Ontwerpbureau Kinkorn transformeert Paleis-Raadhuis in ‘Paleis voor de stad’

Het Paleis-Raadhuis in Tilburg is ooit gebouwd als buitenverblijf voor koning Willem II die kort voor de oplevering overleed. Daarop volgden functies als Rijks HBS, gemeentehuis, trouwlocatie en receptieruimte. De gemeente wil het karakteristieke gebouw meer openstellen als ‘Paleis van de stad’. Ontwerper Maarten Meevis van Kinkorn kreeg de opdracht om dat idee uit te werken.

door Pieter Siebers

Ontwerpbureau Kinkorn is gevestigd in een voormalige bakkerij annex meelzolder aan de Tilburgse Acaciastraat. Aan het pand is sinds 1994, toen ontwerper Maarten Meevis het betrok, in essentie weinig veranderd. Een verbouwing door Bedaux de Brouwer maakte het pand comfortabeler om te gebruiken, maar de indeling, de oven, de betegeling bleven. Het ontwerpbureau ademt in vrijwel alles nog de geest van architect Barenburg die het strakke pand in 1932 ontwierp, geïnspireerd door de opvattingen van De Stijl. Meevis heeft de naam van zijn bureau ontleend aan de geschiedenis van de broodbakkerij. Kinkorn is een variant van ‘King Corn’, een niet meer bestaand Nederlandse merk witbrood dat in de jaren ’60 onder licentie werd gebakken.

Maarten Meevis voor de studio van zijn ontwerpbureau Kinkorn. Foto > Joep Eijkens

Het pand mag dan goeddeels onveranderd zijn, in de ruim dertig jaar dat Kinkorn er werkt zijn de opvattingen over museaal ontwerpen – dat is wat Maarten Meevis en zijn team doen – wel sterk veranderd. “In de tijd dat ik aan de Rietveld Academie studeerde bestond een opleiding tot museumontwerper niet. Vanaf pakweg de jaren tachtig werden zaken als publieksbereik, marketing en educatie belangrijker. Tentoonstellingsontwerpen, zoals we dat nu nog kennen, is toen uitgevonden en enkele Nederlandse bureaus hebben daar een belangrijk aandeel in gehad.”

Lessen voor het oog

Met zijn ‘klassieke’ werkwijze maakte ik begin deze eeuw kennis, toen de Universiteit van Tilburg vijfenzeventig jaar bestond. Met een tentoonstelling wilden de universiteit en de daar gevestigde Brabant Collectie aandacht besteden aan de ontwikkeling van het oeuvre van fotograaf Martien Coppens en diens invloed op de (amateur)fotografie. Titel: ‘Lessen voor het Oog’. Plaats van handeling was het TextielMuseum, toevallig ook de plek waar Maarten Meevis al voor zijn afstuderen aan de Amsterdamse Rietveldacademie in 1987 aan de slag ging.

De foto’s van Coppens kregen een plek in vitrines die oogden als de ontwikkel- en afdrukbakken uit de donkere kamers van de klassieke fotopraktijk. De plaatsing en belichting waren van dien aard dat de zwart-wit beelden prachtig tot hun recht kwamen. Op dertig computers konden kinderen foto’s bewerken om al doende wat op te steken over zaken als onderwerp, perspectief en compositie. “Dat laatste vond ik achteraf misschien nog wel het meest interessant”, zegt Maarten Meevis.

Op de schouders van reuzen

“Het gaat ons er steeds meer om mensen te betrekken bij musea, en dan niet zozeer als toeschouwers of bezoekers. Het gaat ons niet meer om tentoonstellen, maar om geschiedenis en erfgoed beleefbaar te maken. We zien musea niet als een verzameling wanden of vitrines, maar als omgevingen, als plekken die we graag onderdeel maken van de menselijke ervaring. Onze mensen hebben vaak een achtergrond op het gebied van kunst, vormgeving en design, maar het zijn vaak ook duizendpoten. Onderzoek bijvoorbeeld, is een belangrijk aspect van ons werk geworden.”

Interieur van de studio met op de achtergrond de oven en de originele betegeling. Foto > Joep Eijkens

Hij start de website van Kinkorn op, waar als eerste een aan Mark Twain toegeschreven citaat in het oog springt: ‘History doesn’t repeat itself, but it rhymes’. Immers, de geschiedenis herhaalt zich niet. Maar deze discontinuïteit is dan toch weer een vorm van continuïteit, een soort van herhaling die net geen herhaling is, zoals een rijmwoord. Waar we echter niet aan ontkomen (maar waar we ons nog wel eens aan willen onttrekken) is de wetenschap dat we op de schouders van reuzen staan. Musea zijn bij uitstek plaatsen waar mensen dit gewaarworden. Door zich te verplaatsen in het perspectief van het verleden, van de maker van toen. Door je te verplaatsen in de ander, in de geschiedenis, door tijdgenoot te worden – al is het maar voor even.

