De dukun van Bunaken

kort verhaal door Albert Hagenaars

Manado, eindelijk! Na verblijven in Ujung Pandang alias Makasar en Toraja-land met zijn bloederige dodenrituelen kon de stad me haast niet meer ontgaan. Weinigen zouden geloven dat ik er alleen al om de verleidelijke naam naar toe wilde.

Zelden kwam ik op zo’n weergaloze wijze op een bestemming aanvliegen. In een brede boog, langzaam dalend, zweefden we over de gelijknamige baai die je lijkt te willen omhelzen. De groenblauwe schakeringen van de Celebeszee wedijveren hier naar hartenlust met de roodbruine tinten van de zee van daken.
Ik had ook zicht op een handvol grillig gevormde eilanden. Alleen Manado Tua kent een ronde oppervlakte. Dat is dan ook een vulkaan.
Niet voor niets vond natuurvorser Alfred Russel Wallace, naar wie de Wallace Line is genoemd, deze plaats de mooiste ter wereld.

De taxirit naar de stad maakte meteen duidelijk dat Noord-Sulawesi ofwel Minahasa, lang geleden ook wel aangeduid als de twaalfde provincie van Nederland, anno 1993 een weer geheel ander Indonesië vertegenwoordigt. De regio kent een verbluffend groot aantal kerken en kerkjes, vele nog in aanbouw. Pentakosta Masehi Advent en andere teksten op de meestal van witte badkamertegels opgetrokken en van Efteling-achtige torentjes voorziene gebedshuizen illustreren wat er zoal mogelijk is op het gebied van afsplitsingen.

De chauffeur, een praatgrage docent geschiedenis die vanwege z’n schamele gage bij moest klussen, legde uit dat de naam, al fascinerend voor mij in m’n jongensjaren, afgeleid is van ‘manaro’, een woord in de Sangir-taal, dat ‘in de verte’ betekent.
Daarmee wordt niet de huidige stad bedoeld, maar de ingeslapen vulkaan. Toen groepen bewoners in een mistig verleden van daar definitief terug naar het onvergelijkbaar veel grotere eiland verhuisden, gaven ze hun nieuwe nederzetting dezelfde naam en voegden ze ‘tua’, oud, toe aan hun geboortegrond.

Manado, dat met haar uitlopers een half miljoen inwoners telt, is groot genoeg om dagenlang te verkennen. Dat deed ik dan ook, van ’s morgens vroeg tot halverwege de avond. Daarna kon het te gevaarlijk voor me worden, had de docent gewaarschuwd. Door de hitte moest ik wel langere pauzes nemen dan gewenst. Dat gebeurde in eethuizen en onder zeildoek aan de waterkant.

In de voornamelijk door Chinezen bewoonde havenwijk krioelt een bont leven. Haven is een groot woord voor de deels droogvallende en daarom een uur in de wind stinkende uitgraving. Ook in de armere buurt die iets ten noorden hiervan rond en in de monding van de hoofdrivier is ontstaan, raak je niet uitgekeken. Hier wonen veel Buginezen, vaak in huizen op hoge palen, net als in andere verblijfplaatsen van dit zeevolk. Daaronder klotste een mestvaalt. Toch speelden kinderen hier, tussen rottend fruit, visafval, plastic en erger, en gooiden mannen in wrakke prauwen iets verderop een hengel uit of jongleerden met netten. En het is juist hier dat de ‘kapal umum’ vertrekken, de boten waarmee mensen zich naar hun dorpen aan de kust begeven of naar één van de eilandjes.

In een onafzienbare stroom rijden bemo’s door de belangrijkste verkeersaders, met half naar buiten hangende, om klanten schreeuwende jongens. Soms maakte ik gebruik van zo’n blauw Japans busje. Meestal kuierde ik, niet alleen naar de waterkant maar ook naar verstilde schaduwrijke lanen met in de laat-koloniale tijd gebouwde villa’s, vele nog intact en het pronkbezit van de nieuwe elite.

