Dat ik meteen bij aankomst verzeilde in een levensgevaarlijke situatie hoeft niemand te verbazen. Een Gullemannetje, zoals wij dat thuis noemen: verzeild raken in dwingende situaties waar je geen antwoord op hebt. De natuur die zich aan je opdringt, bijvoorbeeld, of mensen die zich aan je opdringen, meningen van die mensen, onuitgesproken verwachtingen daar weer mee samenhangend en daar dan weer de ergernissen over. Voor een gevoelige en gulle man als Gulleman zijn er veel prikkels in het intermenselijk en internatuurlijk verkeer.
kort verhaal door Stijn van der Loo •
Dit keer was het een open gasfles, die zich aan me opdrong en zich voordeed als een hermetisch gesloten gasfles. De twee dames en ik, de gastvrouwen en de aanstaande gast, jawel, stonden er al een tijdje aan te sjorren. Die fles moest toch open kunnen? Grote Butagasfles, je zou zeggen, zo te voelen: hij zat nog halfvol. Maar de kraanknop bovenop was niet open te krijgen. Zeker vastgeroest, een paar maanden niet gebruikt. We probeerden het om beurten.
‘Zo strak vast heb ik nog nooit meegemaakt’, zei Gastvrouw 1.
‘Die moet terug naar de fabriek’, vond Gastvrouw 2, ‘dit kan echt niet.’
Er lagen twee Engelse sleutels naast. Die lagen er vast niet voor niks, dachten we, dus klang, de tang erop en kracht zetten. Onwrikbaar, werkelijk! We stonden er met drieën verbluft bij te kijken, een beetje pijn aan mijn poten, want sinds ik een peesontsteking heb in de ringvinger van mijn linkerhand – iets psychologisch met mijn huwelijk, mijn trouwring is al naar de andere hand verhuisd – kan ik niet zo goed kracht zetten. De dames gastvrouwen konden het, vanwege leeftijd, geslacht en interesses, ook niet. We kregen die muurvaste knopkraan gewoonweg niet los.
Vooruit dan maar, drastische maatregelen: een nieuwe fles, we koppelen hem af. Met dezelfde Engelse sleutel draaide ik de leiding los, die kwam er makkelijk af. Iets te makkelijk, zeg maar gerust. De slang schoot met een suizende rotvaart uit mijn hand en de fles begon te sissen en trillen als een op hol geslagen stoomtrein. Het Butagas spoot eruit, woedend, brullend, die kraan was dus niet onwrikbaar dicht geweest, maar open. We hadden de verkeerde kant op staan sjorren. In grote snelheid verdampte de binnen in de fles opeengedrukte vloeistof tot gas dat uit die opening werd geperst en mij ziedend in het gezicht brieste. Gillend schoten Gastvrouw 1 en 2 achter het tuinhuisje en stond ik, de gast, daar alleen, mijn haren – als ik die had gehad – wapperend in de suizende stinkende gaslucht, met de Engelse sleutel en mijn ontstoken huwelijkshand opnieuw sjorrend aan die knopkraan, deze keer de andere kant op. Nu kwam er wel beweging in. Dat we dat niet eerder hadden geprobeerd. De kraan ging eindelijk dicht en de geur van Butagas loste op, samen met de massaal uitgebroken gaspartikels die razend in de ijle lucht waren weggevlucht.
‘Nou, jij bent dapper’, kwamen de dames vanachter het tuinhuisje tevoorschijn.
‘Ja’, zei ik, nog beduusd, ‘ik dacht: ik draai hem dicht. Gelukkig is er geen open vuur hier.’
Fijntjes wees gastdame nummer 1 me op het buurtuintje waar men gezellig een vuurpot hoog opstookte, op nog geen vijf meter afstand van ons ontvlambare avontuur.
‘O ja, nou ja’, zei ik. ‘Dat was nieuws geweest. Schrijver ontploft vlak voor zijn eerste stap in het Wolkershuisje.’
