Column door JACE van de Ven •
Filmmaker/fotograaf Piek Kock presenteert morgen, 22 maart 2026, in Cinecitta in Tilburg de film ‘Ad Fijneman, Not Fade Away’ over de outsider kunstenaar Ad Fijneman (1954-2022). Kock, die ooit begon als assistent van Erwin Olaf, werd onderscheiden als fotograaf van de bokssport en publiceerde daarover enkele boeken. Enkele jaren geleden besprak ik op Brabant Cultureel haar film ‘El Cantina’.

‘Ad Fijneman, Not Fade Away’ begint met een beeld van Fijneman die in zijn rommelige huis zit, voor een besmeurde schildersezel waarnaast een van zijn doeken staat. Hij houdt zijn handen gevouwen en richt zijn blik soms naar boven. Het lijkt of hij daar woorden moet vinden die hem niet gemakkelijk aanwaaien. “Kunst, ja, dat is een moeilijk iets, vind ik altijd. Kunst is het voelen, het voelen van jezelf en dat probeer ik in mijn doeken te stoppen, … eigenlijk.”

Dat woord eigenlijk, vaak te pas en te onpas gebruikt en dan zonder inhoud, wordt hier gebezigd in zijn ware betekenis, ‘niet waar het misschien op lijkt, maar zo is het echt’. Dat ‘voelen van zichzelf’ in zijn doeken stoppen, heeft Ad Fijneman zo eerlijk mogelijk gedaan, ongetwijfeld, ook al voelt niet iedereen dat die zijn werken ziet. Sommige kunstkenners, schudden het hoofd en brommen: ‘Dit is niks.’ Dat zei ook kunstenaar Walter Kerkhofs, die decennialang docent was aan de academie in Hamburg, toen hij enkele jaren geleden een expositie zag met werk van Ad Fijneman. Nadat hij wat beter gekeken had, verklaarde hij ‘sommige toch wel aardig’ te vinden. En na nog een iets langere observatie, stond hij opeens te huilen van ontroering. Zo vergaat het meerderen, hoe beperkt en onbeholpen de kunst van Ad Fijneman ook lijkt.

Grote promotor van Ad Fijneman is de Tilburgse beeldend kunstenaar / illustrator Ivo van Leeuwen. Hij werkte, om zijn kunstenaarschap te kunnen bekostigen, rond de eeuwwisseling enkele nachten per week op een magazijn voor WC-papier. Daar reed Fijneman rond op een vorkheftruck, altijd stoned en met niemand een woord wisselend.
En toen, na enkele maanden, vroeg hij opeens aan Ivo of hij niet eens bij hem op zijn flatje een paar beugelflessen Grolsch wilde komen drinken. Dat deed Ivo. En bij het afgieten van dat pilsener zag hij op het toilet een tekeningetje van Dostojewski dat hem intrigeerde. Terug in de leefruimte – een kamer kon je het woonvertrek vol boeken, platen en allerlei parafernalia niet noemen – vroeg hij Fijneman wie die tekening gemaakt had. “Ik”, zei die. “Moet je vaker doen”, zei Van Leeuwen. En dat deed Ad Fijneman en toen hij jaren later eens op het atelier van Ivo op bezoek kwam en de kunstenaar Roel Sloot daar zag schilderen, ging hij dat zelf ook doen, zonder bij iemand te informeren hoe je dat het best kon aanpakken.
In minder dan veertien jaar tijd maakte Ad Fijneman meer dan vierhonderd schilderijen, bijna zonder uitzondering vrouwenportretten uit de eigen fantasie. Vooral de ogen in deze schilderingen raken de liefhebbers. Ze zijn nauwelijks aangezet, maar toch vertellen ze sommigen kennelijk hele levensverhalen.
Merkwaardigerwijs heeft Ivo van Leeuwen, die altijd contact met Ad hield en hem verzorgde toen hij kankerpatiënt werd, hem nooit zien schilderen. Wel zorgde hij voor enkele exposities van het werk van Fijneman en beloofde hem voor zijn dood dat hij voor zijn werk zou blijven opkomen. Vandaar ook deze film. De aanzet daartoe werd gegeven door Marieke Giesen, een ex-collega van een ander bijbaantje dat Ivo van Leeuwen vervult om in zijn kunstenaarschap te kunnen voorzien. Zij was een keer op bezoek bij Ivo en zag daar enkele schilderijen van de toen net overleden Ad Fijneman. Ze werd er stante pede verliefd op, hoorde van Ivo het levensverhaal van Ad en concludeerde: “Over hem moet een film gemaakt worden.” Dat vond Ivo ook en samen benaderden ze Piek Kock.