Als ik had geweten wat voor ellende me wachtte, zou ik dat wel uit m’n hoofd gelaten hebben!

Elke dag ontmoette ik mensen die aannamen dat ik hier voor Bunaken was. Dat zou vanwege koraalvelden toeristen beginnen te trekken. Omdat ik altijd meer in stadsleven dan in natuur ben geïnteresseerd, dacht ik daar niet naar toe hoeven te gaan. Maar de nieuwsgierigheid kriebelde en ik besloot alsnog de oversteek van vijftien kilometer naar dat als een krakeling gevormde eiland te maken. Als ik had geweten wat voor ellende me wachtte, zou ik dat wel uit m’n hoofd gelaten hebben!

Het was druk op de boot, waar ik de enige buitenlander was. De goederen bestonden vooral uit jerrycans met zoet water.Vrijwel alles moest dagelijks overgebracht worden, vertelde de schipper naast wie ik zat.

Ik waadde nog maar richting strand, voorzichtig de scherpe stukken los koraal vermijdend, of een kreet trok mijn blik naar een wild zwaaiende, gezette vrouw. Dat bleek Ibu Konda te zijn. Ze dirigeerde me naar een dozijn met palen en vervlochten repen bamboe in elkaar geknutselde hutten in de verte en wees naar het hoogste exemplaar: mijn verblijf! In een paar van de andere bouwsels zouden ook westerlingen logeren. In de stad had ik niet één kleurgenoot gezien.

Ik liet mijn tas op de doorgezakte matras in het vensterloze hok achter en ging desgevraagd bij Moeder Konda en enkele buren zitten om nader kennis te maken, wat zoals gewoonlijk lang duurde. Terwijl de snel naar de horizon zakkende zon alles in een roodkoperen gloed zette, kwamen familieleden bij ons zitten onder wie, onvermijdelijk, veel kinderen. Ik kletste het langst met zwager Sem (genoemd naar een van Noahs zonen, zoals hij meteen liet weten) en diens puberzoon Beni. Speciaal voor mij sprak iedereen de nationale taal.

Een olielamp werd aangestoken, het eten opgediend, een neef verscheen met een gitaar en al gauw werden weemoedig stemmende liedjes gezongen, waarschijnlijk alleen voor mij. Ik werd te nadrukkelijk aangespoord om niet mee te doen. Mijn ‘la-la-la’ werd gewaardeerd. Toen ik genoeg klanken over onvervulde verlangens had meegekregen, ging ik na een korte wandeling in het mulle zand zitten om naar de branding en de sterren te kijken. Hier waren er zoveel te zien dat ze nevels vormden die de benaming Melkweg vanzelfsprekend maakten. Het was een zicht dat ik alleen van documentaires kende. Onder hun oeroude licht leek de bijna perfecte kegel van Manado Tua nog te groeien.

De volgende dag rustte ik verder uit, niet alleen van de ruwe ritten en uitgestrekte wandelingen door Manado maar ook van de slapeloze uren. Ik kon onder de ‘kelambu’ in de hut nog wat dutten. Het net was niet tegen muskieten bedoeld, want die komen op Bunaken niet voor, maar tegen onwaarschijnlijk grote, behaarde valspinnen. Toen het te heet werd, noteerde ik onder een bladerrijke boom, in een stoel met balorige vering, de ervaringen van de laatste week. Veel ‘onvergetelijke momenten’ worden immers vergeten.

In de prauw van een buurman voer ik de daaropvolgende dag naar de nabijgelegen koraalformaties die inderdaad wel tot de mooiste ter wereld moeten behoren. Ik kwam tenminste onder de indruk van hun overweldigend rijke fauna en flora. Terwijl de man, die per uur betaald wilde worden, geduldig wachtte, snorkelde ik met bij de kosten inbegrepen buisbril lang boven de grillige rotstuinen met hun talloze tinten. Dieper gaand zag ik in een eveneens overwoekerde wal die uit duisternis oprees overal spelonken, misschien grotten. Hoewel de verleiding groot was, waagde ik me er niet in.

