Piekbuien en langdurige droogte vormen een nieuwe uitdaging waar we als samenleving voor staan. Met water leven we in Nederland al eeuwenlang, aan droogte moeten we nog wennen. Instellingen die daarbij een cruciale rol spelen zijn de waterschappen en voor wie niet in een polder woont, zijn dat vaak nogal abstracte instanties. De ‘Historische waterschapsatlas’ kan daar verandering in brengen.
door Lauran Toorians
Ondanks dat Noord-Brabant aan drie zijden wordt begrensd door water en de provincie wordt doorsneden door nogal wat beken zal water zelden de eerste associatie zijn die deze provincie oproept. Voor zoiets als wateroverlast denken we vooral aan de lage delen van West- en Noord-Nederland en als er al een probleem is, lijkt het eerder te gaan om droogte. Toch klopt dat beeld niet. Naar aanleiding van de watervloed die in juli 2021 grote schade aanrichtte in Valkenburg, maar ook elders in Limburg, in de Eifel en de Ardennen, is onderzocht wat vergelijkbare piekbuien (‘grootschalige extreme regen’) elders in Nederland kunnen aanrichten. De kans op dergelijke buien neemt immers toe en ze kunnen zomaar ergens vallen. De resultaten van dat onderzoek zijn eind oktober 2025 gepubliceerd in een rapport met daarin enkele kaarten die voor Noord-Brabant best verontrustend mogen heten.

Brabantse steden langdurig onder water
Bij extreme regen (200 millimeter in 48 uur in een hele regio) lopen alle Brabantse steden het risico ‘langdurig’ (meer dan een week) blank te komen staan, met waterdieptes tot op sommige plaatsen wel twee meter. Vooral Breda, Eindhoven en ’s-Hertogenbosch liggen dan in risicogebied. Natuurlijk gaat het hierbij om ‘kans op’ en is de kans klein dat die ene piekbui juist op de ongunstigste plaats valt. Maar het is belangrijk voorbereid te zijn, want niemand wil meemaken wat Valkenburg in 2021 overkwam.
Velen zullen ook de iconische foto van surfer Max van Noorden (1964-1998) op de A2 bij ’s-Hertogenbosch nog op het netvlies hebben. Hij maakte die foto op 5 februari 1995 nadat door hevige regenval in het stroomgebied van de Dommel het Bossche Broek was ondergelopen en overstroomde. Ook in de grote rivieren stond het water toen zo hoog dat een kwart miljoen mensen en een miljoen dieren werden geëvacueerd uit het Gelderse rivierengebied. Die bijna-ramp gaf aanleiding tot een Deltaplan Grote Rivieren, met het uitvoeringsplan Ruimte voor de Rivier dat begin 2019 werd afgerond.
Dit liet nog maar eens zien dat voor Nederland de (grote) rivieren – en regen – minstens zo’n grote bedreiging vormen als de zee. Nu weersextremen met piekbuien en langdurige droogte steeds frequenter voorkomen, staan we voor een uitdaging die vraagt om opnieuw een ‘deltaplan’. Natuurlijk zijn het de steden (en gemeentes) die zich op dergelijke calamiteit moeten voorbereiden, maar overkoepelend spelen de waterschappen een belangrijke rol. Dat zijn in Noord-Brabant van west naar oost de waterschappen Brabantse Delta, De Dommel, en Aa en Maas. Instellingen die veel mensen vooral zullen kennen doordat we er belasting aan betalen en we er tegelijk met de verkiezing voor de Provinciale Staten ook de besturen voor mogen kiezen. De onlangs verschenen Historische waterschapsatlas kan helpen om het bewustzijn op dit gebied wat op peil te brengen.
Nederland was een kustmoeras
Al eeuwenlang graven mensen sloten om water af te voeren en al in de Romeinse tijd werden er kanalen gegraven, dijkjes gebouwd en uitwateringssluizen (‘duikers’) aangelegd. Al die tijd bestond Nederland voor een groot deel uit een hoogveenmoeras dat werd doorsneden door enkele grote rivieren en dat van de zee was gescheiden door een rij lage duinen. We spreken dan van de delta, maar misschien is kustmoeras een betere term. Rond het jaar 1000 begonnen mensen in dit moeras door te dringen en delen ervan bewoonbaar te maken. Dat betekende ontwateren en beschermen tegen overstromingen. Al snel ging dat gepaard met het bouwen van dijken – in eerste instantie nog laag en klein – en dat maakte samenwerking noodzakelijk.

Ook op de hogere zandgronden waar aan de beken vaak op meerdere plekken achter elkaar watermolens kwamen, was samenwerking van belang. De molens stuwden water op waardoor het achterland natter werd, de doorstroming moest worden geregeld zodat elke molen kon draaien en vaak moesten er ook maatregelen komen om de doorvaart open te houden. En dan werd er natuurlijk op de beken ook nog gevist. Om dat allemaal in goede banen te leiden, kwamen er regels. En met regels en samenwerking kwamen er instanties die daar toezicht op hielden. Dergelijke organisaties bestonden in allerlei vormen en onder allerlei benamingen, maar wij kennen ze nu als waterschappen. De eerste grote waterschappen in Nederland ontstonden al in de dertiende eeuw en behoren daarmee tot de oudste bestuursorganen in ons land.
De Ramp van Nieuwkuijk
De Historische waterschapsatlas laat deze ontwikkeling zien. Ook Noord-Brabant kende al lang waterschappen. In 1309 gaf Jan II, hertog van Brabant, de aanzet tot het oprichten van de Polder van der Eigen ten noordoosten van ’s-Hertogenbosch. Deze polder omvatte delen van Orthen, Rosmalen en Nuland. Andere polders in de Maaskant volgden snel. Het bedijken van de rivieren betekende ook dat deze bij een grote toevloed van water door die dijken dreigden heen te breken. Bij de Maas werd hierop ingespeeld door bij Cuijk en Gassel een deel onbedijkt te laten zodat de rivier daar overtollig water kon lozen. In de latere middeleeuwen ontstond hieruit de Beerse Overlaat, een laag dijkdeel bij Beers. Wanneer hier de Maas overstroomde, ontstond een parallelle rivier, de Beerse Maas, die door de Maaskant naar ’s-Hertogenbosch stroomde. Grote gebieden kwamen daarmee vaak jaarlijks een tijd onder water te staan.


Als alles goed ging, stroomde het water van de Beerse Maas bij de monding van de Dieze weer in de Maas terug. Maar wanneer het Maaswater hoog stond, kon dat niet en kreeg ook de Langstraat een watermassa te verduren. Daar werd in 1766 de Baardwijkse Overlaat ingericht die het water naar het Oude Maasje moest leiden. Dat ging grondig mis in de winter van 1880 toen de Heidijk onder Vlijmen doorbrak en Nieuwkuijk, de oostelijke Langstraat en het Land van Heusden en Altena onderliep. Deze ‘Ramp van Nieuwkuijk’ kostte twee mensen en ongeveer vierhonderd dieren het leven en bracht veel schade toe aan huizen en landbouwgrond. Als reactie hierop maakte men een plan om de Maas een nieuwe monding te geven waardoor deze rivier sneller kan afwateren naar zee. Dat werd de Bergsche Maas die in 1904 werd voltooid.

Van meer dan duizend naar eenentwintig
Deze verbeterde afwatering van de Maas zorgde er weer voor dat het Helvoirts Broek en ook andere natte delen van de Meierij konden worden drooggelegd en de beken sneller konden afwateren, wat prettig was voor de akkerbouwers. Maar eigenlijk alles wat we met water in ons land doen, heeft onvoorziene consequenties doordat ook de omstandigheden steeds veranderen. Sinds er polders zijn, zakt in de lage (veen)gebieden de bodem gestaag en onstuitbaar verder en nadat we alle beken hadden ‘genormaliseerd’ om ze sneller te doen afwateren, hebben we nu ook regelmatig periodes van langdurige droogte en is het juist van belang het water juist niet snel te laten weglopen naar zee. Bovendien is al sinds de Deltawerken het besef doorgedrongen dat ingrijpen in de waterstaat niet alleen iets is voor techneuten, maar dat ook ecologie en algemeen welzijn (recreatie) een belangrijke factor zijn.

Om al deze uitdagingen het hoofd te bieden, zijn in de afgelopen halve eeuw enorme aanpassingen doorgevoerd in de wereld van de waterschappen. Waar Nederland in de jaren zestig nog meer dan duizend waterschappen telde, zijn er nu nog eenentwintig die samen heel Nederland bestrijken. Ze hebben democratisch gekozen besturen en zijn ook verantwoordelijk gemaakt voor de rioolwaterzuivering en de kwaliteit van het oppervlaktewater. Alleen de zorg voor de grote rivieren en de zeeweringen vallen buiten hun verantwoordelijk. Die ligt bij Rijkswaterstaat. Naast deze directe zorg voor waterveiligheid hebben waterschappen dus meer verantwoordelijkheden. Door hun vaak lange geschiedenis hebben zij de zorg voor historisch erfgoed en ze zijn op hun terreinen ook natuurbeheerders.
Niet alleen meer voor de boeren
Een tweede belangrijke verandering is dat waterschappen eeuwenlang vooral de belangen van boeren dienden. Dat was lang geen probleem. In het buitengebied woonden nu eenmaal vooral boeren en het ging vooral om het beheer van het grondwaterpeil en de waterhoogtes in sloten en andere watergangen. Hoofdzaak was bijna altijd het afvoeren of buitenhouden van water. Tegenwoordig is de situatie veel complexer en spelen er vaak diametraal tegengestelde belangen. Kenmerkend voor de omvang van die problemen is misschien wel dat zelfs in een land met zoveel ervaring in het waterbeheer de kwaliteit van ons oppervlaktewater niet voldoet aan huidige Europese normen. We doen het goed, maar het kan dus nog beter. En omdat we voor die waterschappen betalen en stemmen, is het goed er wat meer van te weten.

Paul Brood & Petra van Dam (red.), Historische waterschapsatlas. Acht eeuwen omgaan met het water. Zwolle: WBooks 2025, 208 pp., ISBN 978-94-625-8732-8, hb. € 39-95.
klik voor Inkijkversie
Lees hier het rapport ‘Landelijk waterbeeld grootschalige extreme regen’
© Brabant Cultureel 2025
