Een festival van kleine feiten leidde tot dorpsreglementen in de Meierij van ’s-Hertogenbosch

Lieuwe Lieuwes promoveerde aan de Universiteit van Tilburg op een proefschrift waarvoor al in 1971 de eerste paal werd geslagen. Pas na zijn pensionering kon hij de aangepakte titanenarbeid afronden en nu ligt er een boek dat voortaan elke heemkundige of lokaal-historicus in de Meierij ter kennis dient te nemen en waarop zijn rechtshistorische collega’s hun tanden kunnen stukbijten.

door Lauran Toorians

Een proefschrift (of dissertatie) is een proeve van bekwaamheid als wetenschapper. De auteur laat zien dat hij of zij in staat is om zelfstandig origineel wetenschappelijk onderzoek te doen en daar verslag van te doen. In de exacte vakken – en zeker in de wiskunde – heeft de promovendus vaak genoeg aan een handjevol pagina’s om hierin te slagen. In de alfawetenschappen lijkt de omvang van proefschriften onderhevig aan een soort eb en vloed. Zo’n eeuw geleden was in die disciplines honderd pagina’s nog heel acceptabel, om vervolgens uit de dijen tot lijvige boekwerken van honderden bladzijden en daarna sinds halverwege de jaren 1980 weer te slinken tot meer handzame boekwerken. Bij verschillende universiteiten en vakgebieden worden tegenwoordig zelfs maximumlengtes gehanteerd. De boeken moeten immers ook allemaal worden gelezen en becommentarieerd en het aantal promoties – die de universiteiten veel geld opleveren – groeide explosief.

Afzonderlijk

Met dit in het achterhoofd is een rechtshistorisch proefschrift met in totaal 2037 bladzijden uitzonderlijk te noemen, ook als het voor ruim de helft bestaat uit de historische teksten waarop het is gebaseerd. En het ironische is dan misschien wel weer dat juist die ‘bijlagen’, opgenomen in een afzonderlijk boekdeel, deze dissertatie zo interessant maakt voor waarschijnlijk nog vele generaties heemkundigen en lokaal-historici.

De twee delen van het proefschrift, samen 2037 pagina’s. Foto > Lauran Toorians

Onderwerp zijn de dorpsreglementen in de Meierij van ’s-Hertogenbosch uit de periode 1648-1795, dus de tijd waarin de Meierij onder Staats bestuur stond. Waar mensen met elkaar leven en samen verantwoordelijkheden dragen, is er behoefte aan regels. In kleine gemeenschappen of waar het onderlinge vertrouwen groot is, kunnen die regels informeel zijn en in beginsel zullen onderlinge regels vaak zijn terug te voeren op ingesleten gewoontes. Maar waar de organisatiegraad en de verantwoordelijkheden groter worden, is het nodig de regels vast te leggen. Dat gebeurde ook al in de oudheid en veel van de vroegste filosofische (en religieuze) teksten gaan over hoe goed samen te leven. Ook in de middeleeuwen bestonden dergelijke regels, naast van bovenaf opgelegde wetten. Het ging dan bijvoorbeeld om het beheer en gebruik van gemeenschappelijke gronden of om taken op het land die de gemeenschap gecoördineerd moest uitvoeren. Denk ook aan waterschappen, waarin alle ingezetenen belang hebben bij het onderhoud van dijken en sloten.

In veel dorpen werd in het verleden openbaar vergaderd op een plein onder een (gerechts)linde en bij slecht weer in een herberg. Slechts enkele van die oude lindes zijn er nog. Deze, op de Heuvel in Tilburg, werd in 1994 gerooid. De foto is rond 1850 gemaakt, kijkend naar het zuiden. Foto > collectie Regionaal Archief Tilburg

Het gaat hierbij dus om meer dan rechtspraak. Twee zaken werden in de loop van de tijd steeds belangrijker. Ten eerste de vraag wie verantwoordelijk is voor wat en waar de rechten en plichten van die persoon precies beginnen en ophouden. Waar komen die rechten en plichten vandaan (ofwel: hoe en door wie wordt die persoon benoemd) en hoe wordt daarop toegezien. Het tweede punt draait om geld. In de middeleeuwen konden (lands)heren hun onderdanen om geld vragen ten behoeve van bijvoorbeeld oorlogsvoering, het uithuwen van een dochter of als er losgeld moest worden betaald. Dat was dan een verzoek (een ‘bede’) waaraan de onderdanen zich moeilijk konden onttrekken. De gevraagde bedragen werden naar rato van de bevolkingsomvang aan een gemeenschap opgelegd en in eerste instantie zoveel mogelijk hoofdelijk omgeslagen. En ook daarbij was natuurlijk al van belang bij wie die aanslag binnenkwam en hoe hij dat omslaan het best kon regelen.

Complex

Naarmate de overheid steeds meer geld (belastingen) ging verlangen werd het van steeds groter belang om dit goed te regelen. Daarnaast was het tijdens de Tachtigjarige Oorlog al goed gebruik geworden dat steden en dorpen brandschatting en plundering konden afkopen door de belegeraar te betalen. Daarvoor moest vaak geld worden geleend en met name in de dorpen – de steden kenden al een ambtelijk apparaat dat beter was toegerust – leidde dit tot reglementen. Er moest immers duidelijk zijn wie precies de lening aanging en hoe de verantwoordelijkheden lagen voor het afbetalen. Een abstracte rechtspersoon als een gemeente, een vereniging of een stichting bestond nog niet, maar voor iets dergelijks werd zo wel de kiem gelegd. Onder Staats bestuur werd dit alles nijpender en gingen in de Meierij van ’s-Hertogenbosch steeds meer dorpen er toe over reglementen op te stellen waarin allerlei functies en verantwoordelijkheden werden vastgelegd. In zijn lijvige proefschrift beschrijft mr. Lieuwe Lieuwes (Vught 1948) hoe dit in zijn werk ging. Het is een complex proces geweest, want reglementen moesten niet alleen worden opgesteld, maar vervolgens ook nog worden vastgesteld voordat zij ten uitvoer konden worden gebracht en daarbij had ‘Den Haag’ een dikke vinger in de pap.

Kaart van de Meierij van ‘s-Hertogenbosch uit 1633 en/of 1689 – 1690
Beeld > Wikimedia Commons/Collectie Rijksmuseum

Er was ook geen verplichting om een reglement te hebben en de – historisch gegroeide – situatie was in elk dorp anders. Reglementen kwamen er dus niet overal, zeker niet overal tegelijk en ondanks dat de dorpen wel naar elkaar keken ook zeker niet overal op dezelfde manier en met dezelfde inhoud. Wel wordt duidelijk dat de Meierij sinds haar ontstaan rond 1200 een eigen karakter had gekregen en dit fenomeen dus heel goed specifiek voor dit rechtsgebied kan worden beschreven. De hier bestudeerde en beschreven ontwikkeling is volgens Lieuwes dan ook uniek voor de Meierij van ’s-Hertogenbosch.

Context

In het eerste van de twee banden die het proefschrift beslaat, beschrijft Lieuwes deze ontwikkeling. Eerst schetst hij hier in ruim driehonderd bladzijden de context waarin de dorpsreglementen tot stand kwamen. Dat begint met ‘de actoren van of namens de hoge overheid’. Vervolgens wordt in groot detail ingegaan op fundamentele vragen zoals wat een dorp nu precies is, of een vrijheid, een buurtschap of een heerlijkheid, en vervolgens wat voor mensen er in die dorpen te vinden waren en hoe taken en verantwoordelijkheden waren verdeeld over allerlei functionarissen. Wat deden die, hoe (en voor hoe lang) werden die aangesteld en hoe legden zij verantwoording af? Daarna volgt de hoofdmoot van dit boekdeel waarin de overgeleverde dorpsreglementen (soms zijn er meer per plaats) in groot detail worden besproken. Dit alles beslaat zo’n 850 bladzijden met behoorlijk taaie kost, maar wel bijzonder leerzaam voor wie wil weten hoe het in al die dorpen in de behandelde periode reilde en zeilde. Niet op het niveau van individuele inwoners, maar als gereguleerde eenheid. Zoals Lieuwes het noemt: ‘de interactie tussen bestuurders en bestuurden’.

Heemkundigen

De tweede boekband bevat de delen twee en drie van het proefschrift. In deel twee wordt per dorp en per reglement (Hilvarenbeek kreeg er zelfs zes) uiteengezet hoe het reglement tot stand kwam en wat de voornaamste kenmerken ervan zijn. Het gaat hier om vastgestelde reglementen voor negentwintig dorpen, procedures zonder vastgesteld reglement voor dertien dorpen en twee ‘quasi reglementen’. Alleen deze behandeling neemt al bijna vijfhonderd pagina’s in beslag. Daarna volgen dan nog de integrale teksten van al die reglementen.

Prent van de Vrijthof in Hilvarenbeek, gepubliceerd in “Reize door de Majorij van ‘s-Hertogenbosch in den jaare 1798-1799”. Hilvarenbeek kende 6 dorpsreglementen > 1627, 1649, 1657, 1661, 1699 en 1700. Beeld > collectie Regionaal Archief Tilburg
Reglement Hilvarenbeek, 1627, artikel 3
‘Reglement voor die van de vrijheid Hilvarenbeecq’ 1661, artikel 37

Het zullen vooral die laatste zeshonderd bladzijden zijn waarin heemkundigen meteen op zoek gaan naar hun eigen dorp. Dat is begrijpelijk, maar het zou jammer zijn als het daarbij blijft. Juist de gedetailleerde analyse en de context die Lieuwes biedt, maakt deze studie belangrijk en daarmee is het ook mogelijk die reglementering in het eigen dorp in een bredere context te begrijpen. Al was het maar om nog beter te leren zien hoe uniek dat ene eigen dorp wel is.

‘Reglemente voor den Dorpe van Maaren’ 1664, artikel 7

De periode in de titel van de studie is wat ruim genomen. Het is de hele periode van Staats gezag over de Meierij, maar feitelijk kwam de ontwikkeling van dorpsreglementen pas op gang met de invoering van een nieuwe belasting op onroerend goed in 1658. En met de toenemende, centrale regelgeving vanuit Den Haag werd de autonomie van dorpen steeds meer ingeperkt waardoor er na 1732 een einde kwam aan de evolutie van nieuwe dorpsreglementering, met nog een laatste uitschieter in 1767.

Lieuwe Lieuwes, Dorpsreglementen in de Meierij van ’s-Hertogenbosch 1648-1795. Van onstuurbaar naar stuurbaar bestuur. Proefschrift Tilburg 2020.

Een handelseditie verschijnt in de Brabantse Rechtshistorische Reeks
De dissertatie is als pdf hier te lezen.

Tekst boven dit artikel > afsluitende zin in Reglement Moergestel, 1658

© Brabant Cultureel 2021