Na de noodzakelijke siësta besloot ik de omgeving te gaan verkennen. Ik besteeg over houten treden de beboste heuvelrug en trof eenmaal boven een deels overwoekerd pad. Ik volgde het. Het was ondanks het bladerdek niet minder heet, maar juist verstikkend benauwd en ik deed mijn batik overhemd uit. Gaandeweg begon ik last te krijgen van jeuk, eerst op schouders en armen, maar al gauw overal. Toch was er op mijn vel niks bijzonders te zien. Het werd zo erg, dat ik de wandeling afbrak. Eenmaal terug bij mijn hut was de jeuk al bijna pijn geworden. Van een Braziliaans, in Zwitserland wonend meisje dat de hut naast de mijne had betrokken, kreeg ik St. Luke’s Powder. Dat had een verkoelend effect, maar vermocht niets tegen het ongemak, dat zich nu als rode vlekken overal manifesteerde.

Later gaf Sem een crème. Terwijl ik me daarmee insmeerde, dacht ik aan een verhaal van de eigenaresse van een toko in de stad. Haar advies was om bij het zwemmen kledingstukken aan te houden omdat er minuscule kwalletjes in het water zaten, te klein om ze goed te zien maar groot genoeg om te kunnen stralen. Ik had er stom genoeg niet meer aan gedacht. Sems middeltje hielp ook geen zier. Na vergeefs op een heilzaam effect te hebben gewacht, waarbij ik niet kon stoppen met wrijven, besefte ik naar een apotheek of arts in Manado te moeten gaan. Er vertrok echter geen boot meer. Sem zag het met lede ogen aan. Mijn jeuk, ‘gatal sekali’ noemde hij die, kon niet veroorzaakt zijn door kwalletjes, zei hij, want dan had ik al meteen in het water last moeten krijgen…

Toen hij hoorde, dat ik tijdens de zwerftocht mijn bloes had uitgedaan, sloeg hij zich tegen het voorhoofd: hij dacht te weten wat ik had. “Daun hengase!” Ik moest tegen het blad van de hengase aangekomen zijn. Ik had natuurlijk nog nooit van deze struik of boom gehoord, maar de mensen die zich inmiddels medelijdend om me heen verzamelden wel degelijk. “Daun hengase!”, riepen ze zowel verheugd (eindelijk wisten ze wat ik waarschijnlijk mankeerde) als bezorgd (wat ik had was geen kattenpis). Ik vroeg hoelang het probleem zou duren. “Drie dagen”, zei Ibu Konda spontaan. “Twee dagen”, opperde Sem toen hij mijn benauwde gezicht zag.

Was er iets tegen te doen? Misschien… Het klonk als nee. Sems vrouw kwam met een flacon olie aangesneld. Maar ook toen ik als een Turkse worstelaar droop van het vet, bleef de allergie nauwelijks te verdragen. Aan hun uitdrukkingen te zien, leden mijn vrienden bijna evenzeer als ik. Hopelijk kon een Australiër die uit de schemering opdoemde en diverse zalfjes en pillen bij zich bleek te hebben, uitkomst bieden. Hij wees mismoedig op zijn mond waar, toen ik beter keek, rode striemen uit leken te komen die zich tot over zijn borst verspreidden. Hij was dus wél in aanraking gekomen met de kwalletjes. Hij had in de stad een antijeukmiddel gehaald en bijna in één keer opgemaakt. Met een scheve grijns wenste hij me beterschap en sjokte naar zijn onderkomen.

Mijn publiek liet zich niet uit het veld slaan. Een broer van Sem kwam met een klein flesje op de proppen. Omdat het donker was, kon ik de tekst op het etiket niet lezen. Wel zag ik dat er een doodskop op prijkte. Ik draaide de dop los, rook, en werd meteen duizelig van een zurige stank.

Er werden kranten, takken en uitgelepelde kokosnoten verzameld en op geruime afstand van de hutten op een hoop gegooid waar ze er de brand in staken. Sem raadde me aan om me eerst in zee af te spoelen en daarna het goedje stevig op mijn huid aan te brengen. Ze gooiden ook plastic en rubber op het vuur, zodat er nog meer rook ontstond. Die moest in combinatie met het gemene spul het boze verdrijven, volgens Sem, die dus niet meer in de eerder genoemde oorzaak geloofde.

Iedereen was nu bloedserieus. Uit de weinige woorden die ik van hun taaltje meekreeg, maakte ik op dat zij zich nog ernstiger zorgen maakten dan ik zelf. Ik moest iets verkeerds hebben gedaan, dat de demonen zich in mij genesteld hadden. Als ik niet zo afzag, had ik er om moeten lachen, nu sloeg ik om me heen om de vonken te ontwijken. Met vereende krachten werd ik in de rook gehouden, terwijl Sem geruststellend, bezwerend zelfs, tegen me praatte alsof ik een kind was. Pas toen we helemaal zwart beslagen waren, lieten de kerels los. Ze gingen zich in de golven wassen. Ik mocht niet mee.

Iedereen wachtte daarop gespannen af wat het resultaat zou zijn. Hoe graag ik ze ook gerust wilde stellen, het telkens beven van m’n ledematen maakte duidelijk dat de boze geesten zich niet hadden laten verschalken. Kon ik me bedrinken? De vraag om spiritualiën leverde slechts twee blikjes warm Bintang-bier op. Ik wilde niet dat iemand nog enige moeite zou doen, maar de bekommernis bleek even hardnekkig als de ‘duistere kracht’ die in mij werkzaam was. Er werd druk overleg gevoerd. Uit de intonatie en de gebaren begreep ik dat er een plan beraamd werd waar ze het niet allemaal over eens waren.

Toen ik het roet van me af had gewreven, werd er overeenstemming bereikt. Beni stond op en vroeg me een shirt aan te doen. We zouden naar een dokter gaan. Eerst hadden ze gezegd dat er geen arts op het eiland was, ik had ook niet anders verwacht, vervolgens hadden ze zoveel moeite gedaan, en nu zouden we leukweg naar een dokter kunnen? Maar natuurlijk volgde ik hem. We liepen langer over het strand dan ik eerder, en kwamen langs het huisje van zijn moeder, die me vanaf de drempel bemoedigend toeknikte. Beni hielp me de heuvel op. Zijn hand was geen luxe want het was onder de bomen aardedonker. Hij moest de ogen van een roofdier hebben. Struikelend over wortels, stenen en gaten, ik tenminste, bereikten we boven een pad, hetzelfde vermoedelijk. Een paar kilometer verder zag ik een zwak schijnsel in de begroeiing.

We kwamen bij een paar huizen die in een kring stonden. Aan een tafel met een olielamp zaten enkele oude vrouwen en één man die mij verbaasd opnamen. Beni knikte naar de man, die een witte stoppelbaard had en een lang gewaad droeg. De dokter? Het maakte me niks meer uit. Als ik maar geholpen werd! Na Beni’s uitleg namen we plaats op een bank binnen. De man, die George heette, uit te spreken als Gee-jor-ge, sneed met een mes een gedroogde vrucht op de holvormige onderkant van een stuk bamboe in stukjes.

Blijkbaar was ik beland bij een ‘dukun’, een van de kruidendokters die in delen van Indonesië groot aanzien genieten. Deze vertegenwoordiger sprak volgens Beni geen Bahasa Indonesia.

Ik hoorde de namen van Jezus, Ibrahim en Allah vallen. Mooi, ik kon alle hulp gebruiken.

George deed een paar stukjes van de vrucht in zijn mond en begon boven, onder en langs beide zijden van mijn hoofd – duidelijk bedoeld als kruis – te blazen terwijl hij tussendoor formules mompelde. Ik hoorde de namen van Jezus, Ibrahim en Allah vallen. Mooi, ik kon alle hulp gebruiken. Na ‘amin’, ons amen, opende hij zijn ogen weer en glimlachte. Ik kon het nog steeds niet laten om te krauwen. Hij zuchtte en herhaalde het ritueel. Ditmaal blies hij ook uit volle kracht in mijn oren. Vervolgens schoof hij achteruit en keek me triomfantelijk aan.

“Weg?” Ik schudde mijn hoofd. Een grote fout. Hij gromde. Er moest weer een vrucht aan geloven, aangereikt door een van de omaatjes. En opnieuw voerde hij zijn act op. Omdat zijn reputatie op het spel stond, siste en spuugde hij nu ook en klonk zijn litanie dreigend. Al gauw was mijn gezicht nat gesproeid. Zonder ditmaal een reactie af te wachten schonk hij water uit een plastic fles in een glas, spuugde de ooftresten in het water en hield me het glas voor. Ik staarde hem aan. Ja ja, ik moest dit brouwsel opdrinken. Om geen enkele twijfel te laten bestaan, drong ook Beni nu aan: “Drinken meneer Albert, drink!”

Ik keek naar de spanningsvolle gezichten en nam een uiterst zuinig slokje. Beni knikte me bemoedigend toe en ik zette daarom het glas voor de tweede keer aan mijn mond en suggereerde, terwijl ik mijn lippen opeengeklemd hield, een grotere slok te nemen. De opluchting waarmee ik het glas wegzette kon gemakkelijk uitgelegd worden als een voorspoedige genezing. Maar al had ik willen veinzen dat George de plaag meester van geworden, het huiveren van mijn lijf, het leek onderhand koorts, sprak een andere taal.

George tuurde gekrenkt naar het glas, gebaarde dat ik moest gaan liggen en zei iets tegen een van de vrouwen. Aarzelend strekte ik me uit. Ze kwam terug met een opgevouwen doek die ze omzichtig over me heen legde en duwde er ook mijn armen onder. Het was een zware deken die aan alle kanten plakte en naar ‘obat macam’ stonk, tijgerbalsem. Ik moest blijven wachten. Ze zaten geanimeerd te praten terwijl ik mijn laatste restje geduld beproefde.

Ik begon te gloeien, wat ondanks de hitte die al in het kamertje heerste toch zo’n prettig gevoel was dat ik bijkans indutte. Na een tijdje boog George zich over me heen. Ik vertelde via Beni dat de jeuk inderdaad minder was geworden, maar nog voordat ik uitgesproken was, zagen ze dat mijn handen onder de bedekking het opnieuw niet meer hielden.

George gaf dezelfde vrouw weer een bevel. Zij overhandigde hem twee kleine houten stokjes. Ik keek bijna geamuseerd toe hoe hij mijn rechtervoet naar zich toe trok en vroeg me af welke fratsen hij ditmaal voor me in petto had. Het volgende moment brulde ik het uit van de pijn. George had de teen naast mijn grote teen rechts tussen de stokjes geklemd en trok die samen. Ik vloog overeind. Toen bleek dat hij er ook mee kon sturen. Met een minimaal draaitje dwong hij me weer plat. Beni drukte mijn hoofd op de bank en sprak me troostend toe. Ik hoorde hem maar half, maar zijn woorden kwamen erop neer dat het kwaad uitgedreven moest worden. Hoe harder ik riep, hoe beter het zou zijn. Overbodige woorden; al had ik niet eens willen schreeuwen, de pijn was te intens. En George klemde telkens extra hard. De tranen rolden over mijn wangen. Ik smeekte hem te stoppen maar hij hield de teen in een houdgreep. Ik riep dat het niet meer jeukte. Eindelijk liet hij af. Ik bekeek de teen. Aan weerskanten ervan hingen bloederige stukjes vel maar hij leek niet gebroken. Net niet. Zelfs nu, zoveel later, in m’n werkkamer in Bergen op Zoom aantekeningen uittypend, is hij nog steeds groenblauw.

