poëzie door Herman Coenen •
Nachtegalen
Waarom ik mijn tentje juist daar
had neergezet, het ligt aan minieme dingen,
de kant langs de afrastering te vol,
midden op het weitje te kaal, dan maar
vlak vóór waar het gras schuin omlaag liep
naar de elzenstruiken langs het donker beekje.
Muggen, ach.
De avond viel, potje gekookt, bord en bestek
afgewassen. In de verte, vanhier niet te zien,
de granieten rots met de oude abdij, daar
zou ik morgen heen. Tussen het opschietend hout
glimp van de maan, bijna vol. En dan
vanuit het niets dat geluid, vogelkeel. Fel,
doordringend, één onafgebroken tirade van geluk,
rijk, ongeremd, een over alles heen vallende
zijden mantel doorstikt met gouddraad,
spikkels zilver, fonkelende edelsteen. Zomaar
naar mij toe gekomen, deze late voorjaarsavond,
onverwachte hoge gast. En niet alleen,
een glinsterende ketting achter hem aan
van bondgenoten, gelijkgestemden, buitelend
over elkaar, wedijverend om wie het brutaalst
bestijgen kon de piek van schoonheid.
Het feest duurde tot diep in de nacht
lang nadat ik de rits had dichtgetrokken
rond het luisterende donker om mij heen.
Luisteren, hoe het je leven lang onverminderd
doorgaat, gisteravond die lijster, terwijl wij
luid stonden te praten in de moestuin
liet hij het me weten, even dringend
als daar toen zij: hoor, ontvang, wees stil.
Praal
Een dunne bleke wortel steekt zijn punt
omhoog uit de zwarte klonters compost
die ik aandruk rond het stekje van de lupine.
Ik pluk hem eruit, nee geen wortel,
het is een van jouw lepeltjes,
ik herken de fijne gedraaide steel,
zilver was het en je bewaarde ze
in een kopje op het dikbuikig kastje
met het in bloemmotieven geslepen glas.
Ik was het onder de kraan, borstel het vuil
eraf. De oude glans is weg, het zilver uitgebeten
door de rotting die de tuin zo goed doet.
De schittering waarin ik met jou geloofde –
en de aarde die de langste adem heeft,
ik weet jij leeft, maar heel anders
dan wat de wereld ons voorhoudt te vereren,
straks bloeit hij hier, de paarse lupine
die zo overdadig in jouw tuintje stond te pralen.

Daarom bijvoorbeeld
Stoel bij het tuinraam
Maandag 21 juli 2025
Omdat je iets als een verankering zoekt,
enkele van de losse draden die overal hangen
wil aaneenknopen, dat er herkenningspunten ontstaan,
daarom bijvoorbeeld zou je kunnen schrijven,
we hadden het erover,
zittend onder de omlaag buigende vuurdoorn
die ik op een dag gestut had met een schoffel,
de zwarte steel een bijna onzichtbaar ijkpunt
naast de stoel waarop jij nu zat
en je verbaasde hoe de tak
om het omhoog stekend ijzer heen was gegroeid,
zo diep gaat het in je vlees zitten, het schrijven,
een ijkpunt dat je niet buiten je kan houden,
een knoop die je niet zomaar verzint.
Deze zomerse beelden krijgen stem en muziek in een optreden tijdens de jaarlijkse opening van het cultuurseizoen. Dat gebeurt in de solovoorstelling met poëzie, concertina-improvisaties, mijmeringen met de titel ‘Mijn juli, anders dan anders’. Zaterdag 20 september 2025 in Mariëngaarde (de Salon), Burgemeester Damsstraat 7 te Tilburg. Aanvang 15.30 uur.
Herman Coenen (1946) is socioloog en oud-hoogleraar van de Universiteit voor Humanistiek (Utrecht) en woont in Tilburg. Hij publiceerde eerder gedichten en korte verhalen in literaire tijdschriften, op Brabant Cultureel, in eigen bundels en op cd.
Beeld > Hans Lodewijkx
© Brabant Cultureel 2025
