Dautzenberg en Niematz nemen elkaar in bittere briefwisseling stevig de maat

A.H.J. Dautzenberg publiceert meer dan een recensent aankan. Daarom nu zijn twee laatste boeken in één bespreking. Het ene een brievenboek dat voortkwam uit een correspondentie met collega-schrijver Max Niematz, het andere een poetisch verslag van een wandeling door het Gulpdal in Zuid-Limburg.

door Camiel Hamans

Er zijn schrijvers en herschrijvers. De tweede groep schaaft, ciseleert en politoert tot de tekst de in hun ogen hoogst bereikbare graad van perfectie heeft bereikt en publiceert daarom traag. De eerste daarentegen komt elke paar jaar met een nieuw boek. A.H.J. Dautzenberg zelfs elk jaar. Hij overtreft daarmee Simon Vestdijk van wie Adriaan Roland Holst, de toenmalige Prins der Nederlandse dichters, zei dat hij sneller schreef dan God kon lezen. Max Niematz is een typisch voorbeeld van de trage publiceerders. Op zijn eigen website schrijft hij ‘Acht jaar lang werkte Niematz vervolgens aan zijn tot nu toe laatste roman Smeulende vuren, bloedend hout.’

A.H.J. Dautzenberg (links) en Max Niematz. Fotobewerking > Hans Lodewijkx

Brieven

Dat deze twee tegenpolen nu samen een boek uitgebracht hebben, mag dan ook een godswonder heten. Maar het is dan ook geen standaard boek: het zijn de brieven die zij gewisseld hebben tussen eind februari 2020 en begin 2021. Overigens dateert Niematz (of de uitgever) de laatste brief per abuis op 8 januari 2020.

Niematz begint de correspondentie. Argeloos en zonder duidelijke bedoeling. Misschien omdat Dautzenberg in Tilburg woont en werkt, de stad waar Niematz in 1942 onder naam Jan Hombergen geboren is. Die officiële naam, die in de briefwisseling nog een grote rol gaat spelen, houdt Niematz evenwel voor zich. Als andere mogelijke reden voert hij aan dat Dautzenberg indertijd Niematz’ roman In de schaduw van toekomstige rampen uit 2012 bejubeld heeft en ‘een boek van internationale allure’ heeft genoemd.

Acht jaar wachten met een dankbetuiging klinkt echter nogal onwaarachtig. Niematz lijkt veeleer steun te zoeken bij Dautzenberg. Atlas, de vaste uitgever van Dautzenberg en ook uitgever van Niematz’ roman uit 2012 zag voor hem geen plaats meer in het fonds. Acht jaar stilzwijgen is te lang voor de markt.

Dilettant

Klagen over uitgevers en over waardering in het algemeen is dan ook een van de vaste onderwerpen in Niematz’ deel van deze correspondentie, maar dit is niet het hoofdthema van de briefwisseling. Dat is eerder het op afstand en met dilettante psychologische wapens elkaar de maat nemen. Dautzenberg verwijt Niematz dat hij zich verschuilt achter zijn pseudoniem. Hij wil niet de discussie aangaan met de meningen van een geconstrueerde figuur, maar met de echte Jan. Niematz verzet zich daartegen, want hij ziet in zijn kunstenaarsnaam zijn ware identiteit. Weliswaar zelf geconstrueerd, maar het is de persoon zoals hij zich aan de buitenwereld wil laten zien.

Niematz verdenkt Dautzenberg op zijn beurt van een jeugdtrauma. Hij is immers een van een tweeling en met zijn broer kan Anton tegenwoordig slechts moeizaam een gesprek voeren. Dautzenberg verzet zich met evenveel kracht, want in zijn ogen heeft hij een gelukkige jeugd gehad en is hij nooit achtergesteld ten opzichte van zijn broer.

