Column door JACE van de Ven •
Soms wissel ik het lezen van de 640 pagina’s van het boek In Nederland gebleven. De geschiedenis van Molukkers 1951-2025 even af met het doornemen van een bijdrage aan het Brabants Boekske 2026. Van de daarvoor ingestuurde dialectverhalen mag ik mede de kanshebbers op de Willem Ivenprijs bepalen. Het is ook zo veel informatie die Fridus Steijlen en Henk Smeets in In Nederland gebleven gestopt hebben. Alleen al de lijst van afkortingen van voornamelijk organisaties die zich met Molukkers in Nederland hebben beziggehouden, beslaat bijna zeven pagina’s. Herhaaldelijk moet ik die bladzijden opslaan als ik bij lezing van een bepaalde periode in de geschiedenis van Molukkers in Nederland even niet meer weet wat wat is.
De ontwikkelingsgang van Molukkers in Nederland, van wie de eersten vijfenzeventig jaar geleden in Nederland arriveerden om hier even te wachten tot zij konden terugkeren naar hun vaderland, kwam vaak over als een gebed zonder end, als het voortgaan in een doodlopende straat in de hoop dat die toch ergens naartoe zou leiden.

Die decennia durende status quo bracht diepe frustraties teweeg bij de Molukkers. Frustraties die zich na een kwart eeuw opgepot te zijn, met geweld manifesteerden. Ieder van ons die ouder dan zestig is, herinnert zich de treinkapingen bij Wijster (1975) en De Punt (1977). Ik weet nog dat ik in de week dat de doden vielen bij de eerste treinkaping in een heftig dispuut verwikkeld raakte in mijn stamkroeg. Daarin opperde een drinkebroer ‘dat alle Molukkers in een zwembad met zwavelzuur gegooid moesten worden’. Toen ik zei dat ik, zonder het moorden te willen goedkeuren, begrip voor deze Molukse jongeren kon opbrengen, keerde heel de kroeg zich tegen me. Zo fel! Het zou tot een handgemeen gekomen zijn, als ik niet snel naar huis was gegaan.
De regering spande zich niet in voor haar voormalige Molukse militairen
Tot dat moment verdiepte zich nauwelijks één autochtone Nederlander in het lot van Molukkers in Nederland. Ze waren hier, woonden in groepen bij elkaar, maakten in groepen ruzie als zij in uitgaansgelegenheden gediscrimineerd werden en ze hadden het steeds over hun eigen, vrije Molukse republiek (RMS) die er als het aan Indonesië lag nooit zou komen. En als het aan Nederland lag ook niet, want je kreeg niet de indruk dat de Nederlandse regering zich bovenmatig inspande voor haar voormalige Molukse militairen.
De meeste Molukkers die in 1951 naar Nederland kwamen, waren soldaten van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) en vochten aan Nederlandse kant tegen Indonesië. Toen Nederland de soevereiniteit van Indonesië erkende, kwamen Molukse militairen daardoor in een onmogelijke positie. Nederland voelde zich verplicht om hen tijdelijk naar hier te halen tot er een oplossing voor hen en hun gezinnen gevonden zou zijn. Op 21 maart 1951 kwamen de eerste Molukkers in Nederland aan. Zij werden daarbij als KNIL-soldaten ontslagen en met hun gezinnen ondergebracht in woonoorden zoals Lunetten bij Vught – in het voormalige concentratiekamp Vught. Het was niet de bedoeling dat ze werk zochten of integreerden, hun verblijf zou immers slechts voor enkele maanden of hooguit een jaar zijn. Dacht men.


In Wouw woonden kennelijk ook Molukkers. Dat maak ik op uit dat Brabants Boekske waar ik het in de eerste alinea over had. In dat dialectboek schrijft Wouwenaar Wim Groffen onder meer: ‘Nou motte weete da t’r bij oons vedderop in de straot, net vurbij ’t spoor, ’n Ambooneezekaamp waar. Somtije kwaam t’r ’n bewooner van da kaamp op z’n fiets dur oonze straot op weg naor z’n uis in’t kaamp. De grwoote jonges riepe dan jil gemjeen: “Ambooneeze emme grwoote dikke vette pierballe!” Daornao rende ze weg en zaag ik, die nie wies wa da t’r op deej, dieje kaampbewooner meej ’ne kwaoje kop z’n fiets omkjeere om veraol te komme n’aole.’
