Prostitutie en uitbuiting in de zeventiende en achttiende eeuw in ‘s-Hertogenbosch

Lieverdjes waren het doorgaans niet, de Bossche prostituees in de zeventiende en achttiende eeuw. In de geschiedschrijving hebben ze een bescheiden rol, maar niet bij de Bossche historicus Jos Wassink. In zijn boek ‘Dagelijks leven in “ontugt”’ laat hij vervolgde hoeren zien in al hun armoede, ellende, hebzucht, leugenachtigheid en machteloosheid. Overleven in een arme tijd in een garnizoensstad.

door Mieske van Eck

De rol van de prostitutie in ’s-Hertogenbosch is lang onderbelicht gebleven. De Bossche historicus en gepensioneerd archivaris Jos Wassink maakt in zijn boek Dagelijks leven in ‘ontugt’. Prostitutie in de vestingstad ’s-Hertogenbosch, 1629-1795 de zware levens van vrouwen aan de ‘onderkant’ van de samenleving zichtbaar. Voor rijkdom hoeven ze het niet te doen, het hoogst haalbare is doorgaans ontsnappen aan armoede en honger. Daarvoor riskeren zij strenge en vernederende straffen.

Achter de Kan, een van de destijds armoedige stegen waar hoeren werkten.
Fotopersbureau Het Zuiden, Erfgoed ’s-Hertogenbosch

Het woord prostitutie komt in de vonnissen van de Bossche schepenbank pas voor het eerst voor in 1782. Wassink gebruikt in zijn boek de in die tijd gangbare termen, zoals hoeren, hoererij, hoerjagers (klanten). Die keuze brengt de lezers dicht bij de mensen die leefden in een stad waar de levens van militairen, hoeren en burgers nauw verweven waren.

Seks buiten het huwelijk is sinds 1656 strafbaar in de Republiek der Verenigde Nederlanden. De gereformeerde kerkenraad van Den Bosch vindt dat het woord Gods moet doorwerken in het dagelijks leven, zowel op persoonlijk als op publiek terrein. Zondigheid moet ferm worden bestreden, ook in een stad die voor tachtig procent rooms is. Nu de gereformeerden het voor het zeggen hebben, ontpoppen zij zich in Den Bosch tot het geweten van het stadhuis. Ook angst voor desertie en geslachtsziekten spelen een rol bij het optreden tegen hoeren en hoerhuizen.

In de Republiek werd seks buiten het huwelijk in 1656 strafbaar

Toch is het bestrijden van de losse moraal in ’s-Hertogenbosch niet altijd een speerpunt. De stad heeft de handen al vol aan beroving, diefstal en heling. Vaak blijken bordelen en herbergen van laag allooi broeinesten van criminaliteit. Voor hoeren die ook nog eens bij een bende horen kunnen de straffen stevig uitpakken.

Heel wat hoeren zijn in ’s-Hertogenbosch tegen hun wil de prostitutie ingelokt. Zo ook Theresia Aldenhoven die van Brugge naar Den Bosch komt om werk te zoeken. Zoals veel arme, alleenstaande vrouwen die de weg niet weten in de stad valt Theresia in verkeerde handen. Zij vindt onderdak bij een vrouw en daar biedt een bezoekster haar werk aan. Geen toeval, want beide vrouwen werken samen. Bij de tweede vrouw thuis weet ze meteen hoe laat het is als ze twee officieren ziet. Theresia keert terug naar het eerste adres waar een paar dagen later Driesken den Bakker aanklopt. Hij biedt haar werk aan in het bakkerijtje van zijn vrouw Anna Maria van der Meulen in de Gasthuijsstraat.

Historicus Jos Wassink laat vervolgde hoeren zien in al hun armoede, ellende, hebzucht, leugenachtigheid en machteloosheid

Na lang praten geeft Theresia toe, maar de bakkerij blijkt een dekmantel voor een bordeel. Theresia is erin geluisd. Ze moet een daalder per week kostgeld betalen en de helft van haar verdiensten afstaan, ook van de extraatjes die zij krijgt. Zelfs een gedroogde schol moet ze delen. Het bordeel verhuist naar de Louwschepoort. Theresia gaat mee. Ze heeft er met verschillende mannen en een vaste klant – een officier – ‘vleeschelijcke conversatie’. In 1775 bevalt ze in het bordeel van een zoontje dat achttien dagen later sterft. Ze zorgt voor een fatsoenlijke begrafenis. Het kost haar handenvol geld en ze moet de bordeelhouders blijven betalen. In 1776 vallen dienders het bordeel binnen. Driesken, Anna Maria, Theresia en nog twee hoeren gaan naar de Gevangenpoort. Vijf andere hoeren zijn niet thuis en ontspringen de dans.

