Hubert Claessens speelt bedelaarskoning in ‘waanzinnig interessante Dreigroschenoper’

Het financieel zo bedreigde Opera Zuid laat zien hoe het ondanks beperkte middelen overleeft met een nieuwe productie van de Dreigroschenoper van Kurt Weill en Bertolt Brecht. Onder leiding van Enrico Delamboye, in de regie van Servé Hermans en met in de hoofdrollen bekende namen als Maarten Heijmans, Maartje Rammeloo en de internationaal gelauwerde Hubert Claessens die in een interview zijn eigen visie op het stuk heeft.

door Camiel Hamans fotografie > Bjorn Frins

“In de Dreigroschenoper kan ik als zanger samensmelten met het ensemble. Dat is ideaal. Ik voel me in wezen meer orkestmusicus of dirigent dan zanger. Ik ben tenslotte eerst als saxofonist afgestudeerd en daarna als zanger”, zegt bariton Huub Claessens (1960). “Als je niet meer zeven losse instrumenten en een zangstem apart hoort, maar een eenheid, dat is hoe het moet klinken. Een Frank Sinatra-aanpak. Een goede swing bigband, daar wil ik als zanger graag deel van uitmaken.”

Repetitiefoto Huub Claessens

Huub Claessens, derde-prijswinnaar op het Koningin Elisabeth Concours van 1988, bekroond met de speciale Europese Prijs voor het Lied, met de hoogste aanbeveling van Elisabeth Schwarzkopf, bekend van de Salzburger Festspiele, de Wiener Staatsoper en Théâtre du Châtelet te Parijs waar hij onder Herbert von Karajan de wereldpremière zong van Penderecki’s ‘Die Schwarze Maske’, maar evenzeer befaamd vanwege zijn langdurige verbintenis met het barokorkest La Petite Bande van Sigiswald Kuijken en zijn jazzavonden in Wenen, waar hij al achttien jaar woont, zingt en speelt bedelaarskoning Jonathan Jeremiah Peachum in de nieuwe productie van Opera Zuid. “Echt een driestuiversopera”, citeert Claessens de Opera Zuid intendant Waut Koeken, “voor een gezelschap dat niet meer dan drie stuivers te besteden heeft.”

Waanzinnig interessant

“In de achtenveertig jaar dat ik nu zing, heb ik dit stuk van Weill en Brecht nog nooit gedaan. Vreemd is dat niet, want het is niet echt opera. Het wordt wel omschreven als een toneelstuk met tweeëntwintig zangnummers die ook door acteurs uitgevoerd kunnen worden. Qua partituur en stemvoering is het stuk echter waanzinnig meer interessant dan ik dacht, ontdekte ik toen ik het begon te studeren. Dan weer denk je een stukje Bach te horen en dan weer niet. Het is alsof camerabeelden over elkaar heen schuiven. Er zitten jazzelementen in, maar je herkent regelmatig ook het Duitse cabaret van de jaren twintig.”

“En dat typische ritme.” Claessens tikt en zingt het voor. “Dat is een heel vreemd dansritme, geen jazz. Wat Kurt Weill hier geschreven heeft is uniek. Hoe populair het stuk ook geworden is, het is nooit tot een eigen genre uitgegroeid. Er zitten Amerikaanse motieven in, maar op zijn Berlijns verwerkt. Vergelijk het met de Comedian Harmonists. Wat die zongen was niet echt jazz, maar ook niet musical. Jazz met een Duitse cabarettoets. Het dichtstbij komt misschien nog Leonard Bernstein met zijn musicals ‘Wonderful Town’ en ‘On the Town’. Misschien dat de naoorlogse Duitse swing bigbands hieruit voortgekomen zijn, die van Kurt Edelhagen en Bert Kaemfert. Die hadden een stijvige groove, maar de muziek swingde toch. Willy Schobben met zijn orkest had dat in Nederland ook in het bigbandrepertoire. Ik heb in mijn jonge tijd acht jaar altsax bij hem gespeeld.”