Het Wolkershuisje dus! Ik mag een maand logeren in het Wolkershuisje, het voormalig tuinhuisje van Jan Wolkers en zijn vrouw Karina. En daar mag ik dan schrijven. Dat is vanzelfsprekend een grote eer. Het huisje is niet meer dan een schattig klein tuinhuisje met minuscuul keukentje, douche, woonkamertje en werk/slaapvertrek, dat laatste eigenlijk net als thuis, maar dan zonder mijn lieve vrouw, die, als ze me een paar dagen later bezoekt, om zich heen kijkt en zegt: ‘Precies wat jij nodig hebt toch? Slapen, douchen, eten, werken.’ Smaalt ze nou?
‘Eat, pray, love, work’, zeg ik opgetogen, en dan, als ik haar gezicht zie: ‘Nee! Ik heb juist jou nodig!’
Ze schudt meewarig haar hoofd. ‘Als jij jezelf toch eens kende…’
Binnen hangen twee enigszins intimiderende foto’s van Wolkers zelf in lijstjes waarvan ik me meteen bij het binnenstappen na mijn niet-ontploffing voorneem die om te draaien of weg te hangen gedurende mijn verblijf. Iets teveel Wolkers hier… Wat heb ik eigenlijk met Wolkers? Gelukkig vertelt de overbuurvrouw me een paar dagen later dat het hele huisje is verbouwd, alles is anders dan toen: nieuwe keuken, nieuwe kamer, nieuwe deuren, nieuw bed. Gelukkig, denk ik, want het idee om in het bed te liggen waarin Wolkers heeft liggen draaien en naaien, ook nog eens door hemzelf vanuit zijn lijstjes vorsend bemonsterd, maakt mijn eerste nachten op zijn zachtst gezegd onrustig… Al die spiegels overal en Jan Wolkers nors in zijn hemdje toen hij twintig was, nors in zijn hemdje toen hij vijftig was… ik doe hem daar natuurlijk mee tekort, maar die foto’s! Kijk zelf dan!
In mijn jeugd was Wolkers een plank in onze boekenkast. Met als ouders twee Neerlandici die les gaven op een middelbare school kwam hij vaak voorbij, hij stond op alle leeslijstjes van alle scholieren. Serpentina’s petticoat, bijvoorbeeld, lekker dun, what’s new. Alle boeken van Wolkers, met precies die ruggen die ik ken uit mijn jeugd, staan ook hier in de kast. Ik voel me in dat opzicht meteen thuis, al ontbreken er wel wat andere titels uit mijn jeugd. Reve, bijvoorbeeld, Hermans, Mulisch, de grote drie, nietwaar, maar ook Nescio, Ruyslink, Claus, Vestdijk, Brakman, Haasse, Bernlef. Ach toch, waar zijn al die ‘groten’ gebleven? Kopland, Blaman, Herzberg, ik kan nog wel even doorgaan! Papa Durlacher. Toen had literatuur nog betekenis! Tegenwoordig geven uitgevers gezamenlijk 167 nieuwe boeken per week uit. Per week! Maar niemand leest, mannen al helemaal niet, op middelbare scholen hoef je geen boeken meer te lezen, literatuur is morsdood.
Wat doe ik hier. Precies de vraag die mijn lieve vrouw me stelde.
‘Wat doe je hier, Gulleman?’
‘Nou, ik neem me voor om te beginnen aan een nieuwe roman, en er moeten ook nog twee scripts af’, begin ik. ‘En ik wilde nog een theatermonoloog schrijven, en een aanzet voor het libretto van een cantate…’ Maar het was meer een retorische vraag, begrijp ik. Wat doe je hier? Je hoort thuis. Dat je daar zelf niet aan denkt…
Ineens ga ik twijfelen. Wat doe ik hier, wat heb ik met Wolkers, waarom ben ik niet thuis, waar ik nodig ben? Een maandje schrijven, o zielige zaak, aan mijn ‘werk van grote waarde’, in fictie. Aan mijn ‘fictieve werk van grote waarde’ dus. Zie je hoe de waarde ervan oplost terwijl ik het opschrijf? Alleen al het woord ‘fictie’ laat de woorden verbleken, de letters lossen op, weg. Het gevoel volkomen fictief bezig te zijn bekruipt me meer dan ooit. En een hele maand vrij nemen voor zo’n avontuur is voor iemand met een groot gezin natuurlijk geen sinecure. Mijn lieve vrouw mag alles thuis gaan oplossen, maar zij heeft tenslotte ook haar werk en besognes!
We hebben weliswaar een mooi complementair maandrooster opgesteld, een soort gatenkaas van dagen, wanneer ik hier ben en wanneer daar. Toch lijkt mijn lieve vrouw er niet blij mee te zijn. Ze trekt stuurs aan de deurtjes van de kastjes in het opgeknapte tuinhuisje, zonder te kijken wat erin staat. Weet ik wel welke opofferingen ik vraag van haar kant? Welke hulpdiensten er moeten worden ingevlogen, welk gewicht het legt op de broze balans die er in ons gezin toch al is, met alles wat zich maar steeds ‘voordoet’ aan kleine en grote rampjes, aan Gullemannetjes, ook als ik er niet ben? Al die zinnen hoor ik ongezegd in het openen en dichtslaan van de keukenkastjes.
‘Dan mag je wel met een paar meesterwerken thuiskomen’, zegt zij. ‘En geen gelanterfanter!’ Ze inspecteert de douche, als om een maîtresse te ontdekken.
‘Schrijven is altijd ook wel wat lanterfanten’, probeer ik de diepten van het scheppende kunstvak te verdedigen.
‘Me hoela. Je komt maar met iets thuis en ik kijk het na. Dat je het weet.’
De pees in mijn huwelijksvinger speelt pijnlijk op. Is angst wel een goede basis om kunst te creëren? vraag ik mij onwillekeurig af.
Ik bedank mijn lieve vrouw voor het langskomen en beloof haar dat ik voortvarend zal schrijven. Een gloeiende pijn steekt door mijn ringvinger als ik haar probeer te kussen, maar zij zich terugtrekt, mij ontwijkt. Dan gaat ze en we zwaaien van grote afstand naar elkaar. Ik bedoel van vlakbij, door de ruit van het tuinhuisje, maar toch is de afstand enorm. Ik zal schrijven, liefste! Schrijven in dolle vaart! Dag liefste!
Wat doe ik hier? Ben ik nu zelf de dwingende kwestie geworden die zich aan me opdringt en waar ik geen antwoord op heb? Ben ik mijn eigen Gullemannetje geworden? Die allerlei verwachtingen van zichzelf en daar dan weer de ergernissen over moet pareren? Dat zijn nou echt de tegengestelde krachten waarvan een schrijver uit elkaar kan spatten. Teveel druk. Druk van binnen, druk van buiten. En Boem!
Ik ben doodmoe en ga maar even liggen. Het is hier trouwens koud. De herfst is begonnen. Tijd om de kachel aan te steken. Een mooi klusje voor tijdens het piekeren. Waakvlam aan en knop van de ontsteking indrukken. Klak, zegt die knop. Nog eens. Klak! Klak! Zo briesend als dat gas uit die Butagasfles kwam gespoten, zo onhoorbaar komt het hier uit het kraantje. Komt er wel iets uit het kraantje? Klak! Klak! Er ontvlamt niets, wat ik ook doe.
‘Ik heb al vanaf het begin gezegd dat die dingen niet deugen’, mompelt de te hulp geschoten vrijwilliger die gaat over het onderhoud in het park. Hij ligt voorovergebogen op zijn knieën op de ijskoude grond te proberen dat godvergeten ding in gang te krijgen. Hij doet net als ik: klikken, klikken, klikken. Wat draaien aan die hoofdknop. Twangngng! Zegt die knop.
‘Dat is uit’, zucht hij. ‘En ze zijn nog duur ook, hoor, die Pelgrims. Krengen zijn het. Ik was er tegen. Gewoon zo’n ouderwetse Axxia, dat je ziet wat je doet…’ Hij puft en probeert, eindeloos. Klak, klak, klak! Het vlammetje moet aangaan, even wachten tot het koppelkamertje warm is geworden, dan kun je voorzichtig de knop loslaten en opendraaien. Maar niets lijkt te gebeuren.
