Het gold als achtste wereldwonder en was bij voltooiing een magistrale uiting van stedelijke trots: het Paleis op de Dam. Het classicistische bouwwerk is zowel binnen als buiten bijzonder rijk aan sculptuur. Het is dan ook meer dan terecht dat Artus Quellinus, ontwerper en maker van het overgrote deel van de beelden en ornamenten, nu in de schijnwerpers staat. Maar er is ook werk van hem in Bokhoven.
door Lauran Toorians
Het gebouw van architect Jacob van Campen in het centrum van Amsterdam heeft een soort vanzelfsprekendheid waardoor we er vaak achteloos aan voorbij lopen. Het is ook door misverstanden omgeven. Om te beginnen werd het niet gebouwd als ‘paleis’, maar als stadhuis voor de stad die op dat moment in volle bloei was. Met de bouw werd begonnen in 1648, vlak nadat er een einde was gekomen aan de Tachtigjarige Oorlog en de soevereiniteit van de Republiek internationaal was erkend.

Het inwonertal van de stad was in korte tijd verviervoudigd en de handel bloeide als nooit tevoren. Dat alles moest het nieuwe stadhuis uitstralen. Pas in 1808 werd het een paleis, eerst voor koning Lodewijk Napoleon en later voor Willem I en diens nazaten. Een ander misverstand is het adres: Dam 1. Daar is weliswaar de entree voor toeristen, maar vanaf de Dam zien we de achterkant van het gebouw. De officiële ingang bevindt zich aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Dus als Willem-Alexander bij de dodenherdenking een krans komt leggen, gaat hij door de achterdeur in en uit.
Barok staat haaks op de volksaard
In zijn meermaals herdrukte boek Nederland’s beschaving in de zeventiende eeuw (oorspronkelijk uit 1941) betoogde Johan Huizinga met grote stelligheid dat de barok totaal haaks staat op de Nederlandse ‘volksaard’ en daardoor in Nederland nooit voet aan de grond kreeg. Hooguit voor Vondel wilde hij een uitzondering maken.
Wat later in het boek noemt Huizinga ook Huis ten Bosch, dat werd ‘versierd’ door leerlingen van Rubens, maar daarop volgt dan meteen de nuancering dat het ‘beschavingsleven’ in de Republiek niet bepaald draaide om het stadhouderlijk hof.
Opmerkelijk is dan dat wanneer Huizinga het heeft over ‘het nieuwe Raadhuis’ van Amsterdam – nu dus Paleis op de Dam – en de opdrachten aan kunstenaars ter decoratie van dat gebouw (‘waarlijk de hoogste opdracht’) hij uitsluitend Rembrandt noemt. Rembrandt maakte voor dit stadhuis ‘De samenzwering van de Bataven onder Claudius Civilis’, een schilderij dat letterlijk niet paste, door de heren van Amsterdam werd afgekeurd en dat (wat ervan over is) nu in Stockholm hangt.
Rembrandt was tweede keus
Voor Huizinga was dit schilderij ‘het grootste, wat zijn (Rembrandts) geest ontvangen heeft’. Misschien, kunnen we nu denken, was het voor die Amsterdammers toch te barok, of – wat minder vriendelijk – te veel Rubens. Overigens was Rembrandt ook ‘tweede keus’, want de opdracht voor een reeks schilderijen met dappere Bataven en goede patriotten voor in het stadhuis was naar Govert Flinck gegaan en die overleed voordat de reeks compleet was.

De kunstenaar van wie het meeste en grootste werk in en aan dit nieuwe stadhuis is te zien, wordt door Huizinga niet eens genoemd. Dat is Artus Quellinus (1609-1668), beeldhouwer uit Antwerpen wiens werk toch echt barok mag heten. In 1648 kreeg hij de opdracht voor het decoratieprogramma van het stadhuis dat hij samen met medewerkers uitvoerde. De classicistische barok had hij leren kennen in Rome en in Antwerpen onderging hij de invloed van Rubens.
Expo in kader Amsterdam 750
Veertien jaar lang woonde en werkte hij in Amsterdam waar hij een grote werkplaats had met medewerkers en een enorme toevoer van marmer. Naast de beelden en ornamenten voor het stadhuis mocht hij ook nog andere opdrachten aannemen, zodat hij ook een hele reeks Amsterdamse bestuurders en notabelen in marmer kon vereeuwigen. In het kader van Amsterdam 750 is er nu een grote expositie met en over zijn werk. Uiteraard in het Paleis op de Dam, want daar bevindt zich het grootste ensemble van zijn werken.

De gemeente Amsterdam bezit ook nog een flinke collectie ontwerpen die Quellinus in klei maakte als voorbereiding op de marmeren beelden. Die zijn in bruikleen in het Rijksmuseum en zijn nu ook in deze expositie te zien. Ook deze beelden zijn uiterst gedetailleerd en maken het mogelijk de beeldhouwer letterlijk op de vingers te kijken. Alsof hij de klei net heeft gekneed. De marmeren beelden zijn levensecht en kunnen zich zonder meer meten met de werken van Michelangelo en Bernini die Quellinus in Rome bestudeerde.

Hoewel er ook eerder in het Paleis op de Dam wel aandacht is geschonken aan het werk van Artus Quellinus, gebeurde dat nooit op dezelfde schaal als nu. Aan de tentoonstelling ging uitgebreid onderzoek vooraf en er verscheen een prachtig uitgevoerd boek over de kunstenaar. Later dit jaar verschijnt ook nog een boek over het beeldprogramma van het Paleis op de Dam, oorspronkelijk het proefschrift uit 2022 van Eymert-Jan Goossens die als kunsthistoricus lang werkzaam was in het Paleis.
Alsof ze slapen
In de tentoonstelling en het begeleidende boek is er ook beknopt aandacht voor een meesterwerk van Quellinus dat een verborgen bestaan leidt in het kerkje van Bokhoven, nu gemeente ’s-Hertogenbosch. Het gaat dan om het praalgraf van Engelbert II van Immerseel (circa 1600-1652) en zijn echtgenote Helene de Montmorency de Robeque (1610-1648) waarin de beide echtelieden in wit cararamarmer bovenop de zwartmarmeren graftombe liggend zijn afgebeeld. Alsof ze slapen in afwachting van de wederopstanding. Quellinus maakte het in 1649-1650 in Antwerpen waar het bedoeld was voor de Predikheren- of Sint-Pauluskerk.

Zowel Engelbert als zijn vrouw behoorden tot hoog adellijke families. Hij was onder meer heer van Loon op Zand, van Bokhoven, van Itegem, Ter Hameyden en Immerseel en burggraaf van Aalst. De familie van Immerseel stamde uit de omgeving van Antwerpen en bezat in die stad een paleis – het Hof van Immerseel – met een rijk gedecoreerde gotische kapel.
In 1640 werd Engelbert door keizer Ferdinand II van het Heilige Roomse Rijk verheven tot ‘rijksonmiddellijk graaf’ van Bokhoven, een hoge titel die inhield dat hij als graaf van Bokhoven niemand boven zich hoefde te dulden, behalve de keizer zelf. Dit maakte van Bokhoven een onafhankelijke enclave waarop de Staten-Generaal geen invloed had en die dus ook na 1648 katholiek kon blijven.

Door de politiek onzekere tijden hadden Engelbert en zijn vrouw getwijfeld over hun laatste rustplaats. Oorspronkelijk overwogen zij Antwerpen en doordat Helene de Montmorency al vroeg overleed werd zij daar inderdaad begraven. Maar toen het grafmonument gereed was, besloot Engelbert het toch naar Bokhoven te laten verschepen. Daar staat het sindsdien in de kerk van de kerk Heilige Antonius Abt waar het voor bezoekers zelden te zien is.
Naar zijn stand gedragen
De heerlijkheid Bokhoven was nog geen drie vierkante kilometer groot, maar was wel al sinds 1499 een baronie en daardoor een onafhankelijk gebiedje, wat dus met de verheffing van Engelbert tot graaf nog eens werd versterkt. Die eer viel hem te beurt wegens verdienste aan katholieke zijde, mogelijk in de Dertigjarige Oorlog in Duitsland.
We weten dat hij zijn bevordering tot in de hoogste kringen meteen ook uitdroeg en dat hij zich naar zijn stand ging gedragen. Nog in hetzelfde jaar 1640 liet hij namelijk bij zijn kasteel in Loon op Zand een maliebaan aanleggen. Malie was toen bij uitstek een balspel (met een hamer) voor de rijken, zoals polo dat tegenwoordig is.
Ook in Bokhoven was er weliswaar een kasteel, maar het kleine graafschapje bood nauwelijks ruimte voor een maliebaan en we weten dat de familie overwegend woonde op het kasteel in Loon op Zand dat toen stukken groter was dan het huidige ‘Witte kasteel’ daar.
Op dit kasteel werd met Quellinus het contract gesloten voor het grafmonument en bijzonder is dat deze overeenkomst, met een eerste schets van het monument, bewaard is gebleven. Quellinus nam de opdracht aan voor een bedrag van duizend patacons (rijksdaalders) en moest het werk binnen een jaar leveren. Beide partijen ondertekenden de overeenkomst.

De tekst van het contract luidt: ‘Op heden daer onderscreven heeft Syne Genade mijn Heer Engelbert de Ymmerselle graeve van Bochoven ende des H. Roomsch Rijks, etc. aenbesteedt aen Hr Artus Quellino, ghelijck deselve Quellinus heeft aanveert ende aenghenomen te maecken sullen ende te stellen inde P.P. Predickheeren-Kercke tot Antwerpen eene tombe naer vuijtwijsen ende volgens modelle ende voetmaet van de hoochde, breijdde ende lenghde, hieronder ghestelt: de materiaelen sullen wesen van marber, te weten hetghene hier int wit staet van witten marber, het swart van swaerten, ende het roodt van rooden marber; soo sal oock denselven Quellinus ghehoudeti sijn te maecken dat de voors(schreven) tombe volcomentlijcke ende effectivelijck is ghestelt op haer behoorlijcke plaetse ten vuijtersten ende ten langhsten binnen een jaer naer dato deses.
Voor al het werck, te weten soo van materiaelen, maecken ende stellen welghemelte sijne ghenaede sal betaelen aen den selven Quellino de somme van duysent pattacons. Des Convoij is deze bij sijne Ghenaede ende voorn(noemde) Mr Quellino ondertekent op den Casteele van Loon den 20ste Junij 1649, is ook mede bespreeck ende conditie dat voorn(oemde) tombe vijff voeten breet moete wesen. Oorcon als boven. / E. d’Ymerselle, graef van Bouchove – Artus Quellien.’
Hoe het stuk de overstap maakte
Dat dit contract bewaard bleef is een klein wonder. Bij de bevrijding van Loon op Zand werd het dorp op 28 en 29 oktober 1944 door de geallieerden zwaar beschoten waarbij ook het kasteel flinke schade opliep. Hoewel het heerlijkheidsarchief van Loon op Zand voor een groot deel bewaard is gebleven, weten we dat bij deze beschietingen en de nasleep daarvan ook delen van het archief in het ongerede raakten en er stukken ronddwarrelden.
Het was Pieter A. van Beers (1898-1959), melkboer en gedreven amateurhistoricus, die het contract voor het grafmonument opraapte en in bewaring nam. In 1952 schonk hij het aan de norbertijn Pieter Breugelmans die van 1941 tot in 1959 pastoor in Bokhoven was. Breugelmans publiceerde het stuk nog in datzelfde jaar in het heemkunde-tijdschrift Met Gansen Trou. Van Beers noemde hij daarbij niet, waardoor onbekend bleef hoe dit stuk de overstap maakte van het heerlijkheidsarchief van Loon op Zand naar het archief van de Abdij van Berne. En hoe het niet veel had gescheeld of het was door oorlogsgeweld voorgoed verloren gegaan.
Grafmonument beschermd met balen stro
Ook Bokhoven kwam in de nacht van 4 op 5 november 1944 zwaar onder vuur te liggen. Daarbij werd de kerktoren vernield en liep de kerk ook verder forse schade op. Het grafmonument was door pastoor Breugelmans tijdig beschermd door het in te pakken in dikke balen stro. Pas in september 1950 was de kerk van Bokhoven weer beschikbaar voor de eredienst. Het kasteel van Bokhoven was al veel eerder, in 1794, door Franse troepen vernield.
Met zo’n driehonderd inwoners is Bokhoven nog steeds piepklein en behalve tijdens missen is de kerk zelden te bezoeken. Dat is jammer, want met haar barokke interieur met meerdere monumentale elementen en met de Immerseel-graftombe van Quellinus als hoogtepunt is ze zeker een bezoek waard. Wel is het mogelijk de kerk virtueel te bezoeken, wat altijd nog beter is dan voor een gesloten deur staan:
www.erfgoedshertogenbosch.nl/verhalen/virtuele-tour-h-antonius-abtkerk-bokhoven
Artus Quellinus, beeldhouwer van Amsterdam, tot en met 27 oktober in het Koninklijk Paleis Amsterdam (Paleis op de Dam).

Bieke van der Mark (red.), Artus Quellinus. Beeldhouwer van Amsterdam. Amsterdam: Rijksmuseum / Rotterdam: 010nai uitgevers 2025, 224 pp., ISBN 978-94-6208-911-2, hb., € 35,00.
Eymert-Jan Goossens, Heel en Al. Kunst, geloof en wetenschap in het stadhuis van Amsterdam, 1647-1665. Zutphen Walburg Pers 2025, 320 pp., ISBN 9789464566192, hb., € 34,99 (verschijnt begin november).
www.paleisamsterdam.nl/artus-quellinus/
Lees meer van Lauran Toorians op Brabant Cultureel
© Brabant Cultureel 2025

Wat een interessant verhaal! Mijn vrouw en ik kwamen de voorbije week op onze fietstocht van Tilburg naar Lith op de heen- en terugweg door Bokhoven. Had ik dit artikel eerder gelezen dan hadden we er met nog net wat meer verwondering doorheen gefietst.
Mooi compliment. Bedankt daarvoor.
Op zondag 14 september 2025 (Open Monumentendag) is de kerk open van 12.30 tot 17.00 uur.
Nog een mooie anekdote uit die tijd: in Europa werd door de elite het stadhuis minnetjes gevonden, gezien het ontbreken van grandeur in de vorm van trappen of balkon als entree.
Totdat eenmaal binnen, Quellinus laat zich zien, magnifieke beelden, en bij buitenkomst nog eens omhoog gekeken naar die beelden, en God zag dat het goed was..