Zo moet de Bossche gevangenpoort vooraan in de Hinthamerstraat er ongeveer hebben uitgezien. Render van 3d-reconstructie, Erfgoed ’s-Hertogenbosch

Driesken wordt strengelijk gegeseld wegens ‘vegterijen en andere onbeschoftheden’. Ook Anna Maria ondergaat een geseling. Beiden moeten de stad en de Meierij voor eeuwig verlaten. Theresia komt eraf met veertien dagen op water en brood en verbanning uit de stad. Tegen het eind van de achttiende eeuw vallen straffen voor bordeelhouders zwaarder uit dan voor hoeren. Er is dan meer begrip voor de moeilijke omstandigheden van arme vrouwen, maar juist minder voor hen die zich aan de hoeren willen verrijken. Eerder in de zeventiende en begin achttiende eeuw zijn de zwaarste straffen juist voor de hoeren.

Draaikooi

Die straffen zijn vooral gericht op vernedering en eerverlies. Veel meer te verliezen hebben hoeren meestal ook niet. De ‘infame straathoer’ Mechtelt draait in 1699 genoeg rondjes in de draaikooi op de Bossche Markt om er goed misselijk van te worden. ‘Wie is nu moijer ick ofte gijlieden’, zegt zij volgens een kroniekschrijver na afloop tegen de draaiers. Over het gebruik van dit strafwerktuig in de stad is maar weinig bekend. Den Haag en Vlissingen hebben er ook een. Een ooggetuige in Vlissingen vertelt dat de vrouw op een ijzeren zetel in het midden van de kooi moet zitten. Zij krijgt een beugel om borst en middel en moet zich vasthouden aan de tralies. Omstanders bekogelen haar met vuil. Door het draaien moet de vrouw overgeven. Maria Martens is de enige in de Bossche draaikooi van wie de naam nog bekend is. Later is zij gegeseld en uit de stad verbannen.

Afbeelding van de Haagse draaikooi.
Illustratie uit besproken boek

De schandhuik, een kunstwerk van de schrijnwerker Jacobus van der Hoeven en schilder Ambrosius Visscher, is vaker in gebruik. In de met padden en slangen versierde houten mantel rijden vrouwen op een askar rond het bouwblok op de Markt alvorens zij naar de Vughterpoort worden gevoerd en verbannen. Deze huik staat nu in Het Noordbrabants Museum.

De Bossche schandhuik. Foto > Peter Cox, collectie HNBM

Niet dat de straffen veel helpen. Vrouwen die zijn onteerd, verbannen of gegeseld, keren vaak terug in Den Bosch. Blijkbaar hebben zij weinig keus. Juist als onteerde vrouw maken zij nauwelijks kans op ander werk. En in ’s-Hertogenbosch vinden ze onder soldaten makkelijk klanten.

Weerzinwekkend

Zowel het bestaan van de hoeren als van de soldaten is in die tijd benijdenswaardig. Wassink geeft er levendige, vaak weerzinwekkende beschrijvingen van. Veel plaatsen die hij noemt vinden we nog makkelijk terug in het Den Bosch van nu; al zijn de armoedige sloppen en stegen verdwenen en veel oude panden opgepoetst tot monumenten.
Wassink spoorde in het schepenbankarchief ruim tweehonderdvijftig hoeren en bordeelhoudsters op. Hij wilde zo dicht mogelijk bij het dagelijks leven in die tijd zien te komen. Dat is hem goed gelukt, al zijn de verhalen zelden compleet. Vaak gedwongen door armoede vinden hoeren hun eigen manier om hun leven vorm te geven en in hun onderhoud te voorzien.

Op prostitutie stonden zware lijfstraffen en verbanning; mannelijke klanten ontsprongen de dans

Bosschenaren leven ook na de inname van de stad door Frederik Hendrik in 1629 in een roerige tijd. Er is altijd wel een oorlog net voorbij of op handen. De stad heeft als onderdeel van de Zuiderfrontier een flink garnizoen dat als een magneet werkt op hoeren. Tussen Grave en Sluis ligt een ketting van garnizoenssteden. Veel hoeren trekken van de ene naar de andere vestingstad, omdat ze zijn verjaagd en verbannen of om nieuwe klanten te zoeken.

Garnizoen

De omvang van het Bossche garnizoen ligt tussen de tweeduizend en de vijfduizend man. Dat is heel wat op een bevolking van veertien tot zestienduizend inwoners. De soldaten krijgen onderdak in barakken, hutten of bij burgers thuis. Een kwart tot een derde van de militairen trouwt, maar vaak laten zij vrouw en kinderen achter wanneer zij verder trekken. Alleenstaande soldatenvrouwen en hun kinderen maken tien procent van de bevolking uit.

Hoeren werden vaak tot buiten de Vughterpoort gebracht. Foto eind negentiende eeuw, gezien vanuit Vught. Collectie > Erfgoed ’s-Hertogenbosch

De militairen komen van overal. Vooral uit streken waar het nog armer is dan in de Nederlanden: Duitse vorstendommen, Zwitserland, Ierland, Schotland, Wales, Frankrijk, Wallonië, Oost-Nederland en Staats-Brabant. Vaak zijn ze werkloos of op zoek naar avontuur. Rijk worden ze er niet van. In het begin van de achttiende eeuw verdienen soldaten zes stuivers per dag en onderdak. Een dagloner krijgt meer. De kosten van een arrestant in de Bossche gevangenpoort worden geschat op vijf stuivers per dag. In 1744 laat de stad nieuwe kazernes bouwen, waardoor minder inkwartieringen bij burgers nodig zijn. In de omgeving van de vier kazernes duiken al snel hoeren, hoerhuizen en dubieuze herbergen op.

Een oude vrouw biedt een man een glas aan en leidt hem af, een jongere vrouw met een liedboek steelt geld uit zijn beurs. Schilderij, mogelijk van Jan Steen, gemaakt tussen 1670 en 1700. Collectie Rijksmuseum Amsterdam

Ongewenst

Volgens Wassink zijn er nauwelijks Bossche meisjes die als hoer werken. Hoeren komen net als soldaten van heinde en verre, maar cijfers zijn moeilijk te geven. Wassink had weinig meer om op af te gaan dan de verslagen van de schepenbank, die vaak wel uitgebreid zijn. Veel hoeren zijn echter zonder proces als ongewenst vreemdeling de stad uitgezet. Die staan nergens vermeld. Gezien de grote armoede in ’s-Hertogenbosch lijkt het moeilijk te geloven dat Bossche vrouwen de kans op een paar stuivers laten lopen. Het zou mooi zijn als hier nog verder onderzoek naar wordt gedaan.

De Lovensche Poort. Gedenksteen in het winkelpand waar de gevangenpoort stond. Foto > Alfons van Stiphout

Vrouwen worden harder aangepakt dan mannen. Die worden meestal niet vervolgd, al zijn ze wel strafbaar. Zij worden eerder gezien als slachtoffers van de verleiding. Drie hoeren die tevens schuldig zijn aan landloperij, bedelarij, gewelddadigheden, beroving en brandstichting krijgen in 1726 de doodstraf. Voor zij op de Markt worden gewurgd, blakert de beul hun gezicht met brandend stro bij wijze van spiegelstraf voor de brandstichting. Hun lichamen eindigen aan de galg op de Vughterheide. De doodstraf staat ook op homoseksualiteit. Die ‘vuijle sonde’ blijft blijkbaar zo in het verborgene dat Wassink er weinig over heeft gevonden.

Jos Wassink. Foto > ZHC

De schrijver oordeelt niet en beschrijft nauwkeurig en met begrip de omstandigheden van mensen die vaak noodgedwongen kozen voor een veracht beroep. Zijn boek is kleurrijk en boeiend, maar ook een trieste parade van jammerlijk mislukte levens door al dan niet gedwongen prostitutie, geweld, uitbuiting, geslachtsziekten en kindersterfte.

Jos Wassink, Dagelijks leven in ‘ontugt’ Prostitutie in de vestingstad ’s-Hertogenbosch, 1629-1795. Tilburg / Woudrichem: Zuidelijk Historisch Contact / Pictures Publishers 2021, 312 pp., ISBN 978-94-92576-41-5, hb., € 24,95.

Uitgeverij ZHC

Pictures Publishers

© Brabant Cultureel 2021