‘Je kunt die waakvlam ook niet zien bij dit ding’, zucht hij.
Misschien zit er toch gewoon te weinig gas in de gasfles. Dus, hupsakee, een nieuwe eraan! We stommelen naar achteren en herhalen het ritueeltje dat ik met de gastvrouwen had, maar nu weet ik wel hoe ik de gasflessen dicht moet houden als ze afgekoppeld zijn, een klein stukje opgedane consumentenintelligentie, nietwaar, ontploffingspreventie vooral.
Terug in het huisje lukt het nog steeds niet. Klak, Klak, Klak. Godver. Ik bekijk die Wolkers eens goed in zijn eeuwige zwarte hemdje. Die heeft het blijkbaar niet snel koud. Kacheltje van zichzelf, misschien?
Er is nog een kachel in huis, een gevaarte op olie dat ik kan bijvullen uit een grote olietank in het schuurtje. Kerosinekachel, noemt een van de vrijwilligers het, en dat geval krijg ik wel aan, die gigantische benzineluchtwolkende kolos. Hij stookt wel zijn hele reservoir in een halve dag leeg, echt een zeeschip dat ding, dus die tank in de schuur is geen overbodige luxe. Ik sta er tweemaal daags het reservoir mee bij te vullen. Op zo’n moment giet ik de helft van de olie over mijn handen, zo bedreven ben ik nou ook weer niet. Dat baart me wel lichte zorgen bij het tot ontvlamming brengen van het geval.
Wat als die vlammen ook eens heerlijk over mijn handen beginnen te likken en verder? Ik zie die films die ik daarover gezien heb zo voor me. Stuntman die in vlammen opgaat. Maar die zijn erop geïnstrueerd, nietwaar? ik ben maar een schrijver met olie-overgoten handen, die met die beide handen een vuur probeert te doen oplaaien… Dapper ben jij, hoor ik in gedachten… Maar het gaat gewoon goed, niks aan de hand, letterlijk. En lekker heet dat dat ding wordt! Hij lijkt alleen maar op maximaal te kunnen. Elke andere stand is ‘uit’. Dus ik laat hem lekker op maximaal. Heerlijk warm! Heet gewoon! Soms iets te, dan is het hier de Sahara. Maar zodra ik hem uitdoe wordt het snel weer ijskoud. Zo keutel ik wat af. Het enige nadeel is dat die kachel stinkt naar een snelweg in de jaren zeventig, toen niemand nog een roetfilter had.
Als ik in de avond in bed kruip is het of ik in een tunnel lig tussen een reeks op vol gas stationair draaiende vrachtwagens. Het prikt in mijn keel. Luchtverontreiniging middenin het meest groene stukje Amsterdam. De deur openzetten is te koud, maar het moet wel, anders word ik vergast. Het is hier toch ook ontploffen of vergast worden, in ieder geval wordt het een ware survivalmaand, zoveel is zeker.
Mijn vrouw belt. Ze is zojuist aangereden! In haar autootje met vier kinderen aan boord! Onze dochter en drie klasgenootjes, meisjes van negen en tien jaar oud! Een grote vrachtwagen ging op een rotonde achter haar langs toen zij stond te wachten op een rijtje fietsers die voorrang hadden. Dat haal ik wel, moet die chauffeur gedacht hebben, lekker op de klok, en stoof in volle vaart langs. Maar bij het van de rotonde afrijden zwenkte dat enorme gevaarte uit en sloeg hij tegen de achter- en zijkant van haar auto. De klap was enorm. Achterruit eruit, gat in de zijruit, achterklep en bumper verwrongen… De meisjes op de achterbank, Frêle en haar vriendinnen, sloegen met de hoofden tegen elkaar. Glasscherven dwarrelden over hen heen. Grote schrik en consternatie! Die vrachtwagenchauffeur reed gewoon door, die had niet eens iets gemerkt! Dus mijn vrouw sprong uit de auto en zette het op een roepen. Stop die man! Hij rijdt door! Ze probeerde het nummerbord te zien, maar die godvergeten bejaarden op hun fietsen reden ervoor te zwalken, geschrokken proberend te remmen op die elektrische fietsen van ze die ze totaal niet onder controle hebben, en belemmerden het zicht.
Mag ik hier meteen een pleidooi houden voor het verbieden en uitroeien van fietsende bejaarden? Vooral bejaarden in groepen op de fiets, altijd elektrisch, zogenaamd gezond, levensgevaarlijk gezwalk over de openbare weg, altijd veel te snel voor wat ze in de hand hebben. En maar voorrang eisen overal. In feite waren zij de schuld van het ongeluk, of in ieder geval de aanleiding, met hun zogenaamde voorrang, waar ze als roedel ruim in hun eindeloze tijd rondhangende niksnutten grif misbruik van maakten tegenover de gewone mensen met haast, die tenslotte de pensioenen van die bejaarden bij elkaar moeten zien te verdienen. En nu dwaalden ze ook nog onmachtig en geschrokken slingerend voor haar zicht op dat nummerbord. Godver!
Uiteindelijk is er een automobilist vooruitgestoven, heeft allerlei auto’s weten in te halen en ten slotte de vrachtwagen kunnen klemrijden. Verbouwereerd kwam de chauffeur ervan teruggewandeld. Hij had helemaal niets in de gaten gehad. Ja, het was allemaal zijn schuld, hij nam alle verantwoordelijkheid op zich. Maar ja, zoals dat tegenwoordig gaat (en vroeger eigenlijk ook al): de verzekering betaalt toch niet meer dan de dagwaarde aan reparaties en dat weten ze algauw naar beneden te redeneren, terwijl de reparatiekosten altijd omhoog worden gerekend, bij het minste of geringste. Perverse ellende, al zo lang, we zijn er allemaal allang murw van hoe we worden uitgebuit en gek gemaakt door die schoften met hun verzekeringsdynamieken die de hele samenleving ontwrichten, samen met die bejaarden op de fiets (en samen met de rijken en de politici aan hun handje, ook, maar dat voert te ver in dit verhaal). Hoe dan ook, de auto van mijn lieve vrouw wordt total loss verklaard en we zitten met een gigantische kostenpost.
Daar neemt zo’n chauffeur toch niet de verantwoordelijkheid voor, dus misschien is zijn ruimhartige ‘ik neem de volle verantwoordelijkheid’ wel tendentieuze volmondige lulkoek. Zoals zoveel vandaag de dag. Mijn lieve vrouw heeft daar een speciale antenne voor, de bullshitbarometer, noemt ze die zelf, en die heeft de neiging vaker in het rood te staan dan zou moeten. En we weten allemaal wat er gebeurt met een barometer die voortdurend in het rood staat. Die knalt kapot. Aldus: aanrijding door gehaaste loonarbeider (waarschijnlijk uitgebuit, vandaar die haast), minachting door het systeem, mijn lieve vrouw in tranen.
Ik zeg: ‘Ik kom eraan.’ Maar ik sta voor de deur van een vriend die eten voor me heeft bereid. Ik zeg: ‘Ik moet wel snel weg, want mijn lieve vrouw heeft een ongeluk gehad.’
‘Je kunt ook morgen komen als je dat beter uitkomt?’ Maar ik heb slechte ervaring met uitstellen. Van uitstel komt afstel, zo is het gewoon, dus ik zeg: ‘We doen het nu, maar we houden het kort.’
Als ik mijn lieve vrouw twee-en-een-half uur later app dat ik onderweg ben, zegt ze: ‘Nu hoeft het niet meer.’
Haar bullshitbarometer is weer eens ontploft. ‘Zeggen dat je eraan komt en dan niet komen… Of je bent er of je bent er niet!’