Geschiedenis tot leven wekken

“Kinkorn werkt om geschiedenis tot leven te brengen”, zegt Maarten Meevis. “Door mensen met tekst, beeld en geluid mee te nemen in een verhaal, door ze erin te betrekken. Je kunt het ontmoetingen noemen, tussen toen en nu. Daarbij is de plek zelf gaandeweg voor ons van groter belang geworden. Wij gaan daar soms gewoon een paar uur zitten, om het gebouw en de omgeving op ons te laten inwerken. Onze opdrachtgevers zijn niet alleen musea, maar ook erfgoedinstellingen, waterschappen of overheden. De publieke ruimte is voor ons een belangrijk werkterrein, zowel in landschappelijke situaties als stedelijke omgevingen.”

We kijken naar het ontwerp voor een route dat Kinkorn in 2023 maakte voor Schokland, een voormalig eiland in de Zuiderzee. Schokland is sinds 1986 onderdeel van de Flevopolder en werd in 1995 de eerste UNESCO werelderfgoedlocatie in Nederland. “Opdracht was om cultuur en natuur – beiden van essentieel belang voor Schokland – met elkaar te verweven in een route. Voor de vijf terpen, de plekken waar mensen vroeger woonden, ontwikkelden wij vijf sculpturen – telkens combinaties van een mens en een dier. De mensen komen uit verschillende periodes, het zijn historische personen die daadwerkelijk bestaan hebben.”

Schokland, met een beeld van Klaasje Hendriksen Diender. ‘Via een draaiwiel op de sokkel wek je zelf stroom op en kun je zo de verhalen beluisteren. (…) De hoogte van het blauw geeft de dreiging van het water aan tijdens het leven van de betreffende mens. Meer beeld? Klik hier.

“De dieren komen voor op Schokland of ze zullen daar mogelijk gaan leven als gevolg van de vernatting van de omliggende polder. Die vernatting is een onderdeel van beleid dat moet voorkomen dat het eiland zover verzakt dat het zou verdwijnen. In deze situatie houdt de natuur dus de cultuur in stand. Via een draaiwiel op de sokkel wek je zelf stroom op en kun je zo de verhalen beluisteren. Je draait naar links voor het verleden en hoort het verhaal van de mens en naar rechts voor de toekomst en hoort het verhaal van het dier. De figuren zijn afgewerkt in blauw en wit. De hoogte van het blauw geeft de dreiging van het water aan tijdens het leven van de betreffende mens.”

Een bijzondere bouwtraditie

Het ontwerp dat Kinkorn maakte voor het Tilburgse Paleis-Raadhuis sluit in zekere zin aan op het concept van Flevoland en zou je exemplarisch kunnen noemen voor de ontwikkeling van het bureau. Het paleis heeft gotische trekken met kantelen die verwijzen naar de gebouwen van Oxford, waar Willem II kort studeerde. Het heeft in alle opzichten een bijzondere bouwtraditie, met als meest in het oog springende verbouwing die tot raadhuis in de jaren dertig. Uit die periode stamt de historiserende raadzaal, ontworpen door architect Oscar Leeuw – die zowat tegelijkertijd ook tekende voor de (oude, gesloopte) V&D in de Heuvelstraat.

‘Het paleis heeft gotische trekken met kantelen die verwijzen naar de gebouwen van Oxford, waar Willem II kort studeerde.’ Foto op ansichtkaart, ± 1935
Historiserende raadzaal, ontworpen door architect Oscar Leeuw. Bron: Regionaal Archief Tilburg

Meevis heeft het gebouw talloze malen doorkruist en vanuit alle denkbare hoeken bekeken, net zoals hij Schokland in zich opnam. Zijn conclusie was dat de geschiedenis van het gebouw zelf onderdeel van het ontwerp diende te zijn.

“Hier is zoveel gebeurd, dit gebouw zegt iets over de rol van de koning, over die van het openbaar onderwijs, over bestuur, over de relatie met instellingen in de stad – het heeft een enorm rijke geschiedenis. Het paleis is bovendien een exemplarisch onderdeel van de roerige stadsgeschiedenis, waarin het hart van de stad in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw een volledig andere aanblik heeft gekregen. Op de benedenverdieping willen we een luchtfoto aanbrengen, aan de hand waarvan een virtuele wandeling gemaakt kan worden waarin de geschiedenis van de stad zich ontrolt met behulp van tablets, teksten en beelden. Zo kan de transformatie die de stad heeft ondergaan nader worden bekeken en bestudeerd door bezoekers, maar ook de plannen voor de toekomst zullen te zien zijn.”

Ontwerpschetsen van Kinkorn voor het Paleis-Raadhuis, Paleis van de Tilburgers. Bron > Kinkorn

“Een derde pijler in het concept is de raadzaal die we in de oude staat willen terugbrengen. Dit is de plek waar jarenlang ingrijpende beslissingen over Tilburg zijn genomen en bij dit type processen willen we meer mensen betrekken, kinderen en jongeren vooral. We hebben veel ervaring met interactief leren, in het gevangenismuseum van Veenhuizen bijvoorbeeld hebben we meegewerkt aan het concept van een rechtbank waarbij kinderen zich kunnen verplaatsen in de rol van dader, slachtoffer, getuige et cetera. Dat werkt heel goed.”

Het beleefbaar maken van erfgoed

“We hebben in museale omgevingen enorm veel kennis opgedaan met wat we noemen het ‘beleefbaar’ maken van erfgoed – in de breedste zin van het woord. Onze manier van werken is gaandeweg ook veranderd. Locatie en verhaal bepalen in hoge mate de inhoud, vandaar dat we geen kant-en-klare plannen van aanpak hebben. We werken altijd samen met opdrachtgevers, of dat nu erfgoedorganisaties, natuurinstellingen, musea of overheden zijn. Er zijn vaak meerdere disciplines bij betrokken, wat het werken eigenlijk alleen maar leuker maakt.”

Meevis noemt twee museale opdrachten als een keerpunt in de opvattingen van Kinkorn. De eerste betreft de opdracht in 2011 voor de herinrichting van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. De afdeling Archeologie van Nederland was aan herinrichting toe. Het gebouw – een rijksmonument – kende veel beperkingen. Zo mocht er niet in de muren worden geboord.

De stad zelf een stem gegeven

“Door dat vertrekpunt kwamen we op een heel andere benadering, aan de keukentafel bedacht: een lang, door het gebouw kronkelend lint dat 200.000 jaar geschiedenis aan de orde stelt, in de vorm van een steppe, een rivieroever, een stadswal, een poort et cetera. Bodemvondsten hebben we in het ontwerp betrokken, door objecten als ensemble te laten zien, dus samen met ander materiaal uit dezelfde vindplaats. De topstukken zijn in hoge vitrines geplaatst, afgewisseld met beeld, tekst en plattegronden. Je loopt door de tijd en de audio loopt met je mee: je hoort het ruisen van het graan, het kabbelen van de rivier, de Romeinse ruiters die voorbij galopperen. Dat ontwerp is prikkelend en duurzaam gebleken. Het staat er nog steeds!”

Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Foto > Mike Bink. Meer beeld? Klik hier.

“Een tweede plek die onze ontwikkeling heeft beïnvloed is het Stadmuseum van Gent. Dat bestond in 2020 tien jaar en was op zoek naar een andere benadering voor het erfgoed van de stad. Opdracht was om te laten zien hoe steden ontstaan, groeien en zich ontwikkelen. In een aantal opeenvolgende zalen wordt de bezoeker in dat verhaal meegenomen aan de hand van drie thema’s: City Built, City Lived en City Connected. We ontwikkelden interactieve kaarten, maquettes en spellen voor alle leeftijden. De stad zelf hebben we letterlijk een stem gegeven. Ze neemt je in elke periode mee in de nieuwe avonturen die ze beleeft: ze wordt belaagd, uitgebreid, doorsneden, beschimpt en bejubeld. Ze raakt vervuild, wordt weer opgepoetst, industrialiseert en wordt weer groener.”

Stadmuseum van Gent. Foto > Phile Deprez. Meer beeld? Klik hier.

De stad is levend, geen artefact

“We wilden benadrukken dat de stad een levende stad is, geen artefact met op zichzelf staande objecten. We hebben een digitale stadsplattegrond ontworpen waarbij de drie thema’s een rol spelen. Een stad draait om bouwen, leven en in verbinding staan, dat is het verhaal waarvan bezoekers deelachtig worden. Onderdeel van een stad die niet op zichzelf staat, maar altijd verbonden was en ís met de buitenwereld, met Europa en de wereld.”

Hij glundert voortdurend bij de projecten die hij de revue laat passeren. “We hebben veel kennis opgedaan bij het ontwerpen voor musea, ervaring ook die heel nuttig blijkt nu we steeds meer werken in de publieke ruimte. Het gaat dan om herbestemming van industrieel en religieus erfgoed, maar ook van landschappen, landgoederen en steden. Die benadering past in de veranderende manier waarop mensen kijken: ze willen graag weten waar ze naar kijken, en de geschiedenis van de plek blijkt er daarbij zeer toe te doen.”

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *