poëzie door Herman Schaap •
Een nieuwe dag
De ochtend struikelt door het raam naar binnen.
Wat in de nacht krioelde is gevlucht,
een droom kruipt door de kieren nog terug.
De dag wrijft in de ogen, komt bij zinnen.
Met open ogen ga ik door de gang.
Kast, kapstok, lamp, het lijkt normaal,
toch doet het aan als voorportaal.
Iets raakt los van de muur, strijkt langs mijn wang.
De kamer leek een oogwenk lang een zaal.
Nu zie ik weer de boeken op de plank,
de schoorsteenmantel en het schilderij,
daar staat nog steeds de ingezakte bank.
Oud en vertrouwd, het is er allemaal,
alsof het altijd op mij heeft gewacht.
Misschien bestaat het slechts voor mij,
ben ik nu in een huis dat ik bedacht
en kwam ik in een schimmenspel terecht.
Zonlicht verschuift, de dag lijkt levensecht.
Gedeelde tijd
Een bijlslag deelt de tijd in twee.
Wat er nu is, zal verder gaan,
steeds verder bij wat was vandaan,
al gaat dat toch ook altijd mee.
Voorheen was er stabiliteit
in het bestaan onder de zon.
En dat het zo niet verder kon,
daar was geen mens op voorbereid.
Aan het water
Hoe stil sta je hier, waaraan denken je ogen,
verblinkend als water waar zonlicht in breekt,
zien ze wat eerder het daglicht ontweek,
of beelden als bloemen door stroming bewogen?
Zijn het gezichten, verbleekt in de nissen
van jaren op jaren, een stelsel van gangen
waardoor de gedachten al tastend spiralen,
dan, dieper nog, peilloze trappen afdalen?
Hoor je alleen nog een fluisterend zingen,
stemmen door kieren van tijdlagen klinkend,
een ademloos vragen, een zwijgend verlangen
dat stem zoekt in bijna vergeten verhalen?
Opeens kijk je weer, je lacht met je ogen,
al die bedenksels, ze waren er niet.
We staan bij het water, de wuivende oever,
de boog van de takken hoog boven het riet.
Verder
Een trage middag aan de waterkant.
Hoe tussen stammen door de akkers wijken
naar het vergrijzend groene polderland,
met stippels vee en daken langs de dijken.
Ik doe het raam omhoog en start, omdat
het laat wordt, nu het licht laag langs de bomen glijdt.
De motor gromt. Coulissen van de tijd
waar tussendoor ik terugga naar de stad.
Trams, scooters, fietsers overal rondom.
Wie weet hoever je in de toekomst kijkt?
Claxons. Ik heb niet op het licht gelet.
Naar velden, dampig aan de horizon
rolt zich een tijdreeks uit die verder reikt
dan wat je ziet vanuit mijn torenflat.
Herman Schaap (Wageningen 1949) was tot 2012 leraar Nederlands in Breda en promoveerde intussen op werk van Henriette Roland Holst. Poëzie van hem verscheen onder meer in Hollands Maandblad. Zijn gedichten zoeken een vaste vorm voor een intrigerende moderniteit. Zie ook: https://hsheep.wordpress.com
© Brabant Cultureel 2025

Werkelijk mooi is ’t !
metrisch perfect ligt ’t,
goed in-’t gehoor en ’t
klinkt als muziek.
Bovendien heeft ’t door
’t-ietwatromantische
taalgebruik ook nog ‘n
vleugje mystiek.
Knap Ties! Chapeau!