Dat is meteen de kern van mijn leven. Er zijn, dat is de vraag. Waar wil je zijn, waar zeg je te willen zijn en waar ben je? En: waar ben je in gedachten? Duidelijk zijn, eenduidig zijn, je kunt niet op twee plaatsen tegelijk zijn. Je kunt niet in het schrijfhuisje van Wolkers zijn én thuis én eten bij een vriend. Toch is dat mijn leven. Ben ik niet én componist én schrijver? Begint het daar al niet? Ben ik niet altijd meerdere dingen tegelijk aan het doen? Vuurt dat me niet juist aan? Het is nou eenmaal zo, niks aan te doen. Het zijn Chinese bordjes die ik draaiende houd. Zodra er een begint te wankelen op zijn stokje ren ik erheen en draai hem weer in gang. Het bordje van mijn huwelijk draait wankelend op zijn stokkie. Ik snel erheen om het een zwengel te geven.
‘Liefste…’, zeg ik.
‘Ik heb de deur al op slot. Ik ga naar bed.’
Van Wolkers herinner ik me een moment in mijn jeugd dat hij een literaire prijs weigerde. Het was op televisie. Daar stond-ie te tieren en te briesen. Toen al dacht ik te zien dat er een hoop theater bij komt kijken, bij de literatuur. Gedoe, gespring in grachten, grote pinkringen en dikke vulpennen, dan wel ganzenveer en militair uniform, alles wordt uit de kast getrokken voor wat aandacht, toen al en ook nu. Dat beeld van die van principiële woede ontploffende Wolkers staat me nog altijd helder voor de geest.
Maar evengoed: kom er nu eens om! Wie zou er nu nog een literaire prijs weigeren? Uit principe? Zulke principes bestaan niet meer. Die zijn overboord gegaan en vervangen voor het principe van de handel. Als je veel verkoopt ben je een held, als je niet veel verkoopt ben je een mislukkeling. Zo eenvoudig. Dat geldt overigens voor schrijvers en voor musici en alle andere zusters en broeders in de kunsten, maar ook voor artsen, ondernemers, leraren, sociaal werkers. Welke waarde vertegenwoordigen zij? De waarde van de kwantiteit. Er bestaat nog maar één waarde en dat is handelswaarde. Het geld telt. That’s it. En hoe we aan dat geld komen maakt niets uit. Slapende overwaarde op onze huizen na jaren van gesubsidieerde hypotheekafdracht. Slavenhandel in de vorm van het onder de maat inhuren en aan onmogelijke contractvoorwaarden onderwerpen van zzp’ers, handel over de rug van vluchtelingen, criminaliseren van mensen op de vlucht voor hun leven, alles mag en kan, als het maar is voor eigen gewin, de eigen zakken, hoe dieper hoe liever. Er is geen moraal meer, geen principe, geen bescheidenheid. En bekendheid is ook kapitaal dus: áás op die prijzen, goddomme – al is er tegenwoordig wel een woud aan prijzen, we worden eronder bedolven.
Alleen al in dit landje is er een serie van zesenveertig literaire prijzen, jaarlijks, ik heb het even opgezocht en opgeteld. Want wat dacht je, dat ik al die prijzen zit uit te kauwen en overal mijn boek naartoe stuur? Hm. Dat zou ik eigenlijk wel moeten doen. Er is dus een geweldige, walgelijke overdaad aan prijzen, bedoeld als erkenning, maar door die hoeveelheid precies geïnflateerd, niks meer waard. Kijk eens bij de buurtslager, die heeft ook elk jaar weer de hoofdprijs in de ‘Van het mes competitie’ of iets soortgelijks. 2023, 2024 én 2025! roepen zijn oorkondes trots. Niemand die ooit van die competities heeft gehoord, hij print zijn oorkondes zelf, maar het werkt! We willen erkenning, zo ook al die 167 schrijvers per week die met hun boek aankomen waar ze twee of drie jaar op hebben zitten ploeteren. Ze willen goddomme erkenning voor hun compleet onzichtbare meesterwerk! Geef me een prijs! Of ik print hem zelf! De literatuur is tot vloeistof opeengeperst gas dat sissend uit een butagasfles wordt geperst, brullend om erkenning, maar binnen seconden oplossend in het niets.
Nee, dan die norse tegendraadse Wolkers. Wat stond hij te fulmineren! Hij moest die prijs niet! Eén groot toneelstuk! Waarmee hij zich in ieder geval op mijn netvlies brandde, helemaal tot nu! Ik zie hem nog altijd voor me, het beeld springt verlevendigd opnieuw in mijn herinnering als ik hem hier zo bars mijn werkruimte in zie kijken. Ik zoek het even op in Wikipedia: ‘Jan Wolkers weigerde de Constantijn Huygensprijs (1982) en de P.C. Hooftprijs (1989), omdat hij zich stoorde aan de “slordige en rancuneuze” besprekingen van zijn werk in de literatuurkritiek.’
Het weigeren van die P.C. Hooftprijs, dat is wat ik me herinner te hebben gezien. Het was al een running gag geworden: Wolkers kreeg weer eens een grote prijs, die ging hij vast weer weigeren, zijn miskenning opgepompt tot act. In het begin van zijn carrière had hij ook al eens een prijs geweigerd: ‘(…) de Novelleprijs van de gemeente Amsterdam (…) uit protest tegen het politieoptreden tegen de provo’s tijdens het huwelijk van prinses Beatrix en prins Claus.’ Ze stuurden er dus een cameraploeg op af. Want televisie interesseert zich enkel voor de sensatie en de kijkcijfers. En ja hoor: Boem! Daar explodeerde de schrijver al, voor het oog van het genietend publiek.
De kerosine of olie of diesel die in die kachel van me gaat, begint me wat naar het hoofd te stijgen. Het is ook erg heet. Ik trek mijn trui uit. Ik krijg een draaierig gevoel, zo in mijn hemdje, voelt dat zo voor een benzinesnuiver – die bestaan toch? In Zuid Amerika? Het schijnt een goed middel te zijn tegen honger en kou. Nou, honger heb ik, want die maaltijd bij die vriend van me was ronduit half. Een snelle pizza en hup weer onderweg. Koud is het hier ook want de gaskachel doet het niet en de benzinekachel maakt dat de deur open moet: kou. En de deur van mijn thuis is juist weer door mijn lieve vrouw dichtgetrokken en op slot gedraaid. De kou is op alle fronten in en om mij.
Als ik me omdraai zie ik mezelf vier keer in de spiegels. Prima schrijverskop, zo’n norse bakkes met rooie ogen, in zijn hemdje. Ik zet het op een typen, zeg maar gerust: ik barst uit in een razende woordenstroom. Als een vrachtwagen die over een rotonde dendert en alles meesleept in zijn vaart, als een oude prijsweigerende schrijver, woedend van miskenning, als een gasfles waarin alle kracht vloeibaar zat opgepot, die dat er allemaal in één keer wil uitbraken, als, als, als… als een zachtaardige ploeteraar die alles tegelijk wil doen: schrijven, componeren, liefhebben, en daarin hopeloos onder de Chinese bordjes heen en weer rent tot, ja, tot wanneer? Tot zijn benen het begeven? Kortom, ik zit er lekker in.
Ping! zegt mijn telefoon. Iemand: zin in een nieuw project? Ik: ja!
Stijn van der Loo (Eindhoven 1963) was enige tijd redacteur van het literaire katern van Brabant Cultureel en brak in die tijd door als romanschrijver. Behalve auteur van romans, korte verhalen en theaterteksten is hij ook componist. Als tekstschrijver/componist kreeg hij de Zilveren Harp van Conamus voor zijn liedjes, waarna hij als componist jaren samenwerkte met Huub Oosterhuis. Tegenwoordig componeert hij ‘klassiek’. Deze zomer verscheen bij uitgeverij Querido zijn roman ‘De strijd van Gulleman’.

‘Gulleman gaat logeren’ is een deel uit een serie verhalen over Gulleman op Brabant Cultureel.
© Brabant Cultureel 2025