Na een hoopvol begin, een periode van vrijmoedig aftasten is onze correspondentie in zwaar weer beland …

Deze veronderstellingen worden aanvankelijk op vriendelijke toon uitgewisseld, maar zorgen later voor een verzuring van de relatie. Als Niematz door Dautzenberg – dan stadsdichter van Tilburg – wordt uitgenodigd om mee te werken aan een door hem opgezet project, doet hij dit met grote tegenzin. En hij laat daarover ook geen enkel misverstand bestaan en dan is het gedaan met de beschaafde uitwisseling van gedachten. ‘Veel van jouw ongenoegen,’ schrijft Niematz, ‘wordt m.i. veroorzaakt door het verkeerd interpreteren van toon. Waar je gif proeft, is er wat mij betreft alleen maar sprake van plaagstootjes en vrolijke agressie.’ Meteen hiervoor op dezelfde pagina heeft Niematz echter ook zijn twijfel geuit over een mogelijke voortzetting van de correspondentie. ‘Ik moet bekennen dat ook ik veel heb lopen dubben over de stand van zaken na die twee gewraakte brieven over en weer. Na een hoopvol begin, een periode van vrijmoedig aftasten is onze correspondentie in zwaar weer beland, waarbij we tenslotte weinig meer doen dan elkaar corrigeren, bekritiseren, op inconsequenties wijzen, ontmaskeren als poseurs, voorbarige conclusies trekken en noodverbanden leggen.’

Voor lezers die aardigheid hebben in vrolijke agressie is deze briefwisseling vanzelfsprekend een must. Voor wie geïnteresseerd is in het fenomeen Anton Dautzenberg eveneens. Hij laat zich hier zonder pantser of grootspraak zien. Hij geeft latere literatuuronderzoekers een uitstekend handvat voor hun analyses door zijn leeslijstjes becommentarieerd aan zijn correspondent voor te leggen en diens voor- en afkeuren geargumenteerd te bespreken. En Dautzenberg blijkt opnieuw een schrijver die het opneemt voor de zwakkere.

Mei in Gulpdal

Ruim een jaar geleden verraste Dautzenberg met een nieuwe ‘Mei’: Een wandeling in Mei. Ook al is Dautzenberg op verschillende wijzen verbonden met Tilburg, hij blijft tegelijk toch ook een Zuid-Limburger, het gebied waar hij geboren en opgegroeid is.

Hij schreef al eerder over zijn verknochtheid aan de voetbalclub Roda JC, nu bezingt hij de natuur van het Gulpdal, het landschap ten zuiden van Gulpen. Niet, zoals zijn voorbeeld Herman Gorter, in vijfvoetige jambes en gepaard rijm, maar in een vrije vorm. Dautzenbergs begin luidt

Het licht van een lentedag dat wil veroveren
en betoveren.
Het goudgele hart van het dorp
dat ontwaakt.

Dautzenberg wil met zijn Mei letterlijk een wandeling uitzetten die hij als plaatselijke ‘writer in residence’ eerst zelf gelopen heeft. Hij raakte daarbij zo onder de indruk van de klanken en kleuren dat een verbale schildering zijns inziens niet toereikend zou zijn. Samen met Rob Moonen heeft hij dan ook een ‘sonische expeditie’ gemaakt die bij dit ‘wandelboekje’ hoort (www.wanderloss.nl).

Maar ook voor de thuiszitter heeft Dautzenberg wat te bieden. De beschrijvingen, opsommingen en associaties zijn in staat de lezer een beeld voor ogen te toveren dat kan concurreren met Gorters natuurevocaties:

De meikever die neerdaalt op een afrasterpaal –
de antennes proberen contact te maken met
wie zal het ooit weten.
Het denken aan de viltige hertshoornvaren
van oma.
Het snoepwinkeltje dat ook heel veel
sigaren verkoopt.
De tuin met de zure miemelen, ’t kleurrijke
deurgordijn.
De begrafenis, de koffietafel, het ruimen
van het graf – de Chronos die het weer wint
van Kairos…

Dautzenberg weet te schilderen met woorden.

Max Niematz & A.H.J. Dautzenberg, Zonder schrammen vaart niemand wel. Groningen: Uitgeverij kleine Uil 2022, 389 pp, pb. ISBN 9789493170803, pb, € 23,50.

A.H.J. Dautzenberg, Een wandeling in Mei. Amsterdam: Uitgeverij Pluim 2021, 96 pp., ISBN 978-94-932-5614-9, pb. € 12,99.

www.kleineuil.nluitgeverijpluim.nl

www.ahjdautzenberg.nlmaxniematz.com

Lees terug of luister op Brabant Cultureel:
Stadsgedicht XVI van A.H.J. Dautzenberg en de bewerking van het gedicht door Max Niematz

© Brabant Cultureel 2022

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.