Een zomeravond en de dood mengt zich tussen de mensen. We hebben geen keuze. We zitten verdoofd in onze roerloze tuin. Het kampvuurtje danst bedaard in de vuurpit, kabbelend vuur. In de tuinen om ons heen roezemoezen de buren. Opa en Zwagerlief komen langs, schuchter met hun last, met onze last. Opa is de vader van mijn lieve vrouw en de liefste opa die de kleinkinderen zich hadden kunnen wensen. Wijs, betrokken, geïnteresseerd, aanwezig, niets is ooit teveel.
kort verhaal door Stijn van der Loo •
‘De kanker is teruggekomen’, zegt Opa, wat hij ook vanmiddag al vertelde aan de telefoon. Ondanks alle bestralingen. Eén uitzaaiing zit achter zijn oor. ‘Ik had daar al zo’n jeuk, dat had ik wel aangegeven.’
De hittegolf van deze dagen legt ons lam. Een warmte die blijft hangen in de avond. We eten samen aan de lange tafel in het gras. ‘Net als een keer in Italië’, herinnert Opa zich, ‘een lange tafel vol met het heerlijkste eten. En het was ook nog moederdag.’
‘Alleen de moederdag ontbreekt’, zeg ik.
‘En de wijn’, zegt Opa.
‘Wil je wijn?’ vraag ik.
Hij schudt zijn hoofd. ‘Nee hoor, dit is goed.’ Hij drinkt van zijn glas water.
De avond verstrijkt godvergeten vredig, we praten op gedempte toon met elkaar tot het donker wordt. Waar praat je over als je je doodvonnis hebt gehad. Over wissewasjes, over Bomans, Einstein en zijn formule, dat snelheid ook massa is, over de warme dagen, over wat de neuroloog zei. Onomkeerbaar klimt de nacht op uit de tuinen. Alleen een streep fel zonlicht blijft lang aan de horizon, weifelend als een feestganger die moeite heeft om het feest los te laten, naar huis te gaan, naar bed, het donker in.
Opa en Zwagerlief maken aanstalten. De woorden van afscheid die we spreken, vol van wat komen moet, wat we vrezen, wat we hopen, blijven drukkend hangen in de warme lucht.
Ook de buurtbewoners gaan hun huizen in, de nacht valt. Ze nemen hun stemmen met zich mee, die binnen verstommen. Alle tuinen zijn nu gedompeld in het donker. Het is stil. Alleen de vijverpomp in de vijver van de buren bromt monotoon een eindeloze klacht.
Mijn lieve vrouw en ik blijven nog wat bij het vuur zitten, dat troostend smeult. Onze jongste komt uit bed, ze kan niet slapen. Het is te warm, ze is onrustig.
‘Het gaat niet goed met Opa’, fluisteren we haar toe. Ik ga met haar mee terug naar boven, breng haar naar bed. ‘Verdrietig’, zeg ik. ‘Voor Opa en voor jou. En voor ons.’
‘Denk je dat hij doodgaat?’
‘Ik weet het niet. Hij krijgt misschien immuno. Dat heeft mij toch ook gered?’
Ze knikt. ‘Maar driemaal is scheepsrecht’, zegt ze – op school worden de spreekwoorden behandeld. ‘Bij hem is de kanker nu voor de derde keer teruggekomen.’
‘Ik weet het’, zeg ik. ‘Maar bij mij was het ook uitgezaaid en al. Ik heb hoop. Wie weet kan het.’
‘Pap’, zegt ze. ‘Jij had geluk. Dat heeft niet iedereen.’
‘Ga nu maar fijn slapen. We denken aan Opa, hè?’
Ze knikt en haar ogen drijven af naar de slaap.
Buiten is het nog donkerder geworden. Kan dat? Dat de nacht alsmaar zwarter wordt, gaande de nacht? Ik zie op tegen de komende tijd, zoveel is zeker. Mijn lieve vrouw en ik zitten een tijd in stilte naast elkaar, mijn hand op haar arm. Dan wordt onze stilte doorbroken door een plomp geritsel in de heg.
‘Schijn eens bij’, fluistert mijn vrouw. Ik pak mijn telefoon en schijn bij. We zien een grote egel. ‘Daar is Frank. Ja, hoor. Haal snel de kattenbrokjes. Misschien is hij zwanger.’
Frank is een egel en we zagen hem gisteren voor het eerst. Hij zat doodstil in de vuurplaats, versuft, en liet zich makkelijk pakken zonder zich op te rollen. Een defaitistische egel. We zochten hem op internet op en vroegen Google wat we hem te eten zouden kunnen geven. Kattenbrokjes, was het advies! Die at hij met vaart en smaak, zijn zwarte kraaloogjes schoten af en toe onze kant op, tastten ons af. Toen we hem lieten gaan waggelde hij grappig voldaan de struiken weer in. ‘Die hebben we gered’, zeiden we tegen elkaar. ‘We noemen hem Frank. Vind je niet? Is-ie een mannetje of een vrouwtje? En let op: morgen is hij terug.’
Dus ja hoor, daar is hij weer, Frank. Ik haal het kattenvoer en mijn lieve vrouw voert hem. Hij eet de kattenbrokjes met grote snelheid. Zo, die hap is weer binnen, en hij schuiert tevreden verder, onder de heg door.
‘Misschien is dit een andere’, oppert mijn vrouw. ‘Hij lijkt magerder.’
We strooien nog wat op zijn schoteltje en zetten dat bij de heg.
‘We zullen wel zien of hij morgen weer komt’, zegt mijn vrouw.
‘Ik denk dat we een nieuw huisdier hebben’, zeg ik.

In de middag nadat we de uitslag van Opa hadden gekregen stonden we verslagen bij de Japanse Kers.
‘Ze is uit haar doen’, zei mijn lieve vrouw. ‘Misschien is ze te groot.’
‘Of te oud’, zei ik. ‘Ze is vast al heel oud.’
‘Drie generaties gaat ze al mee’, zei ze. ‘Ze staat op de monumentenlijst.’
‘Een monument gaat ons ontvallen’, zei ik. Ze zuchtte en zocht mijn hand.
We hadden Opa en Zwagerlief meteen uitgenodigd, om samen te zijn. Ze konden er elk moment zijn. Ik had veel teveel ingeslagen, goed voor een feest van drie dagen.
‘Het aardse tranendal’, zegt mijn lieve vrouw als het vuur is uitgegaan. Ze plukt een bloempje en pluist dat open. Zij wil nou eenmaal diep in de dingen doordringen. Ze tipt haar wijsvinger in het stuifmeel en proeft, trekt een gezicht. ‘Het smaakt bitter.’
We hebben gewoonweg geen goed antwoord op de dood, op de aankondiging van de dood. Alleen nabijheid. Misschien is er ook niet meer dan dat. Een mens en een ander mens, zacht pratend over van alles, herinneringen, ideeën, plannen. Het komt aan op nabijheid, het leven leven tot het stopt, tot het moet stoppen. ‘Vijfenzeventig is best jong’, zegt mijn vrouw.
Opa heeft al vaker gezegd: we zijn onderdeel van een circulair systeem. Wij gaan, worden voedsel voor dieren en planten, die daaruit weer nieuw leven worden, zo gaat er nooit energie verloren. Na onze dood hernemen we onze plaats in die stroom. Hij is niet bang om dood te gaan, zegt hij. Maar wie weet wat je voelt als je oog in oog met de dood staat. We weten het eenvoudig niet. Het is een uniek moment.
De volgende dag is er een familiefeest. We zijn er weer allemaal en uiten strijdbare taal. Waren we gisteren nog verdoofd en beduusd, lag het nieuws toen groot en onbevattelijk midden op tafel, nu is het al iets meer ingedaald. ‘Het is niet voorbij voor het voorbij is.’ ‘Vrijdag horen we wat de volgende stappen zijn, wat we vanaf nu kunnen gaan doen.’
‘Hoe heb je geslapen?’ vraag ik.
‘Goed. Tot vier uur, toen werd ik onrustig wakker. Ik ben maar opgestaan.’
Alles wat we zeggen heeft een ondertoon. Er klinkt een zwaarmoedige melodie onder al onze woorden, grapjes, strijdbaarheid. De dood toont zijn onverbiddelijke aangezicht nog niet, maar hij mengt zich al in onze kleuren, onze adem, onze gedachten en hoop. Ergens halverwege de avond legt Opa een hand op mijn schouder.
Als we zijn thuisgekomen gaan we nog even de tuin in. Onder de heg, vlakbij het zorgvuldig leeggegeten bordje kattenbrokjes, ligt onze egel. Frank. Hij is morsdood.
Aan het ontbijt de volgende ochtend zegt onze jongste dochter: ‘Wat zou je doen als je wist dat je nog één dag te leven had?’
‘Ik zou alle wetten overtreden’, zegt haar grote broer.
‘O ja? Welke dan?’ vraagt mijn lieve vrouw.
Ik help een handje met suggesties: ‘Een moord plegen, iemand oplichten, een bank overvallen? Plofkraak?’
‘Nee, ik bedoel meer alle regels.’ Hij is vijftien en als we ons even verplaatsen in hoe het ook alweer was om vijftien te zijn herinneren we ons hoezeer we geknecht gingen onder de dingen die niet mochten en die we wel wilden omdat die nou eenmaal superleuk zijn om te doen. Ik doe een nieuwe poging: ‘Brommer rijden? Auto rijden? Alcohol drinken? Alcohol drinken en dan autorijden? Door het rood scheuren, dronken achter het stuur? Drugs gebruiken? Dronken drugs gebruiken en de hele nacht gamen? Meiden versieren? O wacht, dat laatste is niet iets dat wij verbieden, dat is aan jou.’
‘En wat zou jij dan doen als je nog één dag had?’ vraagt hij scherp.
‘O, ik zou met mama aan het strand van Bali willen zijn. Paradijselijk wit zand, zachte bries, de branding die lichtjes klotst, een fijne cocktail voor haar, loom bij elkaar, niets hoeft, niets moet, een eeuwig ogenblik.’
‘Ja’, zegt onze jongste. ‘Dat is een goeie: met wié zou je op je laatste dag willen zijn, als je één iemand mocht kiezen?’
Voor mij eenvoudig, maar ook hier ontvouwt zich bij de vijftienjarige een waaier van loyaliteitsconflicten. Papa of mama? Een zus? Dan: welke? Broer kiest voor het strategische. ‘Geen familieleden’, zegt hij beslist. ‘Ik neem wel een vriend mee.’
‘Och arme’, zegt mijn vrouw. ‘Dan heb je je laatste dag en dan nog zit je goed fatsoen je in de weg.’
‘Het zijn dezelfde dilemma’s als met een bruiloft die je “klein” wil vieren’, zeg ik. ‘Dat je tegen elkaar zegt: alleen intimi. Maar wie zijn dan die intimi? Waar ligt de grens? Je komt meteen in de problemen.’
‘Je mag echt kiezen wie je wil, jongen’, zegt mijn lieve vrouw. ‘Ik begrijp het als je papa zegt. Ik vind dat niet erg. Ik weet dat je net zoveel houdt van papa als van mij.’
‘Oké’, zeg ik. ‘Je laatste dag mag je doorbrengen met een beroemdheid. Mag ook iemand zijn die er niet meer is. Met wie zou je die willen doorbrengen?’
‘Van jou weet ik het wel’, glimlacht mijn vrouw.
‘Jacob Collier?’ vraag ik. ‘Ja, precies’, zegt zij triomfantelijk.
‘Ik weet het van jou ook, hoor’, zeg ik. ‘Prince?’ gokt zij. Goed gegokt.
‘En wie moet ik dan kiezen’ zegt onze jongste. Ik zeg: ‘Wat dacht je van Harry Potter?’
‘O ja’, zegt zij en haar ogen lichten op. ‘Of Roxy Dekker.’
Na het ontbijt begraven we de egel samen, achterin de tuin.
‘Nou weten we nog niet of Frank een mannetje of vrouwtje was’, zegt mijn lieve vrouw. ‘En ook niet of-ie zwanger was of niet.’
‘Dus we weten niet eens hoeveel dieren we nou eigenlijk begraven’, zeg ik, terwijl ik de spade de grond in drijf. ‘Een familiedrama.’
‘Elke dode is een familiedrama’, zegt mijn lieve vrouw.
Later die dag kruipt onze jongste dochter bij me op schoot, ze heeft een schriftje en een potlood.
‘Ik maak een lijstje van dingen die Opa moet worden als hij doodgaat’, zegt ze.
‘Wat bedoel je?’ vraag ik.
‘Sommige mensen worden een ster’, zegt ze. ‘Of een vlinder. Of zoals jouw papa een Lieveheersbeestje. Ik denk dat Opa een boom wordt. Of een egel. Dan kan hij gewoon weer terugkomen.’
Ik glimlach. ‘Wat staat er al op je lijstje?’
Ze laat het zien en leest voor. ‘Bovenaan: “Japanse Kers”. Daaronder: “Frank”. Dan: “Een liedje in de wind”.’
Mijn vrouw kijkt op. ‘Een liedje in de wind? Hoe kom je daarop?’
‘Dat zei juffie vandaag. Dat je soms iemand hoort die er niet meer is. En dat dat niet gek is.’
‘Misschien hoor je dan jezelf met die ander erin’, zeg ik.
‘Of’, zegt onze dochter, ‘gewoon de ander.’
’s Nachts droom ik dat ik bij het vuur zit. Ik zit alleen, mijn vrouw is naar binnen gegaan vanwege de kou. Er ligt sneeuw op de bloemen. Alles is stil. Dan schuifelt er een egel uit de heg. Het is Frank. Hij is niet mager, niet versuft, maar fris, grappig. Hij draait een rondje en kijkt me met zijn zwarte kraaloogjes peilend aan. Dan verdwijnt hij tussen de wortels van de Japanse Kers. Als ik opsta om te kijken zie ik dat de boom in bloei staat, midden in de winter. Roze bloesem op zijn wit besneeuwde takken.
Opa heeft zijn gesprek gehad. Hij is kalm als hij binnenkomt en kijkt de tuin in.
‘Ze stellen immunotherapie voor’, zegt hij, ‘maar zonder veel hoop.’
Mijn lieve vrouw legt haar hand op zijn arm. ‘Wat wil je zelf, pap?’
‘Ik wil nog even leven. Zo gewoon mogelijk. Zonder gedoe. In de tuin zitten. De zon voelen. Jullie zien. De boom in bloei’.
‘Ze bloeit al bijna’, zeg ik. ‘Want deze heeft besloten komende winter te bloeien. Dat heb ik gedroomd.’
Hij glimlacht flauwtjes. ‘Dat haal ik wel.’
’s Avonds zitten we weer buiten. De lucht is helder, een enkele ster straalt boven ons. De vuurplaats gloeit na. We zeggen niet veel. Een gedachte die opwelt, blijft hangen, lost op.
Opa heft zijn glas water. ‘Op het circulair systeem’, zegt hij.
Onze jongste zit op haar knieën bij de vuurplaats, een steentje in haar hand. Ze krast er iets mee in een van de grote stenen die om de vuurpit liggen.
‘Wat schrijf je?’ vraag ik.
‘Geen woorden’, zegt ze. Ze laat het zien: een soort sterretje, met een cirkel eromheen. ‘Voor Opa’, zegt ze. ‘En voor Frank.’
‘Blijf je slapen?’ vraag ik Opa. ‘Het kan, we hebben een kinderkamer vrij.’
Dat blijven slapen is niet echt zijn ding. Maar nu zegt hij: ‘Dat is goed. Graag. Fijn.’
De volgende ochtend is het stil in huis. Buiten is het windstil, maar fris, de lucht is lichtblauw, open. We hebben de hittegolf doorstaan. Opa komt traag de trap af.
‘Zullen we nog even naar de tuin?’ vraagt hij.
We lopen samen het gras op, onze voetstappen gedempt. De Japanse Kers staat met haar imposante silhouet afgetekend tegen de lichte lucht.
‘Ze lijkt ziek’, zegt Opa. Hij loopt naar de stam en legt er zijn hand op.
Dan kijkt hij naar beneden. Onder de boom ligt iets. Een egel. Kleiner dan Frank. Zijn kraaloogjes kijken nieuwsgierig naar ons.
‘Nou’, zegt Opa, ‘kijk eens aan. Een nieuwe Frank. Of Frankie. Of Frankette.
Onze dochter komt erbij staan. ‘Ik weet het al’, zegt ze. ‘Hij heet Echo.’
Opa knikt. ‘Dat is mooi’, zegt hij.
‘Waarom?’ vraagt ze.
‘Omdat een echo iets is wat blijft klinken. Ook als het geluid allang verdwenen is.’
Hij pakt haar hand. Zo staan we daar, in de tuin. De egel scharrelt wat rond.
‘Iemand koffie?’ vraag ik.
‘Nou, lekker’, zegt Opa.
Ik ga naar binnen en zet koffie, stilletjes, alsof ik iets niet wil wakker maken. Vanuit de keuken zie ik ze daar staan, onder de boom, in het zachte ochtendlicht. Mijn lieve vrouw en Opa met zijn hand om het handje van onze dochter. Drie generaties. De egel scharrelt tussen hun voeten, snuffelend. De Japanse Kers beweegt zachtjes in een minieme bries, alsof ze hen iets influistert.
Als we weer aan de lange tafel zitten aan onze koffie zegt onze dochter: ‘Nu moeten we de boom ook een naam geven.’
‘Ze heeft al een naam’, zeg ik. ‘Ze heet Japanse Kers.’
‘Nee’, zegt ze. ‘Ik bedoel een echte naam. Zoals wij. Opa bijvoorbeeld.’
We kijken naar Opa. Hij glimlacht. ‘Dan heet de boom vanaf nu Cor’, zegt hij. ‘Cor de Japanse Kers.’
‘Hij is speciaal’, zeg ik. ‘Want hij bloeit in de winter.’

Stijn van der Loo (Eindhoven 1963) was enige tijd redacteur van het literaire katern van Brabant Cultureel en brak in die tijd door als romanschrijver. Behalve auteur van romans, korte verhalen en theaterteksten is hij ook componist. Als tekstschrijver/componist kreeg hij de Zilveren Harp van Conamus voor zijn liedjes, waarna hij als componist jaren samenwerkte met Huub Oosterhuis. Tegenwoordig componeert hij ‘klassiek’.
‘Bloesem in de sneeuw’ is een deel uit een serie verhalen over Gulleman op Brabant Cultureel
© Brabant Cultureel 2025
