column door JACE van de Ven •
Bij de Eindhovense uitgeverij Lecturis verscheen afgelopen zomer Tête de la Course van Joost Hontelez, een leraar Frans die al zijn hele leven gedichten schrijft zonder ooit tot op het hoofdpodium van de Nederlandse literatuur te zijn doorgedrongen. Dat is ongetwijfeld een van de redenen dat niet zijn naam, maar die van de beroemde sportfotograaf Klaas Jan van der Weij op de titelpagina van Tête de la Course als eerste genoemd wordt en niet die van de dichter. Hoewel? Het is niet meer dan terecht, want eerst waren er vijfenveertig wielrenfoto’s van Van der Weij en het was Hontelez die er vijfenveertig gedichten bij schreef. Geen slechte gedichten overigens.
In bijna alle persberichten over Tête de la Course wordt vanwege de commercie vermeld dat het voorwoord van drie pagina’s in de bundel is geschreven door Bert Wagendorp. Terwijl dat niet meer dan een voorwoord is, zoals een voorwoord hoort te zijn, een aanbeveling voor wat volgt. Een groter aandeel in de totstandkoming van de bundel heeft vormgever Menno Anker die van Tête de la Course een prachtig boekje heeft gemaakt door een functionele lay-out te ontwerpen die foto’s en gedichten helder en evenwaardig presenteert. Dat alles omsloten door een harde kaft met een foto die onmiddellijk de aandacht trekt.
Eerst de foto’s, dan de poëzie
Het is een shot uit de eerste etappe van de Tour de France van 2024 waarop de twee ontsnapte renners van dezelfde ploeg, Frank van den Broek en Romain Bardet , omkijken naar hun achtervolgers. En niet zomaar een shot, het is of ze samen één hoofd hebben, op volkomen natuurlijke wijze. Tel daarbij de identieke kledij die ze als ploegmaats dragen en je ziet een Siamese tweeling op de fiets. Het beeld is af.

De foto komt in de bundel nogmaals voor, maar nu met de renners minder centraal en, beter zichtbaar dan op de omslag, een aanstormend peloton in de verte. Het is geen icoon meer, maar een sportfoto, een verhaal dat nog niet af is. Daarom kan Joost Hontelez er een gedicht bij schrijven waarin hij de jonge renner Van den Broek adoratie tot de oudere ster Bardet toedicht en hem één laat worden met zijn idool. Mooi, maar een beetje bedacht.
Dat ‘een beetje bedacht’ geldt voor het merendeel van de gedichten in Tête de la Course en het onderstreept de wetenschap dat er eerst de foto’s waren en dan de teksten. Door zijn wielerervaring – hij fietst veel en noemt de fiets zijn muze – weet Hontelez zich evenwel volkomen in te leven in de beelden van Van der Weij en schrijft er op poëtische wijze woorden bij die iets toevoegen. De foto’s maken herinneringen bij hem wakker, intense gevoelens, geleden pijn en liefde en vooral, liefde voor de fiets. Dit is niet de zoveelste bundel wielerteksten vol Smeetsiaanse nietszeggendheid. Dit is wel degelijk poëzie, beeldende kunst en poëzie tezamen die raken aan de magie die de wielrennerij teweeg kan brengen. Ik ben blij dat ik het boekje heb en zal het blijven koesteren.
Wielerlegende Rini Wagtmans
Blij ben ik ook dat de bijna tachtigjarige wielerlegende Rini Wagtmans eindelijk het wielermuseum lijkt te krijgen waar hij zich jarenlang voor inzette. Het Oude Raadhuis in Etten-Leur is gekocht door een ondernemer die er onder andere een wielermuseum en een horecagelegenheid in wil vestigen. Het heeft lang geduurd voor het zover was. Toen Brabant Cultureel nog een papieren tijdschrift was, heb ik er al eens over geschreven. Onder andere over waarom ik het noodzakelijk vind dat een Nederlands wielermuseum juist in West-Brabant komt.
Zeker in het zuiden van dat provinciedeel werd in de eerste helft van de vorige eeuw veel armoede geleden en was slagen als renner voor een jongeman ongeveer de enige mogelijkheid om zich te onderscheiden. Hopelijk wordt aan deze sociale en culturele zaken straks aandacht besteed in het nieuwe museum. Wielrennen is meer dan alleen maar hard kunnen trappen. Aan Rini Wagtmans zal het niet liggen, hij heeft zich na zijn wielercarrière altijd sociaal en cultureel onderscheiden en werd daarom vorige week nog ereburger van de gemeente Rucphen. Terecht.
En nu we het toch over fietscultuur hebben, wil ik nog even wijzen op De Zwarte Trui, een boek over sterfgevallen in de wielersport door Flip van Doorn. De moeite waard. Het deed me terugdenken aan de, naar ik meen, vierenzestig gedichten over te vroeg overleden wielrenners van de Kaatsheuvelse dichter Albert Megens die hij in 2011 bundelde in het prachtige boekje Requiem voor een wielrenner. Dat is volgens mij alleen nog antiquarisch te verkrijgen, maar heeft aan belang niet ingeboet. Ik werd heel stil toen ik het voor de eerste keer las.
De Ronde van België
Trouwens van Flip van Doorn verscheen vorig jaar ook al een wielerboek van belang, De Ronde van België, bijna achthonderd pagina’s dik. Het heeft als ondertitel ‘Een cultuurgeschiedenis op twee wielen’ en dat is het ook. Van Doorn fietste bijna vierduizend kilometer door België, verdiepte zich in de plaatsen en mensen die hij passeerde en doet daar verslag van. Dat alles op een manier – maar dan minder vrijblijvend – zoals ik afgelopen zomer op deze plaats vier afleveringen van ‘De Ronde van Brabant’ publiceerde, een culturele en historische fietstocht langs de grenzen van onze provincie. Van Doorn probeert België en de Belgen te begrijpen en moet daarvoor herhaaldelijk het surrealisme te hulp roepen. Boeiend van begin tot eind en het deed me soms denken aan situaties in ons eigen Noord-Brabant. Zijn we hier dan toch een soort van reserve-Belgen?

Graag sluit ik af met de laatste zinnen uit Van Doorns voorbeschouwing uit De Ronde van België: ‘Nergens krijg je het leven in al zijn facetten – van hoogglanzend tot intens smerig – op zo’n verrukkelijke wijze uitgeserveerd als in de wielersport. En nergens gebeurt dat met meer overgave dan in België.’ Niet geloven? Ga maar kijken.
Meer columns van JACE op Brabant Cultureel
© Brabant Cultureel 2025

Mooie update van recente uitgaven met ‘fietsen’ als onderwerp.
vooral melden wanneer het wielermuseum in Etten L. opengaat.