column door JACE van de Ven •
Van onze fietstocht langs de grenzen van Noord-Brabant die ik vijfentwintig jaar geleden beschreef, hebben we het noordoosten nog over, van Overloon tot Heusden. Laten we beginnen met een letterlijk overgenomen deel uit mijn tekst van toen:
Wie goed rondkijkt in Overloon, kan nog goed zien dat het dorp veel doorstaan heeft. Het oorlogs- en verzetsmuseum kon er ooit beginnen met het zetten van een hek rond de achtergelaten ellende.
Midden in het dorp ontdek ik een kapel gewijd aan O.L.V. van de Goede Duik. Tijdens de oorlogsjaren was het heel gebruikelijk om van “duiken” te spreken in plaats van “onderduiken”.
(…) In de kapel zit een stenen Maria nogal wulps op de knie van een man en kroelt een andere door de haren. In verband met het onderschrift “van de goede duik”, zal menig niet katholiek onderlegde figuur concluderen: die duiken dadelijk lekker samen de Maas in.’

A. den Doolaard schreef het gedicht ‘Gebed tot Onze Lieve Vrouwe van den Goeden Duik’ in de al in 1944 in Londen uitgegeven bundel De Partisanen en andere gedichten. In het voorwoord van de bundel schrijft hij: ‘Men zal in den bundel een gedicht aantreffen, dat ik schreef op verzoek van een Roomsch-Katholiek geestelijke. Moge dit gedicht, geschreven voor katholieken door een niet-katholiek, getuigenis afleggen van den nieuwen eerbied voor elkanders overtuiging…’ Het gedicht eindigt zo:
Bewaar mijn voeten voor de valsche klem
Van hen, die met den Duitschen vijand hoeren.
Dan, elken dag als ik den dauw weer ruik
Zal ik u prijzen met gesmoorde stem
Gij, Lieve Vrouwe van den Goeden Duik.
En dan volgt er nog iets heel opmerkelijks. De uitgever vermeldt onder het gedicht: ‘Twee regels van het zevende couplet moeten om redenen van veiligheid ongedrukt blijven tot na den oorlog.’ Het gaat om de eerste twee regels van dat couplet. In een latere verschenen editie staan de regels wel:
Op onraad staan de wieken van de molen
De horens blazen onraad door het land.
Het is allang geen geheim meer dat onderduikers en verzetsstrijders tijdens de oorlog communiceerden via de stand van molenwieken.
Tot zo ver mijn zelfcitaat. Verderop in mijn tocht van toen, Vierlingsbeek voorbij, besteed ik aandacht aan de meidoornheggen die het landschap hier bepalen: Natuurreservaat de Maasheggen. En ik merk nogal kordaat op: ‘Graag had ik u hierna iets over Boxmeer verteld, maar als ik die plaats binnenrijd zie ik dat zij zich aanprijst als Centrum van Shopping. Jammer, maar aan centra van shopping doe ik niet.’ Ook het Land van Cuijk liet ik voor het grootste deel rechts liggen. Kwam het omdat mijn vader over deze streek placht te zeggen: ‘Waar ze praten van “huus” en “thuus” daar valt geen stuiver te verdienen.’ Mijn vader verkocht huishoudelijke artikelen aan dorpswinkels en er zal in de buurt van Cuijk wel een concurrent gewoond hebben die goedkoper was dan hij.

Via Oeffelt, Sint Hubert en Mill reed ik richting Grave, niet via de grote weg, maar door natuurgebied De Tongelaar. ‘Er moet daar een dassenburcht zijn. Kijk, zo’n ding zie je niet, maar je bent je bewust dat je door een nog niet verloren landschap rijdt’, noteerde ik. Vijfentwintig jaar later worden de dassen die destijds werden uitgezet, overreden door ons snelverkeer of mogen ze figureren in bezwaarschriften tegen bouwprojecten. Ach, wij en de dieren… Hoeveel miljoenen insecten zouden er in Brabant nu minder zijn dan toen ik mijn fietstocht ondernam?
Ik lees dat ik via Beers en Gassel mijn tocht vervolgde en dat ik op de Gasselse Heide vastreed. Een kaart had ik niet bij me, ik moest de weg vragen en noteerde: ‘Ach, zo leer je nog eens wat en kom je nog eens ergens. Had ik niet rond Brabant gefietst, ik had nooit geweten dat ze hier tegen het dorp Escharen geen Escharen zeggen, maar Esteren.’ Dat komt omdat het makkelijker bekt. Daarom zeggen we ook Gool tegen Goirle en Baolsert tegen Bolsward. Heel logisch, ook al doen de Friezen net of dat in hun geval iets heel bijzonders is.

