De Ronde van Brabant (3)

column door JACE van de Ven

We gaan verder met onze fietstocht rondom Noord-Brabant die ik vijfentwintig jaar geleden maakte, Vandaag is de zuidoostelijke grens aan de beurt. Vanuit Tilburg rijd ik via Goirle naar Poppel. Alweer België, maar een plaatsje dat voor de helft door Nederlanders wordt bewoond en waar in vroegere decennia café Mieke Pap de huiskamer van Tilburg kon worden genoemd. Zonder de huidige uitbaters te kort te willen doen, durf ik te stellen dat zoiets nu niet meer het geval is. Ook op horecagebied verandert de cultuur. Brabanders gaan niet meer vanzelfsprekend een pint drinken als ze vrij zijn.

Op mijn tocht van vijfentwintig jaar geleden steek ik daarna de loftrompet over landgoed De Utrecht tussen Esbeek en De Mierden. Ik vermeld nog nergens het Andreas Schotelmuseum en de bijbehorende kunstroutes. Die bestonden toen misschien nog niet, maar zijn een aanrader om eens te gaan verkennen, temeer daar ze opgesierd zijn met soms meer dan levensgrote beelden van dieren en mensen uit het werk van Andreas Schotel en met een gigantisch beeld van de kunstenaar zelf. Meer info: andreasschotel.nl.

Het gigantische beeld van de kunstenaar zelf. Foto > Bregje Schipper | wandelvrouw.nl

We gaan verder richting Reusel. Ik noemde dat dorp toen het uitgaanscentrum van de Kempische jeugd. Is dat nog zo? En is het bij de Abdij van Postel nog even druk als vroeger? Als andere abdijen had zij altijd een grote aantrekkingskracht, hoewel er niet veel was te zien. Net als bij de nabijgelegen dansgelegenheden met een Decap-orgel, Heidelicht en De Kaasboerin, was het een verzamelpunt van gelijkgestemden, ouderen die hier een Postelbier – overigens niet op de abdij gebrouwen – kwamen drinken. Maken ze er nog een boswandeling, kopen ze er nog kaas, hesp of abdijbrood? Volgens mij is Heidelicht tegenwoordig gesloten en trekken de Abdij van Postel en De Kaasboerin minder publiek dan vroeger. Waarom? Zoals alles gaan ook generaties en hun voorkeuren voorbij.

In Luyksgestel fiets ik achter het Luyksgestels openluchttheater De Hunnenbergen door het Venakkerbos. Ooit was dit het hoogste punt van Brabant, 44 meter boven NAP. Maar dat record bestaat niet meer. Een heuvel tussen Nuenen en Mierlo blijkt inmiddels maar liefst achttien meter hoger. Het is de RAZOB-berg, de voormalige vuilnisbelt van het Regionale Afvalverwerkingsbedrijf Zuidoost-Brabant. Proficiat, mede-inwoners van Noord-Brabant, dankzij de ontzaggelijke hoop troep die we maken, krijgt onze provincie toch nog bergen.

Dankzij de ontzaggelijke hoop troep die we maken, krijgt Brabant toch nog bergen.

Luyksgestel is een van de jongste stukjes Nederland. Het behoorde tot het prinsbisdom Luik en is pas in de negentiende eeuw Nederlands geworden. We hebben het geruild tegen het nu Belgische Lommel dat net ten zuiden van Luyksgestel ligt en dat tussen 1648 en 1795 net als de rest van onze provincie tot het Generaliteitsland Staats-Brabant behoorde. Dat woord Generaliteitsland sloeg op het feit dat we geen eigen provinciebestuur hadden, maar rechtstreeks werden bestuurd door de Staten Generaal in Den Haag. Na de Napoleontische tijd kreeg Brabant wel een eigen provinciebestuur, maar het heeft nog zeker honderd jaar geduurd voordat het als een volwaardige provincie werd gezien. Dat was te danken aan de economie die mee begon te tellen en aan de invoering van het algemeen kiesrecht waardoor ook de katholieke stem ging meetellen.

Toen schijnt de kapelaan gezegd te hebben: Laten we er ook maar Emmanuel bijdoen.
Vandaar JACE.

Later fietste ik richting Achelse Kluis. Zoals meer riviertjes in Noord-Brabant is hier de ooit gekanaliseerde Tongelreep teruggegeven aan de oorspronkelijke natuur. Hoewel, oorspronkelijk? Sommige meanders worden op hun plaats gehouden door stukken basaltsteen. Om het abdijgehalte niet te hoog op te drijven, liet ik de Achelse abdij rechts liggen en fietste over de Grote Heide richting Budel. Herhaaldelijk keek ik naar links of ik de ‘Lindse blaos’ kon zien, de uivormige bol op de spits van de middeleeuwse toren van Leende. In die kerk ben ik op kerstavond 1949 gedoopt: Jacobus Antonius Cornelius. En toen schijnt de kapelaan gezegd te hebben: “Laten we er ook maar Emmanuel bijdoen, want in de Achelse Kluis hebben ze de kerstvespers al gezongen.” Vandaar JACE.

Sint Petrus Bandenkerk in Leende met de ‘Lindse blaos’. Foto > Wikipedia | RCE

Ik reed vijfentwintig jaar geleden om Budel heen naar Maarheeze, de A2 over, langs de Philipsfabriek waar in mijn jeugd al Spaanse gastarbeiders werkten – is die er nog? – richting de Peel. Ik reed over een fietspadje door een bos. Op zich niet bijzonder, ware het niet dat waar dat bos ophield en uitgestrekte ontginningsakkers opdoemden, een grote kei op een sokkel lag.

Hij blijkt daar geplaatst door de inwoners van Someren-Heide, met daarbij de tekst: ‘Dit gedenkteken markeert de oorspronkelijke plaats van de “steenen paal”, een 4,5 meter lange natuurstenen douanepaal. (…) Bij dit punt werden tussen 1648 en 1794 “konvoyen en licentiën” geïnd door dragonders (hoog te paard gezeten grensbewakers). Van alle uitgaande en inkomende handelswaren, welke langs deze veelgebruikte route tussen ’s-Hertogenbosch en Weert (Spaans gebied) werden vervoerd. Het arme Brabant moest in die tijd hoge belastingen opbrengen voor het welvarende Holland. Deze uit Drenthe afkomstige zwerfkei is als blijvend markeringspunt (…) hier geplaatst in juli 1997.’

De keiekei markeert de plaats van de oorspronkelijke douanepaal, plaatselijk bekend als keijepoal.
De douanepaal pronkt nu midden in Someren-Heide. Lees hier meer over douanepalen in Someren-Heide, Budel en Bergeijk.

Hier wordt weer verwezen naar de tijd dat het grootste deel van het huidige Noord-Brabant Generaliteitsland was. Het werd beschouwd als op Spanje veroverd gebied en mocht niet meepraten in het beleid der Zeven Provinciën. De katholieke kerk verloor haar bezittingen en katholieken konden moeilijk aan overheidsfuncties geraken. Die ‘hoge belastingen’ werden overigens lang niet altijd betaald. Belastinginners werden vaak bedreigd of afgeranseld. En terecht, als je het mij vraagt, want waarvan moest men in deze contreien belasting betalen? De meeste Brabanders hadden nog geen nagel om hun kont te krabben.

De meeste Brabanders hadden nog geen nagel om hun kont te krabben.

Dit schreef ik vijfentwintig jaar geleden verder over mijn Peeltraject: ‘Veel mensen wonen er niet in de Peel. De ontginningsakkers ogen saai, maar rondom Nationaal Park de Groote Peel en langs de Helenavaart is het prachtig. Drieduizend arbeiders hebben het kanaaltje met de schop gegraven in opdracht van ene Jan van de Griendt die voor een zacht prijsje 610 hectare van de gemeente Deurne had kunnen kopen, omdat de Limburgers er toch alleen maar turf kwamen jatten. Hij had de verplichting een kanaal te graven tussen die Limburgers en de Deurnese Peel.

Jan van de Griendt en zijn vrouw Maria Helena Hubertina Panis. Foto’s > Wikipedia

Precies op de grens ligt nu de ruim honderdvijftig jaar oude Helenavaart, vernoemd naar zijn vrouw. Oude bomen spiegelen zich in het water en de weg erlangs golft als een kermisattractie om snelverkeer te weren. Toen zijn bedrijf goed liep, mocht Van der Griendt van Deurne geen grond bijkopen. De gemeente ging zelf vervenen en wilde turf afvoeren via de Helenavaart. Dat mocht toen weer niet van Van der Griendt en dus ligt op twee kilometer afstand, parallel aan dit water, het Kanaal van Deurne.

Aan de Limburgse kant van de grens rijd ik via Ysselstein richting Vredepeel. Die naam heeft niets met de oorlog te maken, maar met de oplossing van een grensgeschil over turfwinning tussen Venray en Deurne in 1716. De ontginningsweg waarover ik naar het noorden fiets, heet nog steeds Twistweg. Er waren in vroeger eeuwen veel peelgeschillen doordat grenspalen stiekem werden verzet. Keizer Karel V of hoogmogenden van de Republiek der Zeven Provinciën hebben vaak als scheidsrechter gefungeerd.

De ‘vredepaal’ in de buurt van Vredepeel met infopaneel. De schematische plattegrond op het paneel laat de plaats zien van 23 grenspalen in deze omgeving. Beeld en meer info > De Peel-grenspalen

Werd er weer eens een ‘definitieve’ grenspaal in de grond gegraven, dan moesten de kinderen van de twistende dorpen daarbij zijn. Zij waren de volwassenen van de toekomst. Hen werd gewezen waar de paal stond en vervolgens kregen ze een flinke aframmeling. Opdat ze het niet zouden vergeten. Dit zou de oorsprong zijn van de uitdrukkingen ‘een pak slaag dat je zal heugen’ en – wanneer je het toch bent vergeten – ‘al sla je me dood’.

(wordt vervolgd)

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *