Peter Thijs kwam als een komeet de kunstwereld binnendrijven (deel 1)

Column door JACE van de Ven

Tussen 1970 en 1980 had ik veel contact met Peter Thijs (Heeze 1950) die toen als een komeet de kunstwereld binnendreef. Hij won zowel in 1976 als in 1977 de Koninklijke Subsidie voor Schilderkunst, in 1977 en 1979 de Europaprijs voor Schilderkunst Oostende en in 1979 de Willink van Collenprijs. Tussen 1974 en 1982 reisde zijn werk mee in diverse tentoonstellingen die door het Ministerie van CRM aangeboden werden aan culturele centra in den lande. Als hij exposeerde was steeds binnen een uur al zijn werk verkocht. Banken en grote bedrijven belegden in kunst van Peter Thijs.

En dan, in 1982, wordt hij opeens docent tekenen en grafiek aan de Eindhovense Akademie, nu Design Academy Eindhoven. Hij doet de vormgeving voor een uitgeverij en neemt nog opdrachten aan als grafisch vormgever en illustrator/schilder, maar van autonoom schilderen is enkele decennia lang nauwelijks sprake.

Als hij exposeerde was steeds binnen een uur al zijn werk verkocht.

Ik spreek hem in november 2025, vijfenveertig jaar nadat ik hem uit het oog verloor. “Die schildercarrière van jou”, vraag ik. “Hoe is die verder gegaan na 1980?” Hij glimlacht vaag en schudt na enige tijd het hoofd. “Noem het een grote klucht als je wilt, of een treurspel, dat mag ook.” Ik kijk verbaasd en hij legt uit: “Die klucht is de zoektocht naar de betekenis. Wat is kunst, wat is vorm en wat hebben ze met elkaar? De acteurs zijn voornamelijk mensen. De hoofdrolspeler zoekt naar de ware betekenis, krijgt tegenspel, maar ook medestanders. Sommigen noemen het religie, ik noem het geloof.”

Volgt een gesprek waaruit blijkt dat ik en veel anderen tot 1980 weliswaar tegen hem opkeken, maar dat hij zelf geen enkel vertrouwen had in de waarde van het werk dat hij maakte. Ik vind dat hij veel te negatief doet over zijn schilderwerk tot 1980.

Schilderen is voor Peter Thijs een absolute levensnoodzaak

Schilderen is voor hem een levensnoodzaak. In zijn leven kwam hij herhaaldelijk in een depressie terecht, dan lag hij maanden op de bank. De enige manier om eruit te komen, bleek schilderen. Hij heeft het altijd gedaan, al tijdens zijn jeugd in Eindhoven. Op de lagere school haalde hij een tien voor tekenen. En al vlug daarna ging hij schilderijtjes maken. Dat waren meestal nageschilderde reproducties. “Die waren helemaal glad, zonder textuur”, zegt hij. “Ik kende de kunst alleen via reproducties en dacht dat schilderijen glad waren. Ik schilderde ook portretten, maar ook via reproducties of foto’s, echte mensen durfde ik niet aan te kijken.”

“Hoe was jouw jeugd?”, wil ik weten. De vraag emotioneert hem bovenmatig. Het net begonnen gesprek valt even stil. Zijn werk mag in beeld, maar hij zelf liever niet, geeft hij aan. Toen er ooit plannen waren om een film over zijn kunstenaarschap te maken, vroeg de regisseur hem: “Wat is jouw verhaal?” Ook toen sloeg hij dicht en de film ging niet door. Ik laat het bij zijn kunst.

“In mijn jeugd had ik een verknipt beeld van kunst”, vindt hij nu. “Ik schilderde op een manier zoals tegenwoordig kleurenprints gemaakt worden. Als dertienjarige fietste ik van Eindhoven naar Nuenen om de watermolen van Vincent van Gogh na te schilderen, maar eigenlijk vond ik er niks aan, ik dacht dat het erom ging om een mooi plaatje te maken. Het gras was veel te groen en de lucht zag ik alleen maar wit. Ik durfde dat niet te veranderen.”

“Dat realisme is altijd wel een handicap bij mij gebleven. Toen ik jong was, schilderde ik dingen na en mijn vader verkocht ze. Hij vroeg vaak om nieuwe schilderijtjes. Die maakte ik dan, maar dat er ook nog een diepere betekenis achter kon zitten, aan een interpretatie van de werkelijkheid, daar kwam ik niet aan toe.”

Om zijn tekentalent ging hij na de HBS op zijn zeventiende naar de Academie voor Beeldende Vorming in Tilburg. Daar werd hij twee jaar later vanaf gestuurd, omdat er in zijn studentenhuis – hij was huurder en dus verantwoordelijk – een drugsfeest was gehouden waarbij de politie was binnengevallen. Om aan geld te komen vond hij daarna een baantje als reclameontwerper van de Willem II Sigarenfabriek. “Vooral vrouwen moesten aan de sigaar gebracht”, herinnert hij zich.

Conceptuele kunst, ik snapte er niks van

In 1971 begon hij toch weer te studeren. Dit keer aan de Vrije Academie in Den Bosch, grafiek. Hij had daar docenten als Sipke Huismans en Dick Cassée. Die waren niet te spreken over zijn kopieën van de werkelijkheid en het illustratieve werk dat hij maakte en stuurden hem na twee jaar van school.

“Kunst was dingen maken en verkopen. Zo had ik het geleerd. Maar dat was niet genoeg, het ging om de betekenis achter hetgeen je verbeeldde, maar niemand van de docenten heeft me ooit verteld wat dat dan wel was. Conceptuele kunst, ik snapte er niks van. Dus begrijp ik wel waarom ik verwijderd werd.”

Peter Thijs > Interieur met stoel, 1976, olieverf op doek, 150 x 180 cm.

“Maar tegelijk won je de grootste prijzen die je als jeugdig kunstenaar kunt winnen. De mensen in die jury’s daarvan zijn niet de minsten. Die zagen het wel in jou zitten! Wat staat er in de juryrapporten?” Thijs weet niet of er wel juryrapporten zijn. Hij herinnert zich de eerste keer dat hij De Koninklijke Subsidie won. Die werd uitgereikt door toenmalig koningin Juliana. De voorzitter van de jury, Aat Verhoog, vroeg Peter of hij de vorstin wilde vertellen hoe hij schilderde. Peter dacht: ‘Dat weet ik eigenlijk niet.’ Hij stond nog na te denken wat hij zou zeggen, toen Verhoog zei: ‘Hij schildert het licht.’ ‘Dat zal dan wel’, dacht Peter.

Uitreiking van De Koninklijke Subsidie. Van links naar rechts: Koningin Juliana, juryvoorzitter Aat Verhoog en Peter Thijs.

Opmerkelijk is dat in een folder bij de exposities van het Ministerie van CRM zijn werk ook zo beschreven wordt. Het gaat om het schilderij ‘Zanussi portable against curtain’ (1977). Er staat: ‘Als Peter Thijs licht schildert, doet hij dat traditioneel, d.w.z. hij schildert de zichtbare werkelijkheid op een makkelijk herkenbare manier. Wat echter nieuw is, is zijn onderwerpkeuze, het gaat hem om verschillende soorten licht en hij geeft ze weer met een minimum aan verhaal. (…) Zonder de – immateriële – soorten licht te benoemen, maakt hij duidelijk dat het heldere schijnsel van buiten het wint van het tv-licht, dat wordt opgelost. Contrasten en overgangen tussen dag- en kunstlicht zijn thema van het werk.’

Peter Thijs > Zanussi portable contra gordijn, 1977, olieverf op doek, 200 x 160 cm. Collectie > RCE.
Peter Thijs > Samothrace, 1978, olieverf op linnen, 200 x 160 cm.
Peter Thijs > Interior with Zanussi portable tv’s still life, 1977, olieverf op linnen, 180 x 130 cm.

In die omschrijving kan ik me helemaal vinden. En dan nog iets. Dit is conceptuele kunst. Meer moet dat niet zijn. Dat conceptuele is nog veel duidelijker zichtbaar in de marmerschilderijen die Peter Thijs in die jaren maakte. Hij speelt daarin met echt en onecht en laat zien dat je met onecht marmer echte kunst kunt maken. Over conceptueel gesproken.

Peter Thijs > Crossing, 1980 olieverf op linnen, 225 x 225 cm. Collectie > Museum Jan Cunen

Maar zelf twijfelde Peter Thijs aan zijn kunstenaarschap. Misschien kwam dat ook door zijn enorme verkoop. Alles wat hij maakte werd onmiddellijk verkocht. Daar scoorde je in de jaren zeventig al helemaal niet mee: zijn werk was commercieel!!! Peter Thijs raakte ervan in de war, hij voelde zich minderwaardig aan alle anderen die zich rond hem heen met kunst bezig hielden. Het voelde alsof hij was vastgelopen.

Peter Thijs > Zanussi portable/Osram coolwhite still life, 1977, olieverf op linnen, 180 x 130 cm.

(wordt vervolgd)

Reacties (1)

  1. Nico Keuning schreef:

    Mooi, verhelderend artikel.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *