In de wintertuin staat de kraal open, het poortje ligt opzij gevallen als een lamme vleugel en het hek hangt zwaar aan zijn vermoeide palen, het kan elk moment inzakken, voorover vallen. Uit de grond zijn verwilderde plukken onkruid opgeschoten. De bodem ligt bezaaid met bruin en mossig herfstblad dat nooit is weggeveegd.
kort verhaal door Stijn van der Loo •
Waarom ben ik bedrukt? Quare tristis es, anima mea, et quare conturbas me? Waarom ben je triest, mijn ziel, en waarom verwar je mij? Achteraf zal ik zeggen: zie je wel, het was een voorgevoel. Ik wist het! Dat is het probleem met intuïtie, je voelt dat er iets aanstaande is, maar pas achteraf weet je waarover dat gevoel ging. Het helpt je niet om de rampspoed af te wenden, wil ik maar zeggen, om het lot tegen te gaan. Dat voltrekt zich hoe dan ook.
Ik staar de verlaten ren in. Ooit leefden hier elf konijnen en drie kippen. Ze rauschten rond, soms achter elkaar aan, het was een levendige boel, vooral als je eten kwam brengen. De kippen posteerden zich bij het konijnenvoer en pikten de konijnen weg, ze wilden het zelf hebben. Onstilbare schrokoppen met hun dominante karakters. We moesten ze tijdens etenstijd opsluiten in hun eigen hok. Grote onverdraagzame dames. Eerst moest je ze met hun eigen voer hun kleine hok binnenlokken, al die dames met al die veren en gedoe, dan hup, de knip erop en daarna pas die schichtige konijnen hun voer brengen. En dorst dat die hadden! Het was geweldig lief hoe ze elkaar verdrongen bij het lurkrietje van de drinkfles als je net had bijgevuld.
Nu dan, die zwaarmoedigheid, vanwaar? Het komt met de leeftijd, vermoed ik. Op een goed moment ben je alleen nog maar je eigen promotor. Als je jong bent heb je mensen om je heen die je ondersteunen en stimuleren, je ouders, wat leraren, opdrachtgevers of anderen die prachtig vinden wat je maakt, niet zelden hormoongedreven, want je bent jong en dus mooi, maar als je ouder wordt ben je op het laatst alleen nog maar zelf over als fan, bewonderaar, geïnteresseerde. Je kinderen moeten niks hebben van de dingen die jij zit te maken. Zij hebben hun eigen weg te gaan en moeten zich lossnijden van die ouwe eik die jij bent. Het is iets universeels, een natuurwet. Al dat overschaduwend bladerdak, ze moeten eronderuit! Hun eigen zon pakken. Bovendien: welk kind weet precies wat zijn vader uitvoert? Ja, iets met muziek, iets met schrijven. Iets achter zijn computer… Sst! Papa is aan het werk. Daar blijft het bij.
Je partner heeft het ook wel gezien en hoeft er niks meer over te horen, die klaagzang van miskenning en worsteling en zo. Hooguit uit beleefdheid leest ze je boeken, maar verder heeft ze haar eigen ontsnappingsroutes uit de verstikkende omarming van het leven met een kunstenaar, die altijd zo met zichzelf bezig is, in zijn eigen hoofd en wereld. Dus op het laatst sta je alleen. Het is niet anders.
De fondsen denken op een goed moment ook: die moet zijn eigen broek nou maar eens gaan ophouden. We zijn er voor talentontwikkeling, hè, niet om een bejaarde kunstenaar te onderhouden! Had je het eerst nog van je charme, ook die tijd is voorbij. Nu niet meer komen bedelen met je pislucht, ouwe, maak er nou maar eens een ordentelijke winstgevende business van, zonder zeuren. Wij gaan door met jongeren. Dat is ook veel lekkerder ondersteunen. Frisser. Ze zijn mooi en onzeker, dat is een heerlijke grond om te mogen helpen ontginnen, ook bevredigend voor de weldoener zelf.
Ik trek wat onkruid uit de grond. De konijnen zijn een voor een gestorven, dat had allemaal een snellere omlooptijd dan we hadden kunnen denken, door omstandigheden of een enkele vos of roofvogel en de hond van de buren. Ook de kippen zijn zoetjesaan stuk voor stuk verscheiden. Misschien een sluimerende ziekte, of een kouwtje, of eentje van eenzaamheid, dat zagen we voor onze ogen gebeuren. Haar maatje was dood en ze kwijnde weg. Op een goed moment hadden nog maar één kip, een krielkipje, de allerlaatste in die grote ren. Waar is ze gebleven?

Zouden fondsen trouwens ook erotische dromen hebben, denk ik ineens, over al die prachtige jonge en mooie kunstenaars die zij met hun geld kunnen overgieten en waar die heerlijke dankbaarheid erotisch uit opdampt? Fantasieën over waar dat mogelijk allemaal toe zou kunnen leiden? Je kunt het je wel voorstellen wat een paradijselijke lusthof er bij elkaar gefinancierd kan worden, om je lippen bij af te likken zo vulgair. Het moet haast wel. Geld en lust zijn nou eenmaal diep met elkaar verweven. Het geile cultuurfonds, daarin is in ieder geval geen plaats voor een bejaarde.
Ons laatste kippetje was zo’n aardig beestje. Met kittig koppie en een parmantig loopje, zoals ze voortsnelde door de tuinen en gave bruine eitjes lei, om op te vreten gewoon. Ons scharrelste scharreltje. Van de ene tuin in de andere ging ze en al gaven wij haar niet vaak voer: het deerde haar niet. Ze vond wat ze nodig had blijkbaar tussen het tuingras waar ze dag in dag uit in pikte. ’s Nachts kroop ze in haar hok in die ruime ren op stok en ’s ochtends was ze alweer in alle vroegte op rak. Soms verwelkomde ze de dag door als een klein haantje bovenop het dak van het kippenhok te staan kukelen. Een zelfredzaam stoer wijffie. Een hanig krieltje. Als ik haar hoorde dacht ik: verrek, ze leeft nog! Meermaals moesten we zoeken waar ze nu weer haar nest had. Dan vonden we na anderhalve week onder een heg een kuiltje met zeven eieren, bijbels getal. Scharreler dan zij bestond niet. En tot laat in de herfst kon het gebeuren dat ze op haar nest ging zitten en er niet af wilde. Dan was ze broeds. Dan zat ze die serie onbevruchte eitjes van haar uit te broeden. Zoveel natuurkracht manifest in dat kleine beestje, borst vooruit, onversaagd. Ik mis haar.
Ik kijk in het kippenhok binnen en veeg het oude stro weg, het is zwart van het vuil. Kom op. in het kleine schuurtje vind ik nog nieuw stro. Ik spreid het netjes uit in het kippenhok, op de entresol waar ze haar stok had en haar eieren soms nog legde. Quare tristis es, anima mea.
Daar sta je dan, Gulleman. Nog steeds vol van jezelf, maar genegeerd door de rest. Had je maar meer succes moeten hebben, had je maar ‘binnen’ moeten zijn. Laten we zeggen dat er misschien over twee generaties eens een neef of nicht is die in de annalen duikt en mij tevoorschijn trekt. Leuk voor een dissertatie of een eigen spoortje, want het is heerlijk om op een bepaald moment in je leven iets met je afkomst te doen. Niet te vroeg, pas tegen de veertig, als er al kinderen zijn en het leven langzaam uitzichtloos wordt. Dan is ineens die uitbreiding naar vroeger eeuwen en generaties dringend gewenst. Wat ruimte in de beklemming van de fuik waarin het leven je duwt. Dan kan mooi die curieuze oom worden opgediept met al zijn liedjes en muziekjes en korte verhalen en een handvol romans, een leuke rijke bron voor het een of ander. Een scriptie of opstel, als die dingen dan nog bestaan.
Nu sta ik hier, alleen en losgezongen van allen die mij lief zijn en die mij misschien ooit bewonderden, te denken over werk waar niemand op zit te wachten, of nou ja, die verre achterachterneef of -nicht dan, die ooit dat materiaal zou kunnen willen opgraven. Ik werk dus voor mijn nalatenschap. Dan wordt het ook tijd om die nalatenschap eens wat beter te organiseren. Kom op, Gulleman, archiveren! Hupsakee. Muziek opnemen die nog opgenomen moet worden. Groeperen wat bij elkaar hoort, afwerken van losse flarden. Het wordt tijd om te consolideren, zo is dat. Oude bestanden overzetten voor ze door voortschrijdende technieken onleesbaar zijn geworden, en misschien moet ik meteen ook wat zakelijker worden. De stichting laten runnen door de jongere generatie, dat kan ik toch ook? Waarom zouden alleen de fondsen in die vijver van de sexy jeugd mogen vissen? De uitvoering van de projecten meer en meer overdragen, zodat ik zelf ook de tijd krijg om met die grote archivering aan te vangen. Spera in deum! Quoniam ad huc confitebur illi, salutare vultus mei. Blijf hopen op God, want ik zal Hem weer prijzen. Hij is het heil van mijn aangezicht.
Komaan, ik trek de omheining overeind, kop op jongen, en zet het scheefhangend poortje weer op zijn plek. Hij laat het zich gelaten doen, zoals dat een bejaarde betaamt. Het Grote Archief! Toch nog een groots plan, op de valreep. En aangezien niemand mij ziet of belt of zich interesseert in wat ik zit te doen, kan ik rustig zeggen dat ik heden, op de eerste dag van het nieuwe jaar, oog in oog met de verlaten ren, de aftrap heb gemaakt van de aanleg van Het Grote Archief. Het geeft me warempel energie, wie had dat verwacht. Ik dacht dat het oudjaar, dat als een nachtkaars was uitgegaan, het nieuwe jaar zou inluiden met een rokende lont, dat alles al was opgebrand voor aanvang, maar nee! Ineens vlamt het oude vuur op. Spera, spera!
Ik pak een hark en veeg de bladeren en het uitgetrokken onkruid op een hoop. Het knapt er meteen van op, van de ordening, kijk maar: hier de grond, daar een mooie stapel donkerbruin blad met verse groene scheuten ontworteld en stervend onkruid.
Het archief dus, dat wordt het. Misschien moet ik er zelfs een documentaire van maken: The artist as a young man en The artist as an old man, bij leven en relatief welzijn. Dan al die werken. Ik zeg: een serie oratoria, een serie concertinleidingen, een serie culturele filmportretten, een vertalersgalerij. Een podcast met korte verhalen. Een serietje met klassieke composities, uit te breiden zolang ik nog adem heb. Een mooie serie Antwerpse liederen, nog een roman of drie. Misschien die animatietak opzetten, toch. In een ruim en levendig atelier vol jonge mensen die hun ding doen binnen mijn kaders, binnen des stichtings kaders. Een werkplek en woonplek. Wat werk in opdracht tussendoor. Laat stromen wateren.
Ik sta overeind om even uit te puffen. Het werkt zo opwekkend, dat werken in de tuin! En frisse adem stroomt door mijn lichaam, ik geef het toe, ik sta te hijgen als een molenpeerd. Een paar keer bukken, jaja, Gulleman, wat beweging kan geen kwaad. Auw, mijn rug. Dat nieuwe hooi, het harken van bladeren, vergeet niet dat je al oud bent, Gulleman. De dingen gaan meer tijd kosten. Niet alleen vanwege je beperkte energie en je pijntjes. Ook maatschappelijk: je komt op de laatste plaats. Wachten wordt het woord waarmee we leven, onze belangrijkste staat van zijn. In de zorg, sowieso, een bejaarde kan nooit haast hebben. Hij heeft toch pensioen? Nou dan. De oncologen hebben wel veel haast, en tijd tekort. Ze rennen van hot naar her, om hun maatschap te vullen met lucratieve klussen, die hebben nog maar zelden tijd voor een eenvoudige kankerlijdende bejaarde. Die mag wachten. Tumoren groeien toch niet meer zo snel op latere leeftijd, hè. Of de andere specialisten, die zijn over het algemeen ook meer met zichzelf bezig dan met de ander, zeg: de patiënt. Het zijn wat dat betreft net kunstenaars. Ze geven hun eigen leven vorm, daarmee zijn ze druk in hun hoofd, ze zijn bezig ruimte te creëren voor zichzelf en hun eigen gezinnen, echtgenotes en maîtresses. Ze sparen voor hun eigen saunaatje in huis, hun hot tub, hun zwembad, dat is weer hun vervulling, hun persoonlijk Maslowvlierinkje, hun zelfvervulling: lekker genieten, veel skiën, veel vrij, en snelle lucratieve klusjes tussendoor, wat consultancy, je ziet het voor je. Daarin heeft de bejaarde niet echt een plaats, in die snelle wereld, hij komt op de laatste plek, achteraan de rij. Hun wachtkamers zitten vol met wachtende bejaarden. Nou, laat ze maar wachten, het woord zegt het al, wachtkamer.
Ik bekijk de kraal met lede ogen, die bejaarde, zoals hij welwillend weer overeind staat, tot de volgende flinke windvlaag. Een keer zal hij wel omstorten, voorover kiepen. Dat komt, het zal niet lang meer duren. En mijn lijstjes zijn mijn bezweringen. Ik heb ze nodig om in alle treurnis toch nog iets voor elkaar te kunnen krijgen. Zorg dat het er komt, Gullie, dat is je enige taak. Tegenin de faalangst, tegenzin, wanhoop, lamlendigheid, tegen sterfelijkheid en miskenning en ouderdom en kwalen en traagheid en wachtrijen en waanzin. Zorg dat het er komt. Dan ben je gered. Het ene na het andere, een onophoudelijke stroom van taken, mijn vlotten in de ijszee, mijn leuningen in de misselijkmakend golvende vloeren van het Lunapark van het leven, mijn bakens in een wereld van mist. Mijn hek rondom het lege kippenhok van mijn hart. Zoiets. Mijn houvast. Quare tristis es, anima mea?
Als ik aan ons kippetje terugdenk krijg ik een brok in mijn keel. Zo was ze weken weg en dan ineens hoorde ik haar weer kukelen of tokken, vlakbij, naar mij, met een duidelijke bestelling: ‘hé daar! Mijn voer alstublieft! Of moet ik het weer elders gaan zoeken?’ Om mij te laten begrijpen wat zij met haar kukeltok bedoelde, snelde ze voor me uit in de richting van het kleine schuurtje waar ze haar voer wist. ‘Daar, zie je wel, je snapt me wel, toch, vreemdeling die traag is van begrip?’ In gedachten hoor ik haar luid kukelen. Maar plotseling hoor ik het geluid in het echt, en wel van vlakbij. Ik kijk om mij heen, door mijn door tranen omfloerste blik en zie haar staan. Is het echt? Ja hoor! Bovenop haar door mij schoongemaakte hok, op de nok, borst vooruit als het haantje dat ze kan zijn! Verrek, ze leeft nog! Parmantig als altijd, niets geleden, God mag weten hoe ze dat voor elkaar krijgt, die overleving van haar. Ze kakelt en kukelt vrolijk en ook wel wat ongeduldig. ‘Kom eens op met je voer! Ik heb trek!’
Ik snel naar het kleine hok – ze sjeest me al vooruit door de wintertuin – en pak daar de grote zak voer, sleep die mee naar de kraal en giet hem helemaal leeg in een grote berg op de open plek tussen de weggeveegde rotte bladeren en het jonggesnoeide onkruid. Ze begint meteen te pikken. Overdaad! Paradijs! Spera!
Dat zouden de fondsen moeten doen! De overlevenden – hoe hebben ze het voor elkaar gekregen, toch niet met onze in de tijd zuinig toegeworpen aalmoesjes? – overgieten met beloning, ruimhartig, brok in de keel, een grote berg, genoeg voor jaren! Al die ouwe kunstenaars die God weet waarvandaan uit de struiken gewankeld komen. Ze zijn er nog! Verrek! Ze leven nog! Want ben je nou een fonds of niet?
‘Alsjeblieft, meissie’, zeg ik, tranen in mijn ogen. Ze gaat ongestoord voort met pikken. Geen uitgebreid dankjewel, en dat hoeft ook niet! Geven is niet uitgebreid dankjewel verlangen. Wat denk je wel? Met je stiekeme erotische fantasietjes. Geven is: onbaatzuchtig geven. Zo maak je overleving mogelijk, nieuwe projecten, je verwacht geen dankjewel, je verwacht niets voor jezelf. Het is misschien niet makkelijk, vraagt een cultuuromslag. Onbaatzuchtig geven, probeer het maar eens, het maakt bescheiden.
Ik neem mij voor om meteen vanmiddag nog een nieuwe zak voer te halen. En dan weer een en weer een. Ik ben haar fonds. Een zuiver fonds. Onze kip heeft mij geleerd wat onbaatzuchtigheid is. Nu zal ik ook weer gaan geven wat in mij is, mijn talent dienen, de wereld dienen met werk waar niemand op zit te wachten, maar wat toch dient te worden gemaakt, enkel en alleen omdat ik er ben en heb overleefd. Mijn zijn is mijn reden van bestaan, en zo zal ik voortgaan, ook al zijn er te weinig kijkcijfers, verkoopcijfers, maatschappelijke actuele relevantie. Het doet er niet toe! Ik ben dus ik creëer, het zit in mijn aard. ik ben een kippetje dat zich als een haantje gedraagt. Dat is mijn parmantige eigenheid. En ik wil voer. ‘Hé daar! Mijn voer alstublieft! Je snapt me wel, toch, vreemdeling die traag is van begrip?’

Stijn van der Loo (Eindhoven 1963) was enige tijd redacteur van het literaire katern van Brabant Cultureel en brak in die tijd door als romanschrijver. Behalve auteur van romans, korte verhalen en theaterteksten is hij ook componist. Als tekstschrijver/componist kreeg hij de Zilveren Harp van Conamus voor zijn liedjes, waarna hij als componist jaren samenwerkte met Huub Oosterhuis. Tegenwoordig componeert hij ‘klassiek’. Deze zomer verscheen bij uitgeverij Querido zijn roman ‘De strijd van Gulleman’.
‘Ik mis onze kip’ is een deel uit een serie verhalen over Gulleman op Brabant Cultureel
© Brabant Cultureel 2026