Vijfentwintig jaar geleden leefde Willem Iven (1933-2009) nog en kennelijk ben ik tijdens mijn fietstocht bij hem in Herpen op bezoek gegaan. Willem was in Oost-Brabant een veel gevraagde gast met zijn vrolijke Brabantse vertelsels in Peellands dialect. Maar misschien was hij nog wel belangrijker als natuurbeschermer. Hij kende elk plantje en beestje, was ambtenaar van Staatsbosbeheer, bracht onder meer het Brabantse heideschaap terug in de provincie waar het vandaan kwam en verzette zich al in de jaren zestig tegen de kanalisering en het rechttrekken van beken. Daarvoor werd hij eens letterlijk door boeren afgeslagen.
Het zijn dezelfde beken waar nu weer kunstmatig bochten en draaiingen in worden gemaakt. Omdat ik Willem dankbaar ben voor zijn inzet voor de natuur in Brabant, ging ik altijd graag bij hem langs. Altijd stak ik iets op van wat hij vertelde. Die keer van mijn fietstocht hadden we het kennelijk over bijen. Wist u dat veruit de meeste bijen niet in een bijenvolk wonen, maar ergens op hun eentje of met enkelen?
Na de koffie bij Willem Iven reed ik terug naar Ravenstein ‘en na dat eerbiedwaardige stadje rechtsaf naar Neerlangel en ik ben weer terug bij de Maas’. Blij dat die rivier zoveel kilometers lang de grens van Brabant vormt. Het uitzicht is prachtig en rustgevend, over de Maasdijken rijden over het algemeen weinig auto’s en de plaatsjes die je passeert zijn klein en ‘diktrommerig’: Neerlangel, Demen, Dieden, allemaal vlekken waar de kerk groter is dan de rest van het dorp. Aan de overkant van de rivier doen ze er niet voor onder. Het lijkt wel of de dorpen aan de Maas tegen elkaar op bieden met hun kerktorens. Een ontdekkingsreiziger uit een andere cultuur kijkt hier zijn ogen uit.
Megen is iets groter, maar heeft dan ook drie torens. Een is er van het Franciscanerklooster waar broeder Evert, ‘het heilig bruurke van Megen’, portier is geweest. Dat bruurke was zo vroom dat hij er in onze tijd om uitgelachen zou zijn. Na zijn dood in 1950 kwam er spontaan een bedevaart op gang en sinds 1954 ligt Evertje in een eigen grafkapel waar mensen ongevraagd bloemen neer komen zetten en briefjes met intenties achter zijn gebeeldhouwde mouwen steken.’

Ik bleef de Maas volgen destijds en merkte op dat je ‘als fietser nog net tussen Den Bosch en de Maas door’ kunt rijden. Wees gerust, dat kan nog steeds, de weg naar Hedel over, voorbij Bokhoven richting Hedikhuizen. Ik doe in mijn tekst van toen een beetje satirisch over ‘het nieuwbouwcomplex de Haverleij met zijn gestapelde appartementen die kastelen worden genoemd en met zijn golfvelden om die Eftelingachtige nieuwbouw heen. De toegangswegen naar dit Walhalla voor trendsetters zijn met betonblokken afgesloten.’

Als ik in de verte de scheepswerf van Heusden – die al lang niet meer bestaat – zie liggen, draai ik af naar mijn vertrekpunt Tilburg. Ik schrijf dat ik nog eens rond Brabant ga fietsen, maar dan andersom. ‘Ik ben tijdens mijn tocht op zoveel mooie plekjes gestuit dat ik die absoluut ook nog eens vanuit ander perspectief wil zien opdoemen’, schreef ik. Waarom heb ik die nieuwe tocht nog steeds niet gemaakt? Ik moet het doen, al was het maar om te kijken of al die mooie plekjes intussen niet als de dassen platgewalst zijn.
Lees eerdere afleveringen van De Ronde van Brabant op Brabant Cultureel
© Brabant Cultureel 2025

Het klopt Jace, wegen en bouwprojecten begrenzen de leefwereld van dassen maar op Tongelaar zelf floreren de dassen en hebben ze een paradijselijk leven.