmakers die een eigen oeuvre ontwikkeld hebben, zoals Maarten Toonder, Harrie Geelen en Dudok de Wit die met ‘Father and Daughter’ een groot publiek wist te bereiken.
Een commerciële filmvorm
Tot de jaren zeventig was de animatiefilm voornamelijk een commerciële filmvorm met veel reclame- en bedrijfsfilms. Maar begin jaren zeventig gingen veel filmmakers met een beeldende kunst achtergrond zich bezighouden met animatie. Het gevolg was dat er veel artistieke films werden gemaakt met een politiek-maatschappelijke insteek. In de jaren negentig ontstond er een kentering met de opkomst van de computeranimatie, die weer nieuwe mogelijkheden bood. Met AI staat de ontwikkeling van de animatiefilm nu op een kantelpunt.
Het boek beperkt zich niet tot een historisch overzicht, maar bevat ook diverse interessante anekdotes. Tijdens de Tweede Wereldoorlog investeerde de Duitse propagandamachine erg veel in films, waaronder animatiefilms. Het is bekend dat zowel Josef Goebbels, de minister van propaganda, als Hitler beiden grote liefhebbers van animatiefilms waren. In 1942 gaf Goebbels met Kerstmis tien Mickey Mouse films cadeau aan Hitler, terwijl Goebbels Disney nota bene – om Amerikaanse invloeden buiten de deur te houden – verboden had in Duitsland!
Het NIAf gevestigd in Tilburg
In de oorlogsjaren werd in Den Haag een nieuwe animatiefilmstudio opgezet onder de naam ‘Nederland Film’, waar de ronduit antisemitische film ‘Van den vos Reynaerde’ werd geproduceerd. Marten Toonder slaagde er in om in Amsterdam een studio op te richten en hij maakte in opdracht van de Duitse firma Degeto onder meer een Tom Poes-film. Om misverstanden te voorkomen: Toonder hield zich niet bezig met Duitse propaganda, maar gaf zelf invulling aan zijn films.

In 1993 werd in Tilburg Het Nederlands Instituut voor Animatiefilm (NIAf) opgericht. Het instituut kwam voort uit de Stichting Animated People (STAP) die zich vooral bezighield met de distributie van korte animatiefilms. Waarom het NIAf in Tilburg werd gevestigd, is niet helemaal duidelijk. Een reden kan zijn geweest dat Tilburg zich op de culturele kaart wilde zetten met een instituut met landelijke uitstraling. De Akademie voor Beeldende Vorming begon in hetzelfde jaar een afstudeerrichting animatie die nauw met het instituut zou gaan samenwerken. Directeur Ton Crone (1948-2025) noemde Tilburg met een knipoog ‘de meest centrale plek tussen Amsterdam, Keulen en Parijs’. Volgens hem lag de oorsprong van de Nederlandse animatiefilm in Noord-Brabant, omdat Philips al vóór de oorlog de eerste Nederlandse animatiestudio inrichtte om promotiefilms te maken.
Artist-in-Residence
Het NIAf had een landelijke functie en richtte zich op een omvangrijk takenpakket: distributie, educatie, promotie, onderzoek, productie en collectievorming. Het instituut trok ook deelnemers en filmmakers/docenten aan uit het buitenland. Middelpunt was de werkplaats, waar het ‘Artist-in-Residence’-programma voor animatiefilmers werd uitgevoerd. Door de ligging en deels vanwege lokale geldstromen lag de nadruk bij educatieve activiteiten op Noord-Brabant. Belangrijkste financier was de landelijke overheid.
Tegelijk werd het NIAf voortdurend geconfronteerd met financiële problemen. In de kunstbegroting 1993-1997 werd van de gevraagde startsubsidie van 800.000 gulden (740.000 euro) slechts 1,3 miljoen gulden toegekend voor een periode van vier jaar. Daarnaast verstrekte de gemeente Tilburg een subsidie van 40.000 gulden (bijna 37.000 euro). In totaal werd daarmee minder dan de helft van het ingediende plan gefinancierd. Directeur Ton Crone zag zich genoodzaakt de ambities van het NIAf hierop af te stemmen.
Een onverwachte wending
Het NIAf ging officieel van start in de Willem II-straat en betrok enkele jaren later een klassiek, vrijstaand pand aan de Sint-Josephstraat in Tilburg.

De ceremoniële opening door minister Hedy d’Ancona kreeg een onverwachte wending door een reportage van het NOS Journaal. Daarin werden fragmenten vertoond van de succesvolle animatiefilm ‘Pas à Deux’ van Gerrit van Dijk en Monique Renault, met onder meer een dansende paus Johannes Paulus II en Jezus Christus met een doornenkroon.
Bekijk de animatiefilm > https://player.eyefilm.nl/en/films/pas-a-deux
Het toenmalige Kamerlid Eimert van Middelkoop van het Gereformeerd Politiek Verbond voelde zich door deze beelden beledigd en bestempelde de film als godslasterlijk. Hij drong er bij de minister van Cultuur op aan de toekenning van de rijkssubsidie aan het zojuist geopende instituut te heroverwegen. Het was uitzonderlijk dat een animatiefilm zoveel parlementaire ophef veroorzaakte, en nog opmerkelijker dat een gereformeerd politicus het opnam voor de paus. De bezwaren van Van Middelkoop maakten echter weinig indruk op de minister. Zij wees erop dat het NOS Journaal de fragmenten had uitgezonden en dat de betreffende film niet door het NIAf was geproduceerd.


Educatieve programma’s
Ondanks deze bezwaren kon het NIAf van start zoals gepland. De belangrijkste taak was het organiseren van workshops waarin beginnende animatiefilmers zich onder begeleiding van ervaren en bekroonde filmmakers professioneel konden ontwikkelen. In de periode 1993-2013 begeleidde het NIAf vijftig deelnemers en produceerde het vijfendertig animatiefilms. Voor veel deelnemers betekende dit het begin van een vruchtbare animatiecarrière. In deze jaren waren meer dan honderd animatieprofessionals nationaal en internationaal actief. Het NIAf fungeerde daarmee als een brede voedingsbodem voor nieuw en bestaand talent. Opmerkelijk is dat in deze periode ook kunstopleidingen animatie als specialisatie gingen aanbieden, wat leidde tot een sterke toename van het aantal studenten. Het NIAf speelde zo een belangrijke rol in de geleidelijke ontwikkeling van een infrastructuur voor animatie, waardoor jonge makers zich konden specialiseren in hun toekomstige beroep.
Naast de workshops was het NIAf actief in de promotie van de Nederlandse animatiefilm. Het instituut leverde bijdragen aan academisch onderzoek en ondersteunde diverse publicaties. Ook ontwikkelde het educatieve programma’s voor het primair en voortgezet onderwijs. Daarnaast participeerde het in tentoonstellingen in onder meer Het Noordbrabants Museum in ’s-Hertogenbosch.
NIAf in zwaar weer
Als gevolg van veranderende politieke omstandigheden belandde het NIAf rond 2010 in zwaar weer. Een rapport van de Berenschot Groep concludeerde dat Nederland internationaal een geïsoleerde positie innam op het gebied van animatie. Er zou meer internationale samenwerking moeten komen, met andere disciplines en met een grotere focus op lange animatiefilms. In de aanbevelingen werd het NIAf niet genoemd. Het rapport pleitte voor een sectorinstituut voor film dat ook de animatiesector zou bedienen en daarmee de taken van het NIAf zou kunnen overnemen. Bovendien werd in de nasleep van de kredietcrisis disproportioneel bezuinigd op het kunstbudget.
In deze omstandigheden was het NIAf een kwetsbare organisatie. In de culturele planperiode 2013-2016 kon het geen aanspraak meer maken op subsidies voor sectorale taken en talentontwikkeling en werd het gedwongen financiering te zoeken op de vrije markt. Dat bleek in een periode van ingrijpende bezuinigingen een onmogelijke opgave. Daarom besloot het instituut in 2011, ondanks een recordaantal aanvragen, zijn werkplaatsactiviteiten te beëindigen. Toen ook de gemeente Tilburg haar subsidie introk, was het lot van het NIAf bezegeld en in 2013 sloot het definitief zijn deuren. Daarmee kwam een einde aan een instituut dat nooit over voldoende structurele middelen beschikte en mogelijk te sterk had ingezet op workshops als kernactiviteit.
Nieuw filminstituut Eye
Intussen werd in Amsterdam in 2010 onder de naam Eye (Eye Film Institute Netherlands) een nieuw filminstituut opgericht waarin vier filmorganisaties werden samengebracht. Deze instelling nam de taken over die voorheen door het NIAf werden uitgevoerd en integreerde ze in een breder sectoraal aanbod. De NIAf-collectie, bestaande uit tweehonderd animatiefilms, documentatiemateriaal en foto’s, werd daarin ondergebracht. De omvangrijke boekencollectie over de kunst van de animatiefilm vond een plaats in de universiteitsbibliotheken van Groningen en Utrecht.
Met het verdwijnen van het NIAf kwam ook een einde aan het ‘Artist-in-Residence’-programma voor animatiefilmers. Positief is dat Avans Hogeschool in 2010 een eenjarige Master of Animation startte die studenten de mogelijkheid bood zich verder te professionaliseren in animatie.
“Hoe de animatiefilm zich in de toekomst gaat ontwikkelen is moeilijk te voorspellen”, zegt Ton Gloudemans. “Met name omdat de hele mediawereld in beweging is. De streamingsdiensten zoals Netflix en Amazon zijn machtig geworden en de publieke omroep staat onder druk en is aan het vechten om een relevante rol te blijven spelen. In de bioscoopwereld maken de grote productie- en distributiemaatschappijen de dienst uit. We moeten ons realiseren dat onze audiovisuele cultuur bepaald wordt door de macht van het geld. Ik denk dat het enorm belangrijk is dat het cultuurbeleid van de overheid zich hier rekenschap van geeft. We moeten ervoor zorgen dat onze eigen verbeelders kansen krijgen om een publiek te vinden.”
Ton Gloudemans, Animation in the Netherlands. Perspectives on the history, culture and art of Dutch animated film. Boca Raton (Florida): CRC Press 2026, 284 pp., ISBN 9781032579405, hb., US$ 115,99. Alleen in April > 84 euro
Animatie voorpagina > paar beeldjes uit Shipwrecked van Frodo Kuipers. Lees hier meer over Frodo Kuipers
Bekijk meer NIAf-producties op het YouTube kanaal van het NIAf
Bekijk meer Nederlandse animatiefilms bij Eye
Meer over animatiefilms op Brabant Cultureel
© Brabant Cultureel 2026