“En?” vroeg de dokter zoetsappig. Hij was erin geslaagd om me de jeuk even te doen vergeten, dus ik knikte. Heftig. Ik wilde zo snel mogelijk weg en vroeg Beni hoeveel ik voor de medische bijstand moest betalen. George legde een hand op mijn schouder, Hij keek alsof alles voor hem slechts een peulenschil was geweest en liet vertalen dat ik een bedrag kon geven dat ik in overeenstemming vond met mijn geslaagde herstel. Ik peuterde een biljet van 10.000 Rupiah uit mijn portemonnee, bedankte hem en de anderen en vertrok met de inmiddels trots kijkende Beni.

Terwijl ik in het donker nog altijd mijn nagels over mijn huid deed gaan en op één voet en één hiel liep, vertelde hij hoe hij zelf al een paar keer genezen was door George, dat mensen van heinde en verre en met de meest uiteenlopende problemen verlossing bij hem zochten. In gedachten hoorde ik een meervoudig gekerm door de nacht opklinken. Ofwel was hun geloof sterker, mikte George bij hen met meer succes op autosuggestie, ofwel wist hij genoeg van de meest voorkomende kwalen en de geneeskundige werking van planten om de hulpbehoevenden daadwerkelijk te helpen zonder al die hocus pocus.

Hocus pocus? Vreemd genoeg moest ik constateren dat de jeuk in intensiteit afnam, zelfs bijna verdwenen was toen we bij de hutten terugkwamen, waar de vrienden ons nieuwsgierig opwachtten. Iedereen was blij met het resultaat van Georges tussenkomst. Zij glunderden. Een deel van Georges magische gaven, die er toch maar één van hen was, straalde af op elk van hen.

Schaterden zij telkens als ik over de teen vertelde, omdat ze oprecht verheugd waren dat de kwelduivel uit mij was gevlucht, of omdat George die ongelovige meneer toch maar mooi te pakken had? Of waren ze opgelucht dat ze zelf niet behandeld waren? Het antwoord zal nog wel een paar keer veranderen…

Albert Hagenaars (Bergen op Zoom 1955), aanvankelijk werkzaam als beeldend kunstenaar en galeriehouder, koos in 1980 voor de literatuur. Hij studeerde Nederlands en Frans, woonde geruime tijd in Frankrijk, werkte voor verschillende uitgeverijen en was geruime tijd redacteur van Brabant Literair. Hij publiceerde bundels en gedichten in tal van tijdschriften. Samen met zijn echtgenote Siti Wahyuningsih vertaalt hij regelmatig poëzie uit het Nederlands (en andere talen) in het Bahasa Indonesia.

Reacties (5)

  1. Frans van Tilborg schreef:

    Mooi verhaal Albert, voelde bijna de pijn en angst voor de “medicijnman”

  2. Richard schreef:

    Volledig met voorgaande reactie eens.
    Albert beschrijft zijn verhaal zo gedetailleerd dat ik de beleving en reis met veel gevoel kan meemaken. Zeker als je nog nooit daar bent geweest is het voor mij eenvoudig om er een levendig beeldverhaal bij te bedenken.
    Chapeau Albert!

  3. Adrie schreef:

    Albert heeft zijn ervaring weer eens prachtig en (voor de lezer) prachtig verwoord. Het voelde alsof ik het samen met hem moest doorstaan. Zo werd ik meegezogen in zijn belevenis.

  4. Gerard Fransen schreef:

    En ondanks dit hachelijke avontuur blijft Indonesië je grote favoriet en een beetje thuisland . Ik heb genoten van je verhaal dank daarvoor .

  5. Wim van den Boom schreef:

    Wat een mooi verhaal Albert! Ik zat er ook gelijk helemaal in. Door jouw beeldende schrijfstijl was ik er gewoon bij. Ik hou me aanbevolen voor meer!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *