Nonnen, eigenzinnig, kleurrijk, soms naïef en ook heel punk

Drie tentoonstellingen zijn dit seizoen te zien museum Krona in Uden en die zijn zo divers dat er voor elk wat wils is. Bovendien valt één daarvan weer uiteen in drie delen, want die omvat foto’s van drie behoorlijk verschillende fotografen. In de eerste zaal reflecteert Charlotte Caspers op topstukken uit de museumcollectie en dan is er nog ‘creatief met boeken’. En steeds draait het om kloosterzusters.

door Lauran Toorians

Museum Krona in Uden bevindt zich deels naast en deels in een vleugel van het klooster van de Zusters Birgittinessen in Uden. Behalve dat dit een museum is voor religieuze kunst, is de link met het kloosterwezen dan ook nooit ver weg. En ook de verwantschap met de dochters van de heilige Birgitta van Zweden is altijd zichtbaar. Dat kan niet anders, want tot de absolute topstukken in de collectie van dit museum behoren de laatmiddeleeuwse beelden van de Meester van Koudewater, de anonieme beeldsnijder die werkte voor dezelfde gemeenschap van birgittinessen toen deze nog in Coudewater bij Rosmalen was gehuisvest. Op de vlucht voor de reformatie kwam deze gemeenschap naar Uden. Met haar beelden.

Een explosie van kleuren

De heiligenbeelden uit Coudewater zijn geen eigendom meer van de zusters. Zij verkochten ze in 1876 aan Victor de Stuers met de bedoeling dat ze in een museum zouden komen. Dat werd in 1883 het Rijksmuseum in Amsterdam dat ze nu alweer enkele decennia geleden in bruikleen overdroeg aan het museum in Uden. Deze beelden zijn niet alleen beroemd vanwege hun serene schoonheid, maar ook omdat ze nog resten van de oorspronkelijke beschildering laten zien. In het verleden waren alle beelden levensecht beschilderd, net als muren en gewelven, en kerken boden een explosie van kleuren (en geuren) waarin de gelovige zich bevond in de aanwezigheid van levensechte heiligen.

Die kleurigheid inspireerde Charlotte Caspers (Gent 1979, en opgegroeid in Tilburg) tot een aantal werken die samen kunnen worden gezien als een installatie. Die bestaat uit een video die zonder woorden een impressie geeft van de pigmenten waarmee werd geschilderd en van het bladgoud dat op beelden werd toegepast. Zoals we Caspers ook in haar tv-optredens zien doen, experimenteert zij daarmee om te begrijpen hoe dit in het verleden toeging, maar ook met eigen werk als resultaat. Hier zijn dat vijf eikenhouten panelen met een krijtgrondering, rode bolus en eiwit, bedekt met 23 2/3 karaat bladgoud dat weer is bewerkt met ponswerk en boorgaten. Abstract, maar volledig in een eeuwenoude traditie. Aan een andere wand hangen vergelijkbare panelen in vrijwel egale, minerale kleuren en in de zaal staan drie beelden van de Meester van Koudewater.

Drie beelden van de Meester van Koudewater met op de achtergrond twee monochrome panelen van Charlotte Caspers.
De beelden van de Meester van Koudewater spiegelen zich in het werk van Charlotte Caspers (eikenhouten panelen met een krijtgrondering, rode bolus en eiwit, bedekt met 23 2/3 karaat bladgoud, bewerkt met ponswerk en boorgaten).

Wie de zaal binnenstapt, ziet twee van de beelden op de rug. Het derde zie je pas als je binnen bent en opzij kijkt, maar dan heeft de video aan de andere kant je aandacht al opgeslokt. Het geheel stemt meditatief en vraagt niet om uitleg. Woorden zijn hier overbodig.

Drie kasten met oude boeken

Woorden zijn wel nodig bij de expositie in de kloostervleugel van het museum. Die is gewijd aan de oude boekenschat van het klooster Soeterbeeck in Deursen (bij Ravenstein). In 1997 verlieten de laatste zusters dit klooster waarna het gebouwencomplex met inhoud overging naar de Radbouduniversiteit in Nijmegen die er een conferentieoord van maakte. In de kloosterbibliotheek bevonden zich drie kasten met ‘oude boeken’ – handschriften en oude drukken – waarover de Universiteitsbibliotheek zich ontfermde. Hans Kienhorst en Ad Poirters namen het op zich om deze boekenschat te analyseren en zij deden dat op een totaal vernieuwende manier als ‘boekarcheologen’.

Eén van de zalen met de expositie over de boeken uit Soeterbeeck. Op de lange wand een tijdbalk met de geschiedenis van het klooster. Aan de achterwand een portret uit 1682 van Constantia van der Meiren. Zij was toen subpriorin.
In het koorgebed zaten de zusters links en rechts van het altaar in het koor van de kerk. In dit gezangenboek (een antifonarium) is genoteerd dat het is bedoeld voor de nonnen aan de linkerzijde in het koor. Het handschrift uit circa 1475 opent met de vespers voor de vooravond van Pasen en bevat de gezangen voor het zomerhalfjaar.

Beginnend bij de toestand waarin deze boeken in 1997 verkeerden, onderzochten zij alle gebruikssporen die in en aan deze boeken aanwezig zijn. Zoals bij archeologisch onderzoek de oudste sporen het diepst in de bodem liggen en de onderzoeker de geschiedenis als het ware laag voor laag afpelt, zo gingen Kienhorst en Poirters deze bibliotheek te lijf. De hele verzameling boeken vormde daarbij het onderzoeksterrein, meer dan de afzonderlijke boeken. De bibliotheek groeide over een periode van ruim vijf eeuwen en al die tijd gebruikten de zusters hun boeken. Zij lazen erin, baden en zongen eruit en mediteerden erbij, maar maakten er ook aantekeningen in, correcties, toevoegingen. Of haalden er wat uit, gaven een boek een nieuwe band of sloopten het om het materiaal een andere functie geven, bijvoorbeeld als boekband of versteviging voor een ander boek. Aantekeningen vermelden hoe het boek functioneerde, wie het schonk of bezat en weer doorgaf.

Het gaat om de mensen

Al deze minutieus bij elkaar gepuzzelde gegevens vertellen natuurlijk niet alleen het verhaal van de boeken en van de bibliotheek van Soeterbeeck, maar vooral ook van de zusters die met deze boeken leefden. Net als bij ‘echte’ archeologie gaat het hier om de mensen, meer dan om de dingen. Kienhorst en Poirters schreven als resultaat van dit werk een prachtig, maar ook behoorlijk technisch boek dat voor een breed publiek niet erg toegankelijk is. Het is dan ook mooi dat hun werk nu ook in een tentoonstelling wordt gepresenteerd. Die wordt ingeleid door een heldere videopresentatie die de bezoekers soms gegniffel ontlokt om het soms toch wel aandoenlijk naïeve knutselwerk van de zusters met hun boeken.

Psalterium voor het liturgisch jaar en hymnale met muzieknotatie uit circa 1489-1495. Met een zilveren speld is een briefje toegevoegd waarop zuster Cappeval de schriftlezing noteerde voor de vespers op alle dagen van de week behalve zaterdag. Ze gebruikte daarvoor de helft van een doodsbriefje van een in 1652 overleden werkzuster Gertrudis Peters van Strijp. Het psalterium is mogelijk gemaakt in het klooster Mariënhage in Eindhoven.

In de vitrines liggen boeken die het onderzoek illustreren, aan de wanden hangen uitvergrote foto’s die dat ook doen, er zijn QR-codes waarachter extra informatie schuilgaat en er is een klein, verhelderend boekje dat als catalogus dient. Dit is een tentoonstelling zoals het hoort en die een op het eerste gezicht ontoegankelijk onderwerp openlegt voor iedereen die de moeite wil nemen om te kijken en te luisteren.

Anna Hovelmans trad in 1623 – ze was toen dertien – in en werd in 1627 geprofest als koorzuster in Soeterbeeck. Van 1669 tot aan haar dood in 1679 was zij priorin. Ze schreef korte teksten en gezangen in diverse boeken. Ze kon ook tekenen.

Wat flauwe titel

Nog meer kloosterzusters vinden we in de benedenzaal (de kelder) van het museum. Hier is onder de wat flauwe titel ‘Non Fictie’ werk te zien van drie fotografen die elk op hun eigen wijze kloosterzusters in beeld brengen. Zo fotografeert Koos Breukel (1962) al enige jaren de zusters norbertinessen van Oosterhout. Het resultaat is een indrukwekkende portrettengalerij van veelal individuele nonnen die ontspannen in hun eigen omgeving poseren. Bertien van Manen (1935-2024) fotografeerde in de jaren tachtig op veel ongedwongener wijze het leven in verschillende kloosters. Ook zij slaagde er duidelijk in om het vertrouwen te winnen van de zusters die zij fotografeerde. In 1985 verscheen van haar hand het fotoboek Dienstmaagd des Heren. Drie jaar later kon het museum in Uden de serie van vijfenzeventig foto’s van haar aankopen. Dat werd het begin van de collectie hedendaagse religieuze kunst die het museum nog steeds verder uitbouwt.

Koos Breukel > Zuster Mechtild (86), ingetreden in 1961.

Opvallend anders is het werk van Astrid Huis (1970) die als fotografe op zoek ging naar haar tante José die zij zelf ook nog heeft gekend. Tante José (1918-2001) koos voor de missie in plaats van een huwelijk en was werkzaam in Congo. Huis ging niet alleen zelf fotograferen, maar zocht ook oude foto’s bij elkaar en interviewde mensen die tante José hebben gekend en legde die gesprekken vast. Ook twee van die interviews zijn te zien en dit onderdeel van ‘Non Fictie’ is daarmee veel meer verhalend dan het werk van de twee andere fotografen. Het project van Huis resulteerde ook in een boek over haar tante.

Zuster José met haar ouders, 1949.
De fotografe Astrid Huis bij een fotoportret van haar dierbare oudtante. ‘Ze was als een extra oma, niet alleen voor mij’. Foto > Joep Eijkens

Wat opvalt is dat Astrid Huis constateert dat de vrouwen die kozen voor de missie dit deden vanuit de wil om te werken in de verzorging en verpleging en dit op een zelfstandige manier te kunnen vormgeven. Geen van de geïnterviewden gaf aan dat religieuze motieven de doorslag gaven. Als er sprake was van ‘roeping’ dan niet tot de kerk. Die bood slechts het middel om de droom te verwezenlijken en om als ongehuwde vrouw een zekere zelfstandigheid te bewaren. Dit zal in de missie mogelijk zijn geweest, maar zeker niet in elk willekeurig klooster. Koos Breukel omschreef de keuze van de zusters voor het klooster – en dus niet mee te doen met de massa – als ‘heel tegendraads, heel punk’. Hij mist dat in zijn eigen omgeving en brengt er met zijn portretten een ode aan.

‘Kloosters & kloosterleven’ tot en met 11 januari 2026 in Museum Krona, Uden.

Hans Kienhorst & Ad Poirters, Book Collections as Archaeological Sites. A study of interconnectedness and meaning in the historical library of the Canonesses Regular of Soeterbeeck, with a catalogue of the Soeterbeeck collection. Turnhout: Brepols 2023, xiv+702 pp., ISBN 978-2-503-604458-9, hb., € 200,00.

‘Graven in boeken’ het begeleidende boekje bij de tentoonstelling, kost € 3,95.

Astrid Huis, Tante José. Uitgave in eigen beheer, 2024, 280 pp., ISBN 9789083365077, hb., € 35,00.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *