Onze (mijn) cultuur gaat eraan (1)

column door JACE van de Ven

Onze (mijn) cultuur gaat eraan, dat besef ik de laatste tijd steeds vaker. Misschien is het binnenkort wel afgelopen met Homeros, Dante en Shakespeare, met Alexandros van Antiochia, Michelangelo en Rodin, met Bach, Beethoven en Strawinsky, met Senmoet, Filippo Brunelleschi en Le Corbusier. Wilt u nog meer klinkende namen? Ik zou ze u kunnen leveren, maar waarom? Ook zij zullen waarschijnlijk in de vergetelheid verdwijnen. Overal. Zelfs hier in Brabant, waar we gewend zijn een beetje achter te lopen. Dankjewel Jeroen Bosch, Vincent van Gogh, Antoon Coolen of wie dan ook. Vous êtes passé, we gaan nieuwe tijden tegemoet.

Dat wil niet zeggen dat er niet een enkeling van jullie navolgers zal blijven bestaan, maar ze zullen geen rol van betekenis meer spelen. Vergelijk het met de Mohikanen. Uncas was volgens de Amerikaanse schrijver James Fenimore Cooper de laatste, hij laat hem sterven aan het eind van zijn boek The Last of the Mohicans (1826). En hij heeft gelijk, Uncas was de laatste. Nakomers van de Mohikanen die nu nog in leven zijn, brengen de Mohikaanse cultuur niet meer in praktijk. Ze zouden niet kunnen, want een andere cultuur heeft hen opgeslokt.

Zo gaat het momenteel ook met ons. U kunt het misschien wel, maar misschien ben ik niet slim genoeg om tegen de verschuivingen van de tijd ín mijn eigen cultuur nog in praktijk te brengen. En dan bedoel ik niet in de lijdensweek naar de Mattheüs Passie gaan. Dat kan nog best, ook als is de popversie van het fenomeen, The Passion, meer in tel. Je wordt er op televisie al dagen mee doodgegooid. En terecht uiteraard. Hij is sneller, luidruchtiger en zonder dat er iets van beklijft. Want dat iets blijvend indruk maakt, dat zit de wendbaarheid van je brein teveel in de weg tegenwoordig. Stop het niet vol met zwaar materieel uit vroeger jaren, want er moet constant plaats zijn voor vernieuwing. En trouwens, die Mattheüs, staat die wel in de top duizend aller tijden?

Ik krijg geen ander idee in mijn kop dan dit: de tijd is mij ontgroeid.

Ik trakteer u op deze warrige opmerkingen, omdat ik de laatste dagen geen ander idee in mijn kop krijg, dan dit: de tijd is mij ontgroeid. Alles wordt steeds virtueler en ik blijf met mijn meer dan honderdtien kilogram vaste en weke delen in het Brabants klapzand staan. Gewoon in het echt. ’s Winters striemt soms een hagelbui mijn platte kop, ’s zomers verbrandt de zon steevast mijn vel. En ik betrap me erop dat ik steeds vaker vertel hoe de mensen vroeger in Brabant leefden. Niet uit nostalgie, maar om mijn verwondering over hoe anders alles tegenwoordig gaat een uitweg te bieden.

Hoewel uit de tijd en uit de mode, heb ik een computer, maar daarmee kan ik niet meer dan er een verhaaltje op tikken en dat doorsturen naar iemand. That’s it. En intussen raast de ontwikkeling door. I A, of is het A I? Ik heb er alleen maar van gehoord. Het zal mijn tijd wel uitduren, is mijn slap verweer. Ik weet dat het weinig moedig is. De grote namen uit de historie hebben de nieuwe mogelijkheden in hun tijd altijd met beide handen aangegrepen en zijn er creatief mee omgegaan. Daarom kennen we hen nog. Ze wijzen ons de weg door het verleden. Zonder hen zouden we daarin hopeloos verloren lopen.

Maar ik ben geen grote naam. Mijn hele leven heb ik zo’n vijftig jaar achtergelopen. Dat begon al met een opvoeding in de naweeën van het Rijke Roomsche Leven tijdens de jaren vijftig van de vorige eeuw. Je zou verwachten dat de verzuiling die Nederland lange tijd verstikt had, na de Tweede Wereldoorlog waarin er door iedereen samengewerkt moest worden tegen één vijand, afgelopen zou zijn. Maar nee, de protestant wauwelde verder over zijn Bijbelteksten en de katholiek bad zijn rozenhoedjes. Alsof de mogelijkheden van een nieuw begin niet bestonden. Uit mijn jeugd in Gemert herinner ik me prachtige processies met de harmonie voorop, de monstrans onder het baldakijn en rustaltaren op de akkers: ‘Knielt christenschaar voor ’t zoenaltaar, uw God rust daar!’

Mijn hele leven heb ik zo’n vijftig jaar achtergelopen.

In de jaren zestig, intern-leerling op een seminarie, hadden we gelukkig enkele paters die naar de toekomst keken, maar ik herinner me niet geschiedenis of literatuur onderwezen te hebben gekregen die ook maar enigszins ging over de tijd waarin we op dat moment leefden. Later als rechtenstudent in Tilburg koos ik keuzevakken als Oud Vaderlands Recht en Rechtsfilosofie, ik wilde kennelijk de achterstand op de tijd die mijn leven kenmerkte behouden. Uit veiligheid? Waarschijnlijk wel.

Ik heb dan ook nooit naar een baan in de juridische wereld gezocht, maar werd kunstredacteur bij de Tilburgse krant. Hoofdredacteur De Mug peperde me in, dat mijn schrijfopdracht was ‘kunst en geestelijk leven’. Want dat was één. Dus begon ik mijn carrière, het was al een eind in de jaren zeventig, met een bezoek aan de legendarische pastoor Van Miert in Tilburg, een man die altijd expres de klokken luidde als de studenten – wat toen dagelijkse kost was – ergens tegen aan het protesteren waren. En zonder de zaak belachelijk te willen maken, maar het is de pure waarheid: Pastoor Van Miert bood me een sigaar aan en vroeg of ik een Bordeaux- of Bourgogne-drinker was.

Those were the days! In de gemeenteraad had het CDA – lees KVP – samen met zijn satelliet Partij Midden Brabant nog de meerderheid en burgemeester Letschert stond openlijk met CDA-fractievoorzitter Van Logtestijn te smoezen over wat er besloten moest worden. Die Van Logtestijn had zo’n grote macht dat hij, ondanks dat hij de saaiste mens van Tilburg was, ook Prins Carnaval van Kruikenstad werd. Over het carnavaleske omkeren van ‘normen en rollen’ gesproken. Laat me niet lachen.

Alles was virtueel geworden, behalve ik.

Maar ik dwaal af. Ik krijg in de gaten dat hetgeen ik wil gaan zeggen onmogelijk te vertellen is in één artikel van de lengte ik normaal bezig. Dus zet ik een (1) achter de kop boven dit stuk en probeer u volgende week uit te leggen hoe ik van de verbijstering nog deel uit te maken van het Rijke Roomsche Leven, plotseling wakker werd in een ander tijdvak. Niet alleen was het denken veranderd terwijl ik erbij zat, maar ook bestond de mechanische werkelijkheid nog nauwelijks, alles was virtueel geworden, behalve ik. Mijn cultuur is naar de Filistijnen en ik zal een manier moeten vinden om me in de nieuwe tijd te handhaven.

Reacties (3)

  1. Johannes van Dam schreef:

    Misschien is het Parmenides, die zeer oude man die daar zingt … Hoewel jonger en intellectueel een stuk minder bepakt dan jij, deel ik veel van je monstering en kleuring wel. Het is niet alleen KI, het is ook broeiend barbarisme in die brede, boze burgermeute. Althans in mijn beleving of misschien zit daar mijn paplepelangst. Goed stuk, zij het niet per se vanwege het vrolijke gevoel dat ik eraan overhoud. Gelukkig is er een cliffhanger.

  2. Bert Bevers schreef:

    Verwoord je verbijstering maar fijn verder namens ook mij, JACE. Kom snel met die minstens 99 vervolgen!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *