‘De bestedeling’ over kinderveilingen en de paradox van de katholieke caritas

In ‘De bestedeling. De geschiedenis van kinderveilingen’ schetst auteur Menno Lanting de eeuwenlange praktijk waarin voor wezen, vondelingen of mensen waar ‘iets’ mee was een thuis werd gezocht. De goede bedoelingen daarachter bleken vaak op gespannen voet te staan met de kosten. Die waren vaak belangrijker dan de kwaliteiten van het pleeggezin.

door Pieter Siebers

Eerder dit jaar trof ik een jeugdvriend die ik na de lagere school niet meer had gezien. Hij was de jongste van een gezin dat uit elf kinderen bestond. Toen de moeder in het midden van de jaren zestig overleed, hertrouwde zijn vader met een weduwe met zes kinderen. Zij trokken in bij het gezin, in een huis dat weliswaar ruim was, maar aan de krappe kant voor zeventien kinderen, van heel verschillende leeftijd.

Mijn jeugdvriend was in dat gezin enigszins een blok aan het been. Dat wist ik indertijd niet, maar toen we elkaar wat langer spraken, vertelde hij dat zijn ouders hem wilden uitbesteden. Tot tweemaal toe was hij meegenomen naar gesprekken met families die hem wel wilden opnemen. Het kwam er niet van, maar tot op de dag van vandaag bleek de geschiedenis van uitbesteding voor hem traumatisch.

Een vergoeding van het weeshuis

Aan dit verhaal moest ik denken bij lezing van het boek De bestedeling. De geschiedenis van kinderveilingen in Nederland van Menno Lanting. Hij schreef het naar aanleiding van de uitbesteding van zijn grootmoeder Geesken Staal die niet, zoals lang gedacht, haar jeugd doorbracht in een weeshuis te Deventer. Want, zo bleek uit archiefstukken, zij werd na het overlijden van haar ouders in 1877 ‘uitbesteed’ bij een boerenfamilie die daarvoor een vergoeding ontving van het weeshuis.

Bestedeling

Het opvangen van kinderen die te vondeling waren gelegd, die hun ouders hadden verloren of die afkomstig waren uit gezinnen die te arm waren om de opvoeding te betalen, was tot ver in de negentiende eeuw een zaak van de kerk. Protestanten hadden de diaconie, katholieken de armenzorg. Een van de manieren om de zorg voor kinderen te regelen was het uitbesteden aan gezinnen die toezegden dat de bestedeling in elk geval behoorlijk te eten en te drinken kreeg en werd voorzien van kleding en een slaapplaats.

Om tot die uitbesteding te komen werden sinds de zeventiende eeuw veilingen georganiseerd. ‘Kinderen werden op de tafel gezet en degene die het minste vroeg voor de verzorging kreeg dan een kind mee naar huis’, aldus Lanting. Rechten en plichten voor de bestedeling waren er wel, maar in tijden waarin het analfabetisme nog hoogtij vierde, werd vaak volstaan met het voorlezen daarvan.

Schoon linnen en winterturf

In Sint-Oedenrode bijvoorbeeld, werden de voorwaarden vóór het bieden hardop voorgelezen: een bed en brood, kerk- en schoolgang, schoon linnen en winterturf. Soms was de uitbesteding een kwestie van ruilhandel. In Sint-Michielsgestel kregen in de achttiende eeuw de verzorgers van de vierjarige Bernaert als vergoeding een rode blaarkoe en een voorraad vlas.

In Oss werd het uitbesteden in diezelfde eeuw zelfs een jaarlijks ritueel waarbij armenmeesters, schepenen en de geestelijkheid tijdens de veiling toezagen op een ordentelijk verloop. De ‘aannemers’ konden volstaan met bescheiden vergoedingen: een paar gulden per jaar en enkele zakken rogge. Niet zelden verhuisde de bestedeling meerdere keren wanneer elders iemand het ‘voor minder’ wilde doen.

Bestedeling
Menno Lanting. Foto > Marcel Bakker

Schaduwzijden springen in het oog

Het uitbesteden van kinderen was een praktijk waarvan vooral de schaduwzijden in het oog springen. Lanting geeft in zijn boek meerdere voorbeelden: zware werkomstandigheden, karige maaltijden, beroerde huisvesting tot en met mishandeling toe. De armenbesturen, die vaak verantwoordelijk waren voor plaatsing en toezicht, bedekten die ellende vaak met de mantel der liefde. Er was controle, maar die vertoonde haperingen, niet in het minst doordat de huisbezoeken vooraf werden aangekondigd. In 1871 was het besef dat het uitbesteden te veel rafelranden bevatte, doorgedrongen tot de politiek. De publieke besteding bij opbod werd afgeschaft.

Het uitbesteden als zodanig bleef bestaan. In Tilburg bijvoorbeeld werd in 1881 de Bijzondere Raad van de Vincentiusconferentie opgericht, met als een van de taken de uitbesteding van ‘wezen en oude lieden’. Het lijdt geen twijfel dat organisaties als wees- of armenhuizen of de Vincentiusvereniging werden opgericht met de beste bedoelingen, maar de praktijk – zo blijkt uit De bestedeling – was weerbarstiger. Zo constateert een dominee na een aantal huisbezoeken: ‘Van de duizend gezinnen vindt men er één waar het kind uit liefde wordt opgenomen, en 999 waar eigenbelang de belangrijkste of enige reden is om vreemde kinderen in huis te nemen.’

Het systeem van veilen maakt iets van die paradox zichtbaar. Kennelijk ging het de veilende armenbestuurders niet zozeer om de beste opvanglocatie, maar om de minst kostbare oplossing.

De ouders niet onverschillig

Lanting staat in zijn boek regelmatig stil bij de armoedige omstandigheden waarin veel ouders verkeerden, de belangrijkste oorzaak van veel uitbestedingen. Een tweede verklaring voor die uitbesteding was lang dat ouders eerder zakelijk dan emotioneel met hun kinderen omgingen. Dat zou dan leiden tot gebruiken als het overdragen van pasgeboren kinderen aan voedsters. Uit onderzoek van psycholoog Harry Peeters van de Universiteit van Tilburg uit 1988 kwam al naar voren dat die praktijk niet inhield dat ouders onverschillig stonden tegenover hun kinderen. Wat te denken van zo’n briefje: ‘Het is door zware armoe en gebrek dat ik niets te zuigen heb voor mijn lieve wurm.’

Economische aspecten – zij het niet bij de gezinnen – speelden wel een rol bij een nieuw type van uitbesteding dat in het begin van de negentiende eeuw ontstond. Kinderen werden nu ondergebracht bij pleeggezinnen om in fabrieken te werken. In textielsteden als Tilburg en Enschede bestond in de negentiende eeuw weinig bezwaar tegen zulke kinderarbeid, ook al omdat de overheid zich – anders dan in bijvoorbeeld Engeland – op grote afstand bewoog. In Tilburg werkten in 1860 bijna drieduizend arbeiders, waarvan zo’n acht procent jonger dan veertien jaar.

Bestedeling
Kinderarbeid in Tilburg. Draadmakertjes bij de tapijtgarenspinnerij A. Arnold-Van den Bosch aan de Zuidoosterstraat, omstreeks 1915. Foto uit > J.K. Mercx, ‘Noord-Brabant’s nijverheid in beeld’ (1918).

Ingrijpen was niet nodig, zo betoogde het College van B&W in Tilburg in 1841. Immers, zo liet men weten aan de gouverneur van Noord-Brabant, alle fabriekskinderen waren ouder dan elf jaar – na de plechtige communie. Bovendien gingen ze op zon- en feestdagen naar school, dus waarom maatregelen tegen kinderarbeid? Het lijdt geen twijfel dat de fabrikanten bij dit schrijven als influisteraar dienden. Evenmin lijdt het geen twijfel dat de fabriekscultuur geen beste invloed op de kinderen had.

Het kinderwetje van Van Houten

Een artikel in Het Volk uit 1909, dat in het boek wordt geciteerd, illustreert de misstand in de textielindustrie. ‘De beschaving en ontwikkeling bevinden zich op een zeer laag niveau. Het vermaak is ruw en afstotend. Op zondagen gaan ze vogels vangen, met flessen jenever erbij, en ze komen regelmatig dronken thuis.’ Dat artikel verscheen nadat er twee belangrijke documenten waren verschenen. In 1874 maakte het kinderwetje van Van Houten – officieel de Wet Houdende Maatregelen tot het Tegengaan van Overmatigen Arbeid en Verwaarlozing van Kinderen – een einde aan de kinderarbeid onder de twaalf jaar. En in 1891 vaardigde paus Leo XIII de encycliek Rerum Novarum uit, een herderlijk schrijven dat de misstanden benoemde – overigens zonder een concrete remedie.

Parlementaire enquete gehouden in 1887 naar de werking van de wet Van Houten. Afbeelding van het getuigenverhoor van werknemers en werkneemsters in de industrie over kinderarbeid. Tekening van Pieter de Josselin de Jong. Bron > Regionaal Archief Tilburg

In het kielzog van nationale wetgeving en pauselijk schrijven kwam ook een praktijk als het uitbesteden van kinderen onder druk te staan. Lanting beschrijft nog wel voorbeelden van mishandeling uit de jaren dertig, waar bestedelingen er met de mattenklopper van langs kregen, maar na de Tweede Wereldoorlog is het fenomeen zo goed als verdwenen. Zij het dat de traditie her en der nog de kop op stak, getuige de ouders van mijn jeugdvriend die weinig scrupules hadden om hun zoon uit te besteden.

Boek is vooral een zedenschets

Bij dit alles, zo memoreert Lanting ook, moet niet uit het oog worden verloren dat het fenomeen van uitbesteding niet alleen schaduwzijden kende. Er was ook aandacht, genegenheid en zelfs liefde. Ook in materiële zin kon het verkeren: sommige bestedelingen kregen op hun achttiende een bedrag van het bestedelingenhuis. Ook blijkt uit citaten in het boek dat dankbetuigingen van de uitbestedelingen aan het pleeggezin regelmatig voorkwamen.

Lantings zeer leesbare boek is vooral een zedenschets, en minder een feitelijke geschiedenis van de bestedeling. De kracht is het gebruik van uiteenlopende bronnen en van de getuigenissen van mensen zelf – een geslaagde vorm van ‘oral history’. Dat gaat soms ten koste van de duiding. In verschillende passages worden historische ontwikkelingen vermeld of geparafraseerd zonder dat helder wordt wat de bron is, terwijl achterin het boek een schat aan bronnen wordt vermeld. Het is een bezwaar dat ondervangen zou kunnen worden als Lanting een proefschrift aan het onderwerp zou wijden. Zijn boek vormt een prima opmaat.

Menno Lanting, De bestedeling. De geschiedenis van kinderveilingen. Baarn: S2uitgevers 2025, 216 pp., ISBN 9789493282636, pb., € 20,00 (e-Book € 12,99).

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *