Het Rampjaar bracht ook Noord-Brabant veel ellende

1672: de moord op de gebroeders De Wit, Willem III wordt Stadhouder, Lodewijk XIV ‘bezoekt’ Nederland en Isaac Newton publiceert zijn artikel over de breking van wit licht door een prisma. In Nederland geldt dit als het Rampjaar en dat wordt nu, 350 jaar later, breed herdacht. Ook in Noord-Brabant.

door Lauran Toorians

Toen ik lang geleden geschiedenis studeerde, werd elke behandelde periode afgesloten met een groot tentamen. In de voorbereiding daarop was er meestal een bijeenkomst gepland waarop wij, de studenten, nog vragen konden stellen. Het grootste tentamen, meteen aan het einde van het eerste jaar, besloeg de ‘moderne geschiedenis’ van de hele westerse wereld, van de middeleeuwen tot 1870. Tijdens het vragenuurtje vroeg iemand of we echt ‘al die jaartallen’ van buiten moesten leren. ‘Nee hoor’, was de reactie, ‘van buiten leren hoeft niet. Maar u moet ze wel kennen.’ Vervolgens kregen we wel wat handreikingen om dat ‘kennen’ wat toegankelijker te maken.

Inmiddels ken ik lang niet al die jaartallen meer uit mijn hoofd, en ook niet de lijsten met vorsten, pausen, ministers en dergelijke meer. Maar de hoofdlijnen bleven wel hangen en er zijn natuurlijk jaartallen die breed tot het collectieve geheugen horen, al zijn er ook steeds meer mensen die niet weten of nu Karel de Grote of Karel V eerst kwam. Daar komt bij dat we een maatschappij van herdenkingen zijn geworden. Elk jaar is er wel een jubileum dat commercieel kan worden uitgebuit. Dit jaar is dat het zogenaamde Rampjaar 1672, nu dus driehonderdvijftig jaar geleden. Bij het commerciële succes van deze herdenking heb ik zo mijn twijfels, maar daar zeurt de historicus niet over.

Zonnekoning

1672 werd voor de Republiek der Verenigde Nederlanden een rampjaar door een gecoördineerde aanval door Engeland, Frankrijk en de bisdommen Münster en Keulen. Zeeoorlogen met Engeland was de Republiek gewend, maar de verdediging van de landgrenzen was niet bepaald op orde en de katholieke buren in het oosten en het zuiden waren best bereid de protestantse Republiek – nota bene zonder een ‘fatsoenlijke’ vorst – een lesje te leren. Vooral Zonnekoning Lodewijk XIV voelde de behoefte om zijn koninkrijk natuurlijke grenzen te geven en wilde daarom naar de Rijn. Hij kan dan ook wel worden gezien als de grote aanstichter van de ramp.

Nederland in 1672. De rode lijn geeft aan welk gebied de Fransen in 1672 veroverd hebben. Bron > Rijksmuseum, 1674

Om Spanje buiten deze oorlog te houden, trok het enorme Franse leger (120.000 man) oostelijk om de Spaanse Nederlanden heen om vervolgens langs de Rijn Nederland binnen te vallen. Van daaruit trok de hoofdmacht – met Lodewijk XIV – richting Utrecht terwijl een ander deel van het Franse leger in zuidwestelijke richting via Nijmegen en Grave oprukte naar Staats-Brabant, grofweg het huidige Noord-Brabant. Hier was ’s-Hertogenbosch het doel.

Adam Frans van der Meulen, Lodewijk XIV trekt bij het Tolhuis bij Lobith de Rijn over, 12 juni 1672. Olieverf op doek, 1690. Collectie > Rijksmuseum.

Dat we ons dit alles herinneren als Rampjaar komt vooral doordat de Republiek niet alleen letterlijk, maar ook figuurlijk werd overvallen. Er heersten al enige tijd politieke spanningen, onder meer door een partijstrijd tussen groepen die wel of juist geen nieuwe stadhouder wensten – de Republiek was al sinds 1650 stadhouderloos. Bovendien was de verdediging – de vestingwerken – niet op orde en was onduidelijk wie nu precies het hoogste militaire gezag uitoefende. De snel oprukkende Fransen zorgden voor paniek waarbij in een volksopstand in Den Haag de gebroeders De Wit gruwelijk werden vermoord. Willem III van Oranje, eenentwintig jaar oud, werd benoemd tot stadhouder en trok het militaire gezag naar zich toe, maar dat was te laat.

Waterlinie

Toch is het spreekwoordelijke ‘radeloos (de regering), ‘redeloos’ (het volk) en reddeloos (de republiek)’ niet helemaal waar. De Republiek ging niet kopje onder en hoewel de Republiek in eerste instantie veel terrein moet inleveren, bleken de snel uitgevoerde inundaties van de (Oude) Hollandse Waterlinie effectief om de Franse opmars tot staan te brengen. Dat daarbij voor langere tijd enorme gebieden onder water werden gezet, was weliswaar desastreus voor de getroffen boeren en burgers, maar dat is in geen enkele oorlog reden om iets niet te doen. Lodewijk XIV liep vast in Utrecht en trok zich na vijf dagen met weinig vruchtbare onderhandelingen terug (zijn legers bleven nog wel). Via Zeist, Veenendaal, Arnhem en Nederasselt kwam hij op 16 juli aan in Heeswijk. Daar verbleef hij twee nachten om van daaruit naar Boxtel te reizen. Van 18 tot en met 26 juli verbleef hij daar op kasteel Stapelen en van daaruit ging het via de abdij van Postel huiswaarts.

De Fransen namen het fort Crèvecoeur ten noorden van ’s-Hertogenbosch in en staken dit bij hun vertrek in 1673 in brand. Prent door Gaspar Bouttats, naar Jan Peeters (I), 1682-1684. Collectie > Rijksmuseum.

Een ‘strijdpunt’ is of Lodewijk vanuit Boxtel een uitstapje maakte naar Vught om daar vanaf de toren van de Lambertuskerk de in het water liggende vesting ’s-Hertogenbosch in ogenschouw te nemen. De overlevering wil dat dit zo is, maar in een kort hoofdstuk in een nieuw boek over het Rampjaar in Noord-Brabant laat Mira Ficq-Weijnen zien dat daar geen enkel bewijs voor bestaat. Het is mogelijk, maar evenzogoed bespaarde de Zonnekoning zich de moeite en beklom hij de toren van de Boxtelse Sint-Petrus. De verblijfplaatsen van een hele reeks Franse koningen – inclusief Lodewijk XIV – zijn van dag tot dag na te gaan op een website (https://cour-de-france.fr) en daarin komt Vught niet voor. Ook een overnachting op het kasteel in Loon op Zand komt in het reisschema niet voor, hoewel daar de vaste overtuiging heerst dat Lodewijk ‘enige tijd’ logeerde op het kasteel. Mogelijk deed een van zijn officieren dat wel, maar de Zonnekoning dus niet.

De toren van de Sint-Lambertuskerk in Vught. Stond Lodewijk XIV hier nu wel op, of niet? Foto > Michiel Verbeek, 2011, Wikimedia Commons

Het artikel van Ficq-Weijnen is het kortste in de bundel Rampjaar of jubeljaar? Brabant in 1672-1674 die onlangs verscheen als Brabantse bijdrage aan de 1672-herdenkingen. Het begrip ‘jubeljaar’ in de titel verwijst naar de gedachte dat de overwegend katholieke Brabanders blij zouden zijn geweest met de komst van de Fransen. In enkele gevallen was dat zo en in de korte periode dat de Fransen in een deel van Staats-Brabant de dienst uitmaakten kregen de katholieken inderdaad meer vrijheden om hun geloof te belijden. Maar per saldo bracht de oorlog vooral ellende die op veel plaatsen nog lang na 1672 doorwerkte.

Slachtoffer

De artikelen in de bundel zijn geschreven door lokaal en regionaal-historici en heemkundigen en behandelen de vestingen van Bergen op Zoom tot Grave langs de noordrand van de huidige provincie Noord-Brabant. In dit gebied zou later de Zuiderwaterlinie worden gerealiseerd waarin deze vestingen een centrale rol speelden. Behalve de genoemde plaatsen gaat het dan om Steenbergen, Willemstad, Geertruidenberg, Klundert, Heusden, ’s-Hertogenbosch, Megen en Ravenstein. In het gebied ten westen van ’s-Hertogenbosch werden wel de vestingen in stelling gebracht en de inundaties gesteld, maar niet gevochten. Ook Den Bosch zelf zag geen strijd, maar lag wel enige tijd in de frontlinie. Grave was dubbel slachtoffer. Eerst tijdens de Franse opmars toen de Staten bevalen het garnizoen terug te trekken naar ’s-Hertogenbosch terwijl de kersverse stadhouder meteen daarop beval Grave juist tot het uiterste te verdedigen. Daarna tijdens de Franse terugtocht. De stad bleef in puin achter.

Valentijn Klotz (toegeschreven), De Ruïne van de Grote Kerk te Grave na de herovering van de stad door de stadhouder. Pentekening in zwarte inkt met toevoegingen met penseel en waterverf, ca. 1675 Collectie > Rijksmuseum.

Het boek is interessant, juist door zijn regionale insteek, maar gaat ook mank aan een aantal omissies. Zo ontbreekt een heldere inleiding die de context schetst. De samenstellers lijken aan te nemen dat elke lezer die achtergronden van het Rampjaar wel in zijn hoofd heeft. Zoiets simpels als een kaartje met de marsroutes van de invallende legers komt pas op bladzijde 104 en ook een chronologisch overzichtje van de gebeurtenissen zou niet hebben misstaan. In de diverse artikelen springen we nogal heen en weer door de tijd. Ook had een wat strengere redactie dit boek zeker goed gedaan. Nu worden nogal wat zaken twee of drie keer behandeld, terwijl het artikel over ‘’s-Hertogenbosch, de Meierij en het Rampjaar 1672’ zodanig in telegramstijl is dat het lijkt alsof de auteur wel zijn notities maar niet zijn artikel inleverde.

Kaart met vestingwerken van Heusden, met rechts het kasteel. Bron > Joan Blaeu, 1649

De accenten die worden gelegd, zijn ook per artikel erg verschillend. Daarbij valt ook op dat de ene keer uitvoerig gebruik is gemaakt van archiefmateriaal terwijl in een ander artikel de basis niet veel meer is dan twee gedrukte bronnen uit de achttiende en de negentiende eeuw. Onevenwichtig is dan ook een etiket dat op deze bundel wel van toepassing is. Het langste en meest gedetailleerde artikel is dan wel weer ook het beste: ‘Heusden in het rampjaar 1672’. De drie auteurs Bart Beaard, Bert van Opzeeland en Stef Koenis leggen daar eer bij in.

Jacob Knegtel & Jos Cuijpers (red.), Rampjaar of jubeljaar? Brabant in 1672-1674. Tilburg: Zuidelijk Historisch Contact / Woudrichem: Pictures Publishers 2022, 128 pp., ISBN 978-94-92576-60-6, hb., € 22,50.

Stichting ZHC.nl

Pictures Publishers.nl

rampjaar herdenking.nl

Beeld voorpagina: Detail prent Gaspar Bouttats > De Fransen steken fort Crèvecoeur in brand. Beeldbewerking > Hans Lodewijkx

© Brabant Cultureel 2022

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.