Die was niet onmiddellijk kapot van Fijnemans werk, maar vond dat voor de film een voordeel omdat die daardoor niet bij voorbaat een hagiografie zou worden. Ze zei ‘ja’ tegen het idee en samen gingen ze op zoek naar Ad Fijneman. Dat viel nog niet mee, temeer omdat de familie van Fijneman niet wilde meewerken. Vrienden uit Tilburg hadden eigenlijk alleen contact met hem gehad in de jaren negentig en dan nog alleen in de koffieshop. De laatste vijfentwintig jaar leek Ad Fijneman bewust gekozen te hebben voor het alleen zijn. Hij las wereldliteratuur, vooral Fransen en Russen, bezocht meerdere keren de hermitage in Sint-Petersburg en ging naar concerten van wereldsterren als Dylan, Young en Emmylou Harris. Vooral Emmylou Harris, bij haar zat hij steevast op de eerste rij en dan knikten ze elkaar even toe: ‘Daar zijn we weer’.
We weten dus weinig van Ad Fijneman, ook na de film ‘Not Fade Away’, maar dat lijkt bij hem te horen. Fijneman was afkomstig uit Waspik, zag in zijn jeugd een verkeersongeluk waarbij het hoofd van een aangereden man voor zijn voeten rolde, hij stotterde, deed de LTS in Waalwijk, begon te blowen, geraakte ooit in de gevangenis vanwege een inbraak, liet zijn familie achter zich en trok zich steeds meer terug op zijn flatje in Tilburg waar hij meer dan vijfendertig jaar woonde, las, luisterde muziek en blowde. En later schilderde hij, zijn huiskamer was zijn atelier. Alles stond in het teken van schilderen.
In de film van achtendertig minuten komt niemand voor die Ad Fijneman echt gekend heeft. De man blijft een raadsel net als, voor velen, zijn kunst. In de film reageren leken en kunstkenners op de man en zijn werk. Kunsthistorica Ingrid Luijcks verwondert zich: “Hoe hij door een mond, een blik van de ogen, misschien de stand van het hoofd een hele persoon kan oproepen!” Vooral de ogen vallen haar op. Zij vindt het bijzonder dat hij daar toch karakter in weet te leggen: “Want als je inzoomt, is het is eigenlijk helemaal niks.”

Tom Theeuwen, curator Museum van de Geest in Haarlem, een instantie die streeft naar het in beeld brengen van werk van mensen die afwijken van de geldende ‘norm’, zegt over Fijneman: “Nou ja, hij heeft duidelijk een motief en een manier van maken gekozen die hij in honderden werken heeft voortgezet. Dat is iets wat ik wel vaker zie bij wat wij Outsider Art noemen, vrij obsessief, in korte periode een explosie van werk, heel monomaan, één motief in honderden varianten.” Hij ziet Fijneman aan de hand van eigen regels werken, ongeschoold: “Want als je geschoold bent, ben je eigenlijk ook geschoold in conventies.”
Roel Sloot, de man van wie Ad Fijneman in enkele ogenblikken het schilderen afkeek, zegt: “Je krijgt het niet verzonnen. Althans, ik krijg het niet verzonnen om zo te schilderen. Ik zou het afkeuren en het al schilderend corrigeren, maar hij laat het staan en het werkt.” En Ad Fijneman zelf: “Ik probeer meer inzicht te krijgen in mijzelf, eigenlijk.” Weer dat ‘eigenlijk’ als ‘ja zo is het’. Samen met architect/kunstenaar Ad Roefs denk ik dat al die vrouwenhoofden mogelijk gedroomde vriendinnen zijn.

Natuurlijk, Ad Fijneman was ook maar een mens. Of, zoals dichter en performer Nick J. Swarth het zegt “misschien ook gewoon een simpele man”. Die zijn er meer dan je denkt en ze kunnen evengoed kunst maken als niet-simpele mannen en vrouwen. Nick J. Swarth waardeerde Ad Fijneman zeer en organiseerde in 2022 een expositie met zijn werk in Rotterdam. Hij maakte voor de opening van de Rotterdamse expositie dit gedicht over hoe hij naar de ogen in Ad Fijnemans kunst kijkt:
Als muren konden kijken, wat
zouden ze dan zien?
Ons misschien, wij die kijken naar de muren
en ogen zien
geverfde ogen
blikken die er niet om liegen
blikken als angels, als engelen die hengelen
naar aandacht.
Soms is je dag al goed
als je in de stad kort in de ogen
van een ander kijkt, een schijnbaar
betekenisloze blik volstaat.
Ze komen gevlogen, die ogen
uit een dal waar alles soms niets is
maar niets ook alles kan zijn, de vonk
van het leven, het vuur, de pijn.
En de blik achter de blik
is een conservenblik, dat je voedsel
voor de geest verschaft als je het weet
te openen.
Openen, dat is aan jou, dat kan niemand
voor je doen.
Het voelen en verstaan
het bezweren van vorm en kleur
het kleuren van de dag, de dagen
voorbij een vracht aan vragen, dat moet
je zelf doen.
Eerdere columns van JACE van de Ven op Brabant Cultureel
© Brabant Cultureel 2026