Zo’n alinea zegt veel, over de beslotenheid van de Brabantse dorpen zeventig jaar geleden, waar ons kent ons al eeuwen de norm was. In dergelijke dorpen, geïsoleerd en apart, werden de Molukkers ‘tijdelijk’ geplaatst. En intussen gebeurde er niets. Alleen heimwee naar het vaderland broeide, een vaderland dat eerder verder weg aan het drijven was dan dat het dichterbij kwam. Pas eind jaren zestig, begin jaren zeventig drong bij veel Molukkers het besef door dat hun verblijf in Nederland wel eens voor altijd zou kunnen zijn.
De tweede generatie, die toen volwassen werd, viel tussen de wal en het schip. Zij erfde het ideaal van de RMS en de hoop op terugkeer, maar leefde in Nederland. Daar moesten ze door de situatie waarin ze waren opgegroeid, zien te dealen met achterstanden in het onderwijs en op de arbeidsmarkt. Dat werkte bij verschillenden van hen radicalisering in de hand, hetgeen onder meer resulteerde in de gijzelingsacties in Wijster en De Punt. U zag hierboven hoe Nederlanders in mijn stamcafé daarop reageerden.
Het was heftig, maar daardoor werd Nederland en zijn regering wel met de neus op de feiten gedrukt. Smeets en Steijlen beschrijven vanaf dan initiatieven en dialogen die van Molukse en Nederlandse kant tot stand kwamen op basis van gelijkheid. Ook begonnen in die jaren Molukkers in Nederland zich te manifesteren op cultureel gebied, waarbij zij hun geschiedenis en hoe die zich ontwikkelt een plaats wisten te geven op het Nederlandse artistieke podium.



Dat laatste is ook te zien op een expositie naar aanleiding van vijfenzeventig jaar Molukkers in Nederland die vanaf 18 februari 2026 is te zien in Het Noordbrabants Museum in ’s-Hertogenbosch. Ketahanan: verhalen van veerkracht heet die. De tentoonstelling gaat over hoe de Moluks-Nederlandse geschiedenis doorwerkt in identiteit, gemeenschap en toekomst. Ketahanan is ontwikkeld samen met de Molukse gemeenschap in Nederland, toont de veelzijdigheid van het Moluks-zijn in Nederland in de eenentwintigste eeuw en brengt kunstwerken, historische objecten, foto’s en videoverhalen bijeen. De tentoonstelling is tot en met 31 mei te bezoeken.
Jonge generaties Molukkers doen volwaardige en volledig mee aan de maatschappij zonder de eigen identiteit te verliezen.
Veerkracht, je zou bijna denken dat de samenstellers van de tentoonstelling het woord hebben overgenomen uit In Nederland gebleven. Als Smeets en Steijlen in dat boek de verdere lotgevallen van de Molukkers in Nederland beschrijven en hoe een derde en een vierde generatie zich manifesteert, valt ook nadrukkelijk het woord veerkracht. Molukkers bleven zichzelf steeds opnieuw oprichten na veranderende omstandigheden die aanvankelijk negatief voor hen leken, zoals het verdwijnen van de woonoorden en het steeds onmogelijker lijken van de RMS-idealen. Een derde en een vierde generatie doet op volwaardige en volledige wijze mee aan de maatschappij zonder haar eigen identiteit te verliezen. Sterker nog, die is vaak hun inspiratie.
Voor zover ik dat kan beoordelen is In Nederland gebleven een boek dat de Molukse gemeenschap recht doet. Het moet een enorm werk geweest zijn om alle feitjes en feiten, die waarschijnlijk aanvankelijk nauwelijks gearchiveerd werden, tot hun recht te laten komen in een objectief aandoend werk tegen de achtergrond van beladen gebeurtenissen. Wie goed oplet, ontdekt daarbij hoe een koloniaal westers superioriteitsgevoel gaandeweg plaats maakt voor een open blik. Dat, en de genoemde veerkracht van ons Molukse bevolkingsdeel, geeft hoop voor de toekomst.
In Nederland gebleven verscheen voor het eerst in 2006. Nu, bijna twintig jaar later, heeft Fridus Steijlen een nieuw hoofdstuk toegevoegd dat de geschiedenis doortrekt tot 2025.

In het begin vroeg ik me af of een Molukse geschiedenis wel door niet-Molukkers geschreven had moeten worden, maar gaandeweg merkte ik dat allerlei Molukse geledingen hun steentje hebben kunnen bijdragen. Daarbij is Henk Smeets een Vughtenaar die vlak bij Molukkenkamp Lunetten woonde en daardoor in deze bevolkingsgroep geïnteresseerd raakte. Hij probeerde hun stem te laten doorklinken in de nationale dialoog en hielp bij de oprichting van het Moluks Historisch Museum. Sinds 2010 is hij voorzitter van het Vughts Museum en in die hoedanigheid betrokken bij de restauratie en inrichting van Barak 1B, Kamp Vught, en van het Ontmoetingscentrum DePetrus in Vught.
Fridus Steijlen is een antropoloog die al jong bij de studie in en met de Molukse gemeenschap in aanraking kwam. Hij was hoogleraar Molukse migratie en cultuur in comparatief perspectief aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Zij zijn dus geen betweterige bemoeials.

Fridus Steijlen & Henk Smeets, In Nederland gebleven. De geschiedenis van Molukkers 1951-2025. Zwolle: Walburgpers 2025, 640 pp., ISBN 9789464564396, hb., € 39,99.
Alle afbeeldingen uit het besproken boek. Met dank aan de Walburgpers.
Expositie Ketahanan: verhalen van veerkracht in Het Noordbrabants Museum
Meer columns van JACE van de Ven op Brabant Cultureel
© Brabant Cultureel 2026

Goed artikel.
De komst van de Molukkers had ook voor Nederlanders directe en indirecte gevolgen. Mijn vader die politieman was, werd in 1952 naar Vught gestuurd om daar de uitgebroken ongeregeldheden met een aantal collega’s de kop in te drukken. Molukkers gingen Molukkers te lijf. Mijn vader hield aan die actie een negatief beeld van Molukkers over. Messentrekkers waren het. Dat had weer tot gevolg dat ik het Indisch-Hindoestaans meisje dat ik later leerde kennen, niet mee naar huis mocht nemen. En dat leidde weer tot een heftige ruzie tussen mij en mijn ouders en binnen de familie.
Ook dat werd later opgelost. Er was wel tijd voor nodig.
Reactie van Emmanuel Naaijkens: Dat twee groepen Molukkers tegen elkaar vochten had met hun herkomst te maken. De ene groep kwam van het eiland Ambon, en de andere van het eiland Kei (of eigenlijk eilandengroep). Die laatste groep, de Keiezen, is daarom op een gegeven moment van Vught naar Baarschot (toen gemeente Diessen) verhuisd. En volgens mij zijn Molukkers protestants-christelijk en Keiezen katholiek (met dank aan de kolonisten van de VOC).
Het Nieuwsblad van het Zuiden heeft er destijds ook over geschreven (27 september 1958, bron: Delpher).
Reactie van Jasper Mikkers: De Keiezen kwamen ook in Nistelrode terecht.
Toen ik een jaar of zestien was, logeerde ik daar bij een Keiezenfamilie. Ik leerde er Hyacintha en Pasceline kennen, twee nog jonge Keiezenmeisjes. Later vergiftigde de man van het gezin waar ik verbleef zijn vrouw. Hij was verliefd geworden op een jongere nicht. Zes kinderen verloren hun moeder. De man kreeg een lange gevangenisstraf en zat die uit in de Koepel in Breda. Daar bezocht ik hem. Tragisch. Deze geschiedenis vormde de inspiratiebron voor mijn eerste roman, Hyacintha en Pasceline.
Goed verhaal Jace.
Ik herinner me als kind in Hilvarenbeek dat Molukse gezinnen met mijn moeder als voorzitter van een plaatselijk comité naar de kledingzaak Handelshuis Hilvaria gingen om het door de staat beschikbare kledingbudget te gaan besteden. Een van mijn eerste verliefdheden was een Moluks meisje uit een van die gezinnen. Hoewel mijn ouders er geen moeite mee hadden, koos ze toch voor een knappere Nederlander!
Een prachtige muzikale herinnering aan kamp Lunetten: ‘Barak 23’ van Jimi Belmartin
Wij hebben de Molukkers uit Cuijk goed leren kennen. Niet alleen de familie Pesulima, maar ook andere wijkbewoners, die door de Overheid in een wijk, waren ondergebracht. En dan spreek ik van de jaren 1970-1985. Pieter en zijn gade Willy hebben veel betekend voor de samenleving en samenwerking tussen de Molukkers en Nederlanders/Cuijkenaren.
Zij hebben zich ingespannen om jongeren te binden in culturele activiteiten.
Ze stichtten een muzikale groep, die onder de naam BLACK AND WHITE GENERATION, concerten hebben geboden in de Streekschouwburg van Cuijk en de regio.
Eén veertigtal jongeren, waaronder mijn gade en ik, hebben en de repetitie en de concerten altijd zeer gewaardeerd en op deze wijze de Molukkers en hun vriendelijkheid leren kennen. Ons is niet ontgaan, dat ‘de tweede generatie’ opgekomen is voor hun ouders die beloofd zijn, terug te keren naar ‘hun Molukken’.
Hun verhaal was niet aan dovemansoren.
Met veel waardering, kijken we terug op dat tijdperk, dat ons heeft ‘gevormd’. We hebben met de Molukkers getafeld, gesproken en geluisterd en gezangen met hen gedeeld.
Daarvoor dank; heel véél dank.
(2) AANVULLING
‘Black and Whitegeneration’, Cuijk.
Na lezing van andere bijdragen
in Brabant Cultureel, wil ik graag,
mijn eerdere bijdrage, ‘verdiepen’.
Opmerkelijk vond ik, dat de familie Pesulima zo’n gastvrijheid aan de dag legde; niet alleen in Cuijk, maar ook in Gennep, waar ook toentertijd Molukkers zijn neergestreken.
Pieter Pesulima was hun dominee,
dus van ‘Protestantse huize’; de Molukse bevolking nam uit de Molukken,
hun religie mee.
De religieuze leiders hadden aanzien;
er werd naar hen geluisterd.
Pieter en Willy kregen de kans om:
voor maatschappelijk werker te studeren.
Een terechte kans.
Ondertussen zetten ze drie kinderen op de wereld; 1 dochter en 2 zonen, die even zo gastvrijheid boden, als hun ouders.
Ik herinner me, dat een van de zonen,
het onderwijs ambieerde, de dochter heeft haar artistieke kwaliteiten, aan de dag gelegd.
Bijzonder vond ik het, dat de jongste, zo benieuwd was naar de geboortegrond van zijn vader, dat hij een reis boekte naar
‘de Molukken’.
Tot slot, wil ik in herinnering,
melding maken van het repertoire
van het door Pieter opgerichte zangkoor:
‘BLACK and WHITE GENERATION’.
Het was een Gospel en Spiritualkoor.
Er werden 2 Elpees opgenomen.
De begintune was:
‘GIVE ME THAT OLD TIME RELIGION’.
Muziek en Zang hebben
de Molukse/Cuijkse jongeren
en mij heel veel gebracht.
Zowel cultureel als muzikaal.
Maakte deel uit van: Het Nijmeegs Mannenkoor, de Karawanken uit Uden,
de Maessangers uit Grave, de Karawanken uit Uden en Canthonis uit st.Anthonis met divers repertoire.
Nu, als 80-jarige, spreek ik met graagte, een dankwoordje uit voor de vriendschap, die ik heb genoten met de (zingende) Molukkers uit de regio Cuijk en Gennep.