De afspraak met Opera Zuid stond al lang

Voor iemand die al achttien jaar in Oostenrijk woont en daar eind december in de Goldener Saal van de Wiener Musikverein concerteert, lijkt het vreemd dat hij nu terugkeert naar het Zuid-Limburg van zijn jeugd. Het is toeval, legt Claessens uit, dat hij dit voorjaar en deze zomer in de Carmenproductie stond van het Haagse Opera2Day, nu een engagement heeft bij Opera Zuid en aansluitend de rollen van de stroper en de hond zingt in de nieuwe enscenering van Janaceks ‘Sluwe Vosje’ bij de Nederlandse Reisopera. “Andere jaren heb ik veel gezongen in Frankrijk, Duitsland, België en ook Oostenrijk. De afspraak met Opera Zuid stond al lang en ineens kwam daar nu de belangstelling van de Reisopera bij. We hebben enorm moeten passen en meten om alles in elkaar te kunnen schuiven. Bij de Reisopera ben ik, net als hier bij Opera Zuid, overigens vaker te gast. In ‘Bruid te Koop’, de Nederlandse bewerking van Smetana’s ‘Prodaná Nevěsta’, zat ik ook. Zowel het ‘Sluwe Vosje’ als ‘Bruid te Koop’ zijn in het Nederlands vertaald. De dialogen in de ‘Driegroschenoper’ ook. Daarom zijn er Nederlandssprekende zangers nodig.”

Huub Claessens als bedelaarskoning Peachum

“Ik vind het ook wel leuk om weer in Nederland te spelen en de eigen taal te spreken. Bovendien zijn de mensen hier een stuk opener dan in Wenen. Daar speelt hiërarchie een grotere rol en zijn de mensen daardoor veel terughoudender, stijver. Mijn vriendin, die beeldhouwer is en als restaurateur veel opdrachten in het buitenland heeft, merkte dat ook op toen we laatst een weekje vakantie hielden in Zeeland. In Wenen, overigens een heerlijke, ruime stad met een fantastische muziekcultuur, is het veel meer ieder voor zich. In Nederland kun je zo met iemand in gesprek raken, glimlacht bijna iedereen. Als je ouder wordt, is dat belangrijk.”

“Dat ik even wat meer in Nederland ben, biedt me ook de gelegenheid de Wandern-cyclus van Egbert Derix, een componist en jazzpianist uit Horst in Noord-Limburg, met hem overal in het land uit te voeren. Bij deze concerten speel ik ook saxofoon en trompet en kan ik mijn andere kant weer eens laten zien.”

Begrijpen waar het om draait

“Ouder worden hoeft niet altijd achteruitgang te betekenen. Zoals jij net al zei, mijn stem is veranderd, warmer geworden en ik ben blij met dat compliment. Maar wat ik nog veel belangrijker vind, is dat ik nu beter begrijp waar het om draait. Toen ik net begon, nodigde dirigent Kenneth Montgomery me uit voor de veertiende Symfonie van Sjostakovitch. Het stuk heet wel een symfonie, maar is eigenlijk eerder een liederencyclus met teksten van Lorca, Rilke en Apollinaire. Ik moest bij hem thuiskomen en daar zat hij met alle boeken om zich heen. Hij legde me uit hoe Apollinaire zich afzette tegen de l’art pour l’art gedachte van de Parnassiens, vergelijkbaar met de Tachtigers in de Nederlandse literatuur.”

Repetitiefoto Maartje Rammelo en Huub Claessens

“Kenneth Montgomery had dat allemaal gelezen. De symfonie bestond uit veel meer dan alleen noten, liet hij me zien. Hij en Sigiswald Kuijken zijn mijn grote helden. Sigiswald kon zo uit het hoofd de bladzijde noemen uit een dagboek van iemand waarin stond dat een bepaalde passage indertijd zonder vibrato werd gespeeld of gezongen. Die ervaring neem ik nu mee en daardoor begrijp ik de info van vroeger beter. John Bröcheler, de grote bas-bariton, heeft me ooit iets verteld toen ik een jaar of twintig was. Ik begreep er weinig van. Dertig jaar later zit ik achter de piano en studeer een stuk in en bedenk ‘laat ik het eens zo proberen’. Het lukt en ineens begreep ik wat John indertijd bedoelde. Wat ik vijftig jaar geleden leerde bij Mya Besselink aan het conservatorium in Maastricht kan ik nu aanvullen met ervaring en brengt me waar ik gekomen ben.”

Opera Zuid, Dreigroschenoper:
Turnhout Cultuurhuis de Warande 20 november > 20.15
Eindhoven Parktheater 22 november > 20.00
Tilburg Schouwburg Concertzaal 6 december > 20.00
Breda Chassé Theater 10 december > 19.30
’s-Hertogenbosch Theater aan de Parade 12 december > 20.00

Publiciteitsfoto Die Dreigroschenoper

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *