Mona, soms Lisa

Kort verhaal door Marijke van Hooff

Ze zit altijd aan hetzelfde tafeltje bij het venster. Ze houdt haar hoofd een beetje scheef alsof ze naar een ver geluid luistert dat ze ooit eerder hoorde en opnieuw wil horen om het te herkennen, als een vorm van houvast.
Af en toe glijdt haar hand langzaam over een schriftje dat voor haar op tafel ligt.
De man achter de bar wrijft met trage bewegingen over de toog. Hij ziet hoe het vroege zonlicht op het gebogen hoofd van de vrouw valt en vonken in het rossige haar schiet.
Hij denkt aan de tijd dat hij bang voor haar was, maar dat is lang geleden. Hij noemt haar Mona, zoals hem ooit gevraagd is.
Niemand vertelt hij dat hij ’s nachts van haar droomt. Als zijn vrouw haar ademstootjes tegen zijn rug aanblaast, droomt hij van Mona met haar tengere lijf en haar aarzelende glimlach. Zijn handen vouwen zich om haar leest, voorzichtig, hij weet immers hoe breekbaar ze is. Het gebeurt wel dat hij dan als per ongeluk de heup van zijn vrouw streelt. Zij wordt daar niet wakker van.

Mona draagt altijd dezelfde, wat verwassen zwarte kleren waarboven haar witte, spitse gezicht zweeft. Haar lippen bewegen voortdurend, er rollen geluidloze kleine, krappe woorden uit haar mond. Ze volgt het spel dat de vroege zon met de dingen speelt. Soms springt de rode kater op haar schoot. Ze laat hem heel even, maar duwt hem dan weg.
Als hij de chocolademelk voor haar neerzet, lepeltje links op het schoteltje, een klein toefje slagroom, het koekje in een rechte hoek erboven, als de dingen zo, volgens afspraak, hun orde hebben gevonden, glimlacht ze even. Om die glimlach op te vangen, moet je snel zijn. Hij heeft dat geleerd.
Heel soms mag hij meelezen, zoals vandaag en hij staart naar regels als: ‘de trillende grashalmen lijken op knippende kinderschaartjes.’ En: ‘de bladeren ruisen als oude sjaals die langzaam van stoelen glijden.’
Hij knikt.
Mona verwacht geen bijval. Ze kijkt haar zinnen na, als dingen die uit haar leven verdwijnen. En verzinkt opnieuw in gepeins.

Vorige week heeft zijn vrouw hem verzocht het café voorgoed te sluiten.
Na de wegomlegging komt er bijna niemand meer en ze kunnen de zaak moeilijk open houden voor die ene verdwaalde toerist en voor het vreemde meisje. Ze wil weg van deze afgelegen plek en gaat liever wat dichter bij haar dochter in de stad wonen. Ze is de natuur beu.
Er is een tijd geweest dat ze lyrisch was over deze plek, over de bomen, de vogels, het uitzicht op de bossen. Er is een tijd geweest dat ze samen op de bank voor het huis de nacht afwachtten en soms zelfs buiten sliepen. Er is een tijd geweest dat haar lippen zacht aanvoelden tegen de zijne. Er is een tijd geweest.
Hij heeft beloofd stappen te ondernemen. Hij zal naar de makelaar gaan. Morgen. Volgende week, de maand erna.
Hij bladert wat in de krant en voelt zich rusteloos. Mona staat plotseling op. Hij kijkt op de klok, het is nog geen tijd. Ze gaat bij het raam staan en staart naar buiten waar de oude haan tevergeefs een van de kippen probeert te bestijgen. Er verschijnt een frons op Mona’s voorhoofd en haar mond trekt strak. Ze schudt afwijzend haar hoofd.
Hij weet dat hij haar nu niet moet aanspreken. Dat hij geen abrupte bewegingen moet maken.
De haan staakt zijn pogingen en Mona loopt met gebalde vuisten naar het toilet. Hij houdt oplettend de deur in het oog.

De man in het donkerblauwe trainingspak zet zijn fiets tegen de oude eik. Hij komt vrolijk groetend binnen en uit zijn bewondering over de mooie fietsroute en over de ‘ronduit schitterende ligging van het café’. Hij bestelt koffie en gaat aan Mona’s tafeltje zitten. Hij pakt haar pen en rolt hem tussen zijn vingers heen en weer.
Hij wil de man vragen dat niet te doen: niet aan dat tafeltje gaan zitten en vooral niet aan de pen komen. Hij schraapt zijn keel, maar ziet Mona al binnenkomen.
Hardop en zeer nadrukkelijk leest de man: ‘de trillende grashalmen lijken op knippende kinderschaartjes, de bladeren ruisen als oude sjaals die langzaam van stoelen glijden.’
Hij begint te lachen.


2

Het gekrijs dat erop volgt is niet te vergelijken met iets wat hij ooit eerder gehoord heeft.
Het klinkt rauw, dierlijk. Als het geluid van iets of iemand in doodsnood.
Hij ziet het gezicht van de man die geschokt zijn kopje om stoot. De koffie gutst over het schriftje.
Mona heeft haar handen voor haar gezicht geslagen en maakt cirkelende bewegingen met haar bovenlijf. Het geluid houdt niet op, maar wordt langzaam zachter, verandert in geweeklaag.
Hij wil het de man uitleggen, maar weet dat hij hier geen woorden voor heeft. Dat hij niet mag komen aan wat hij denkt te weten. Dat hij niet vergeten mag dat hij Mona’s hoeder is.
De man wil afrekenen. Hij wuift hem weg. Laat maar, laat maar. Ga.

Wanneer het lichtgroene busje de kleine parkeerplaats opdraait, zit Mona in elkaar gedoken op een stoel. Ze heeft haar armen om zichzelf geslagen en uit haar mond komt een zwak zoemend geluid. De jonge vrouw met de rossige paardenstaart werpt een blik op Mona en vraagt hem of er iets bijzonders gebeurd is.
Hij voelt zich moe en schudt ontkennend zijn hoofd.
Ze loopt naar Mona toe en slaat behoedzaam een arm om haar tengere schouders.
‘Daar ben ik weer. Heb je je vermaakt?’ Ze ziet de koffievlekken op het schrift, komt naar de toog en kijkt hem opnieuw vragend aan.
Hij zucht. ‘Ik moet het café gaan verkopen. Het spijt me.’
‘Wat jammer,’ zegt ze zacht. ’Wat vreselijk jammer, vooral voor Mona. Ik zal een andere oplossing moeten zoeken. Ze was hier zo graag. Het ging zo goed. In ieder geval bedankt voor de keren dat ze hier mocht zijn. Ik ga haar nu terug brengen anders komt ze te laat voor het middageten.’ Ze strekt haar hand naar hem uit. Hij drukt de droge, warme vingers.
‘Mijn zusje mocht je,’ zegt ze, ‘dat weet je toch?’
Hij haalt zijn schouders op en keert zijn handpalmen naar haar toe alsof hij haar zo zijn onmacht wil tonen.
De zussen lopen samen het pad af naar de bus waar met paarse grote letters ‘Leven? Een kunst!’ op geschilderd staat. Mona’s hoofd is naar de grond gebogen, ze kijkt niet meer om.
Haar schriftje ligt nog op tafel. Hij pakt het op, zou het haar na moeten brengen.
Hij sluit de deur af en hangt het bordje ‘gesloten’ op. Met het schriftje tegen zich aangeklemd staart hij naar de stammen van de bomen waar het felle zonlicht onregelmatige vlekken op aanbrengt. Het wordt een warme dag.

Marijke van Hooff (Haarlem 1944) woont sinds 1982 in Hoeven. Zij schrijft proza, poëzie en liedteksten en zingt bij ensemble Viaggio. Haar laatst verschenen bundel is ‘Zij die mij bewoont’.

Illustratie: Hans Lodewijkx > Bewerking van de Mona Lisa van het Prado, waarschijnlijk vervaardigd door een leerling van Leonardo da Vinci, in zijn atelier en tegelijkertijd met het origineel. Overigens heeft de Madrileense Mona Lisa wenkbrauwen, in tegenstelling tot de Parijse versie.

© Brabant Cultureel 2022

Reacties (3)

  1. Ivo Kievenaar schreef:

    Marijke van Hooff schrijft in dit mooi sober vertelde verhaal over een vrouw in een café. Wat weten we van haar? Dat ze aan haar tafeltje zit te schrijven. Maar door één element over die vrouw toe te voegen verandert het perspectief van de lezer volledig. Knap gedaan.

  2. Elisabeth Arkesteijn schreef:

    Het verhaal over Mona liet me niet los. Ik voelde met de personen mee, het is alsof het alle delen van één persoon zijn. In ieder geval deel van mij, Misschien deel van velen. Ik voel me soms Mona en wil aan het tafeltje zitten schrijven. Ik voel me de cafébaas op zijn mooie plekje in het bos,maar de zaak gaat wellicht sluiten. Ik voel me ook als de fietser die het verhaal ingetrokken wordt. En ik ben soms de zus die Mona beschermt en verzorgt en iets anders moet zoeken. De sfeer is triest, maar ook bijzonder, de mensen hebben oog voor elkaar.

  3. Tineke moes-kuipers schreef:

    In eenvoudige woorden weet Marijke een beeldende sfeer te creëren waarin je als lezer en kijker direct wordt meegenomen.
    Het onvervulde verlangen van de man, en zo breekbaar als Mona is in haar eigen wereld, zo breekbaar is de sfeer om haar heen. De vrouw van de man achter de toog, de binnenkomst van een voorbijganger zorgen ervoor dat “ dingen uit haar leven verdwijnen”.
    Het busje waar ze instapt, het schriftje wat achterblijft… Leven… een kunst!!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *