Stadsgedicht XVI

De Tilburgse stadsdichter A.H.J. Dautzenberg ontwikkelt tussen augustus 2019 en augustus 2021 maandelijks een stadsgedicht. Elk gedicht wordt door een Tilburgse kunstenaar bewerkt tot een nieuw kunstwerk. De resultaten zijn te zien op de site www.detaovandet.nl en worden individueel steeds op een andere plek gepresenteerd. Nu dus in Brabant Cultureel.

Max Niematz (Tilburg 1942) ontfermde zich over stadsgedicht XVI. Hij is geboren en getogen in Tilburg, zwierf over de wereld en woont nu al enkele decennia afwisselend in Oudeschans in Oost-Groningen en in Italië. Begin november verscheen zijn roman Smeulende vuren, bloedend hout (Utrecht: Uitgeverij IJzer 2020).

Stadsgedicht XVI door Anton Dautzenberg

Luister naar de bewerking van Stadsgedicht XVI voorgelezen door Max Niematz

Max Niematz leest zijn verhaal HOPMAN & VAN LOOY

Of lees de bewerking van Stadsgedicht XVI door Max Niematz

HOPMAN & VAN LOOY

Rustige buurt hier. Bijna geen auto’s en er wonen alleen oude mensen die je zelden ziet. Je hoort buiten in de heg wat mussen kwetteren en hier in huis de pendule, om het uur dat melodietje, ting-ting-tong, en het is weer stil, een stil huis, een stille buurt. Maar na vanmiddag is het voorgoed gedaan met de rust, het zal nooit meer hetzelfde huis, dezelfde straat zijn.

Veel buiten geweest ben ik niet de laatste tijd, en ook bij Kananian heb ik al weken mijn gezicht niet laten zien. Het zat er gewoon niet in. Want ik sukkel al een tijdje met mijn heup en kan amper de trap op en af. Maar voor boodschappen moet je wel, je kunt niet zonder brandstof. En wat stelde ik vast, die keren op straat? Dat voorbijgangers net deden of ze me niet zagen. Ze keken opzij of in de lucht, zo deerniswekkend bewoog ik me voort. Zelfs de honden moesten niets van me hebben, ze liepen met een boog om me heen.

Het werd me zoetjes aan wel duidelijk, dit kon zo niet langer. Want gruwelnogantoe, wat een last geeft zo’n kapotte heup en wat een inbreuk op je leven is het! Ik ben naar de poli gegaan. Daar wisten ze raad, eindelijk. Ik was zo gelukkig als een kind, toen de orthopeut een stuk van mijn been afzaagde. Met een zilveren hamertje dreef hij tik voor tik een stalen pen met balgewricht in de holte van mijn bot. Waarna hij zijn handen afveegde aan zijn schort en zei: ‘Nou, meneer Broekmans, u kunt weer meedoen aan de marathon.’

De marathon? Nou, dat valt nog maar te bezien. Zelfs lopen is er voorlopig niet bij. Ik kom vooruit, daar is het mee gezegd, dankzij deze rolstoel. Die heb ik van de nazorg. Ik rij en tob en vrees een lang genezingsproces. En wat doet iemand die rijdt en tobt en van zijn spaarcenten kan leven en opnieuw moet leren lopen? Precies, hij zoekt de zon op, hij gaat op vakantie. Dat ga ik dus doen, en wel naar Mauritius, mijn vaste vakantieoord. Ik heb al geboekt, mijn ticket is binnen. Aanstaande maandag vertrek ik, naar de Mauritius dus, waar de kelners me kennen en me ongevraagd een ijssorbet met slagroom voor zullen zetten, let maar op, nu ik zo hulpbehoevend ben. Voor een leuke fooi, eentje waar niemand zich voor hoeft te schamen, zullen ze me ook nog wel naar het strand willen rijden, naar het mooiste plekje met uitzicht op zee dat het eiland rijk is.

Dat ik zo lang niets heb gehoord van Kananian… Toch vreemd, nu ik erover nadenk. Niemand schijnt daar op het idee te zijn gekomen om naar me te informeren. Ze moeten toch gedacht hebben: ‘Waar is Broekmans? We hebben hem al in geen weken gezien?’ Ze kennen me goed bij Kananian, maar kennelijk niet goed genoeg. Ik had wel dood kunnen liggen hier in mijn flat – niemand schijnt met die mogelijkheid rekening te hebben gehouden. En al was het zo, dan nog hadden ze waarschijnlijk alleen maar het hoofd geschud en gezegd: ‘Dat zulke dingen gebeuren! In deze tijd van maanlandingen, atoombommen en vliegende schotels! Schandálig!’ Het zegt veel over het type mens dat bij Kananian over de vloer komt.

Ik had me natuurlijk per post voor mijn afwezigheid kunnen verontschuldigen, maar ik dacht bij mezelf: nee, komt niets van in, het is hún nalatigheid… Maar wat als ik straks terug ben van Mauritius en ik stap gezond en wel bij Kananian binnen en zeg: ‘Zo, heren, ik ben er weer!’ en ze zeggen: ‘Ben er weer? Was je weg dan? Daar hebben we niets van gemerkt.’ Wat dan? Dan is de blamage nog groter. Dagelijks breng je een paar uur van je goeie tijd in dat gezelschap door, en je laat wekenlang verstek gaan en het valt hen niet eens op!

Ach, als je het goed bekijkt, is het ook wel weer begrijpelijk dat ze me niet missen. Ik frequenteer dat lokaal nu eenmaal niet voor hen, niet om relaties aan te knopen of met hen de laatste nieuwtjes door te nemen. Ik wil gewoon in een aangename omgeving mijn krant lezen, en bij Kananian ís het aangenaam. Het ruikt er naar jenever en natte jassen, allerlei rookwaar, naar roddel en achterklap, en het mag raar klinken, maar juist dat, dat achterbakse heeft voor mij iets behaaglijks. Ik zie het als een wezenlijk bestanddeel van de ambiance.

Zelf praat ik met niemand. Ik ben gesteld op mijn privacy. De tijd dat je me bij de bar kon vinden, is voorbij. Tegenwoordig bouw ik achterin de zaak een zekere beslotenheid om me heen. Sergei weet op welke avonden ik kom. Tegen betaling houdt hij mijn fauteuil vrij, en ik ga zitten, lees mijn krant en werp zelden een blik om me heen. Maar niet elke dag zijn er dezelfde gasten. Het zou dus logisch zijn als ik me nu en dan afvroeg: is die of die er? Maar waarom zou ik? Wat gaan mij hun zaakjes aan? Bovendien maakt het me weinig uit wie er zijn. Belangrijker is dat ze er in voldoende groten getale zijn. Genoeg gasten, genoeg gesmoes en gesmispel om me heen, en ben ik tevreden. Men kan toch niet zeggen dat ik te hoge eisen stel.

Overigens, dat ik mijn mond nooit opendoe – niemand bij Kananian die zich daaraan stoort. Ze lijken het zelfs op prijs te stellen dat ik niet opval, en ik kom hen in dat opzicht ruimschoots tegemoet. Zelden hoor ik iemand klagen dat hij vanwege die krant alleen mijn kruin en mijn schoenen te zien krijgt. Zwaar overdreven, vind ik. Toch zorg ik ervoor dat mijn schoenen steeds goed gepoetst zijn en er geen vlekken in mijn broek zitten. Zelfs mijn nagels laat ik op gezette tijden verzorgen. Aan mijn hoofdharen kan ik helaas weinig doen, want ik heb er geen. Aan mijn huid besteed ik des te meer aandacht. Grondige huidverzorging, het is mijn hele filosofie, waarvoor alleen de beste homeopathische middelen goed genoeg zijn. —

Goed, Mauritius, zei ik, daar ga ik heen. De ticket heb ik in huis. Ik dacht zo’n drie maanden weg te blijven. Dat moet genoeg zijn om de rolstoel te ontgroeien. Ik zie ernaar uit. Mauritius heeft altijd al een heilzame werking op me gehad. Dat ik een paar dagen moet wachten hindert niet, het komt me zelfs goed uit. Ik dacht die tijd te besteden aan het zoeken naar een gegadigde voor mijn flat. Want altijd als ik voor langere tijd wegga, bied ik die te huur aan – om de kosten te drukken, uit zuinigheid dus, wat voor mij hetzelfde is als ‘uit principe’. Alles wat men bezit, behoort immers zijn vruchten af te werpen. Dat is mijn stellige overtuiging, en ik kan het weten, als iemand die zijn leven lang in effecten heeft gehandeld. Maar ik zeg erbij: winstoogmerk is niet de enige reden waarom ik mijn huis verhuur. Ik vind het ook een naar idee om mijn spullen onbeheerd achter te laten. Wat kan er niet gebeuren, als je weg bent? Inbraak, brandstichting, vandalisme – de kranten maken een mens tegenwoordig extra gevoelig voor allerlei misstanden.

Tegenover sollicitanten voor mijn flat laat ik me overigens nooit uit over die angst, aangezien ze zichzelf dan algauw als oppas gaan zien en willen dat jíj ze betaalt, in plaats van dat ze zelf betalen. En ook al zouden ze het met me op een akkoordje willen gooien en zeggen: goed, in ruil voor gratis verblijf passen wij op uw huis en geven uw planten water, dan nog ga je er per saldo niet op vooruit, zo is het toch?

Ook deze keer heb ik mijn huis aangeboden via het reisbureau. Vanmorgen lieten ze me telefonisch weten dat ze een gegadigde hadden. Ze hadden zelfs al een afspraak met hem gemaakt. Om twee uur zou hij komen, maar er verscheen niemand. Elk moment kon de huisbel gaan, maar het bleef stil en ook in het trappenhuis hoorde ik niets. Ik rolde geregeld mijn stoel naar het raam. Niemand. Alleen die mussen in de heg aan de overkant, en op het trottoir een zwarte kat die ernaar zat te kijken en overdreven verlekkerd haar voorpoot likte. —

Maar toen, ineens… Een gruwelijk geknetter reet de stilte aan flarden. Een protserige Amerikaanse slee met een kapotte uitlaat komt de hoek om scheuren en stopt met gierende banden pal voor mijn flat. Wie schetst mijn verbazing, als ik twee bekenden zie uitstappen, Hopman en Van Looy, ook vaste klanten bij Kananian, beiden als gewoonlijk in het zwart, maar zonder das of hoed. Ik dacht meteen: o nee, dat niet! Ik doe niet open. Geen Hopman of Van Looy in mijn flat!

Ik hoorde ze al de trap op komen, gaf het wiel van mijn stoel een duw om de knip van de deur erop te doen… Te laat. Op hetzelfde moment vliegt Hopman al mijn huis binnen. Midden op het vloerkleed slaakt hij een kreet – ‘Heeeey… hóp!’ – waarbij hij met zijn wandelstok een charge uitvoert. Zo, in die houding, blijft hij staan, door één been gezakt, het andere gestrekt naar achteren, de stok als een rapier hoog en dreigend voor zich uit. Ik wist niet wat me overkwam. Al op het moment dat de deur opensprong, was ik teruggedeinsd en in de hoek bij de krantenbak beland, vanwaar ik onmachtig moest toezien hoe die spichtige kaalkop midden in mijn kamer seconden lang in zijn starre aanvalshouding volhardde.

Van Looy was er intussen ook. Stilletjes was hij binnengekomen en stond bij de deur, even erg onder de indruk van Hopmans flamboyante entree als ik, maar anders. Van Looy is kaal; beiden zijn kaal, net als ikzelf. Maar Van Looys hoofd lijkt kaler, omdat het dikker en ronder is en hijzelf over het geheel genomen ietwat bolvormig. De vingers onder zijn kin in elkaar friemelend stond hij zich te vergapen aan Hopmans strapatsen, zichtbaar tevreden, terwijl ik er alleen maar de diepste verachting voor had. Ik gaf daarvan ook duidelijk blijk, door niets te zeggen namelijk, te doen alsof ik hem niet zag, precies zoals je een kind dat lawaaierig om aandacht vraagt het vlugst stil krijgt door het te negeren.

Hopman stond nog altijd in die bevroren pose en leek niet van plan die op te geven. Maar het is geen beste acteur. Tuk op bijval kan hij nooit de verleiding weerstaan om het effect van zijn malligheid op anderen te peilen. Zonder dat hij zijn hoofd beweegt, zakt zijn linkeroog opzij en draait mijn kant op. Blijkbaar herinnerde mijn aanblik hem aan het doel van zijn komst, want meteen verslapte de geheven arm, ontspande zich ook de rest van zijn lijf en begon hij de kamer rond te wandelen – naar ik dacht om zich van zijn toekomstige verblijfplaats een indruk te vormen. Op zijn dooie akkertje wandelde hij rond, volop genietend, meer als iemand die op een mooie dag door een tuin of een natuurgebied wandelt dan als een potentiële onderhuurder.

Een rusteloos type, Hopman. Echt goed ken ik hem niet, maar zoveel heb ik uit wat ik opvang bij Kananian wel begrepen, dat hij iemand is die voor niets en niemandal bang is en zich als rechtgeaard zakenman pas ergens druk over maakt, als het hem wat kan opleveren. Die reputatie van durfal en man van de wereld bevestigde hij ook nu weer. Schijnbaar zonder ander doel dan te genieten van dit dagje uit kuierde hij rond, af en toe stilstaand om verzaligd de rustieke omgeving in zich op te nemen. Nu eens snoof hij de geur van een gordijn of jas op, dan weer legde hij zijn oor te luisteren aan mijn slaapkamerdeur. Steeds vond hij wel weer een nieuwe attractie.

Van Looy had aldoor wat verlegen staan gapen bij de deur, maar toen hij Hopman zo zag genieten, begon ook hij mijn flat als wandelbos te gebruiken. Meteen liep ook hij hier een vaas, daar een schemerlamp aan een bewonderende blik te onderwerpen alsof het boleten of heideroosjes waren; alsof ook bij hem even helemaal de natuurmens boven kwam.

Sprakeloos was ik, ik zeg het maar precies zoals het was. Nooit zulke kwasten gezien, het was gewoon gênant. Nee, dacht ik, die komen niet voor m’n flat; die komen amok maken! Ik wilde protesteren, wilde zeggen: ‘Zeg, Hopman, hoe oud ben je eigenlijk?’, maar aarzelde. Kennelijk was de hoop toch nog waardering voor mijn flat te horen sterker dan mijn ergernis en dus liet ik hen begaan, liet voorlopig niets merken van mijn ongenoegen om hen bij het taxeren niet af te leiden en rustig tot een oordeel te laten komen. Want ook al was ik vastbesloten hen te weigeren, een gunstige uitslag was me ook veel waard.

Op een goed moment zie ik Van Looy bij de barometer staan. Hij gaf er een tikje op, liet er toen, verbaasd over het geringe effect daarvan, met een dreun zijn vuist op neerkomen. Was dit nog ‘taxeren’ te noemen? Het was om je dood te ergeren. Wat willen ze nou eigenlijk? dacht ik. Laat ze ter zake komen… Maar nee, ze gingen gewoon door. Ze merkten me niet eens op, zozeer gingen op in de excursie. Of deden ze maar alsof? Rekten ze dit uitstapje enkel om te zien wie het langst zijn mond kon houden, zij of ik? Nou, dan wist ik wel wie er ging winnen. Ik ben volleerd in zwijgen, het is mijn grootste kracht. Maar toen Van Looy zijn zakmes te voorschijn haalde en zijn initialen in de deurpost begon te kerven, was voor mij de maat vol. Althans, nouja, we weten het allemaal bij Kananian: Van Looy is geen doorzetter. Hij heeft goeie ideeën, maar voert zelden iets ten einde. Ook nu kwam hij weer niet verder dan de V van Van, een letter die me niettemin voor de rest van mijn leven aan deze schandelijke overval zal herinneren.

Toen zag ik Hopman voor het hangkastje staan waarin ik mijn huisapotheek bewaar, mijn huidcrèmes en slaappillen en dergelijke. Is er iets meer privé? Nou, niet voor hem. Hij stond erin te graaien of het niets was, rook aan een sifon, spoot wat aftershave op zijn wang… Bij elk flesje trok hij een ander gezicht, soms waarderend, maar meestal kwaad, alsof hij de uitgelezen geur als een persoonlijke belediging zag en niet mijn favoriete reukwater, maar een braakmiddel in zijn hand had. Van Looy wilde natuurlijk weer niet achterblijven, mijn apotheek wekte ook zijn belangstelling. Ook hij nam er een potje uit, deed een dip op zijn hand en smeerde het uit.

Na mijn huis waren ze nu zelfs mijn heilige schrijn binnengedrongen! Het maakte me zo nijdig dat ik het had kunnen uitschreeuwen, maar wat kon ik doen? Als ik er wat van zei, was de kans groot dat ze hun wandeling zouden voortzetten, en naast dat kastje hangt het schilderij waarachter zich mijn safe bevindt. Als ze die ontdekten, zag het er al helemaal belabberd uit. O hemel nee! Hopman liep er al op af, gretig anticiperend op deze nieuwe bezienswaardigheid. Ik hield mijn hart vast, hield me angstvallig stil, want besefte wel dat als ik nu protest liet horen, hij beslist achterdochtig zou worden en denken dat er iets met dat schilderij aan de hand moest zijn, dat ik hem probeerde af te leiden. Gelukkig staat op dat doek ook weer een landelijk tafereel afgebeeld, de Drentse hei in purperen kleuren, met kudde en schaapherder. Vol afschuw wendde Hopman het hoofd af, draaide zich om en stak dwars de kamer over.

Wat kon ik doen, móést ik doen? Ingrijpen ja, maar hoe? Al die tijd had ik ze getolereerd in de hoop waardering te horen voor mijn flat, maar ho even, dacht ik, en besefte ineens dat men ook anderszins zijn voordeel kan doen met een situatie als deze. Immers, wat wist ik van die twee af? Ik ken hen van Kananian ja, maar dat slechts oppervlakkig. Neem Van Looy. Ze zeggen dat die er warmpjes bij zit, maar waar hij het precies vandaan haalt, weet niemand. Hij is opkoper, meen ik, of althans iets dat met verbeurdverklaringen te maken heeft. Over Hopman wisselen de meningen. De ene dag smijt hij met geld, een dag later wijst alles op een acuut gebrek aan middelen. Er wordt veel gepraat over die twee, maar zoals ik zeg, het fijne weet ik er niet van. Dus dacht ik: laat ze maar even aanmodderen. Altijd goed te weten wat voor vlees men in de kuip heeft. Het zal niet de eerste keer zijn dat iemand die zich in besloten kring netjes gedraagt, daarbuiten de grootste zwendelaar blijkt te zijn.

Ineens hield Hopman de pas in, midden in de kamer. Als gefascineerd keek hij om zich heen en knipte met zijn vingers. ‘Dít!’ stootte hij uit, onmiskenbare verrukking leggend in zijn stem. ‘Dit!’ – alsof hij eindelijk de plek had gevonden waar hij gelukkig kon zijn en zich voorgoed wilde vestigen.

Hoe groot mijn vertwijfeling ook was, het deed me deugd dat mijn flat hem beviel. Ja, zozeer overtrof die opluchting mijn gevoelens van woede en frustratie, dat ik ineens ook in Van Looy meer vertrouwen kreeg. Die wilde kennelijk niet voor Hopman onderdoen, want hij was naast hem gaan staan, naast Hopman, knipte ook met duim en middelvinger en gaf eveneens op extatische toon te kennen: ‘Ja, dit! Deze plek!’

Men zal dit alles vreemd vinden. Dat vond ik zelf ook. Hoogst bedenkelijk vond ik het, nee ronduit pervers, zoals die twee maar hun gang gingen. Maar omdat ik tegelijk blij was dat mijn woning bij hen in de smaak viel, overwoog ik of het toch geen aanbeveling verdiende hen de sleutel te overhandigen – tegen een schappelijke huurprijs uiteraard. Over de hoogte daarvan zouden we het vlug genoeg eens worden, zeker waar het Hopman betrof. Die schijnt alles af te weten van huur en onderhuur en de bepalingen dienaangaande, omdat hij in zijn leven wel veertig keer is verhuisd. Hij heeft er zelfs zijn vak van gemaakt als vennoot van firma Proclaxon, een goedlopend transportbedrijf, gespecialiseerd in spoedverhuizingen, actief overal in den lande. Die kennis van zaken sprak voor Hopman, zeker – toch bleef behoedzaamheid geboden. Want wat is me van doorgaans goed ingelichte zijde ter ore gekomen? Dat meneer zich hoogst zelden laat zien op kantoor en er een erezaak van maakt om op momenten dat er belangrijke beslissingen genomen moeten worden, nagenoeg onvindbaar te zijn. Geconfronteerd met deze aanklacht geeft hij dat ook volmondig toe, een ongegeneerde eerlijkheid die de tekortkoming in mijn ogen alleen maar ernstiger maakt. Dit is geen dagdieverij meer, dit wijst op moreel verval!

Intussen stond het voor mij wel vast wat voor druiloren die twee in feite zijn, buiten Kananian. Ik wist genoeg, wilde er een eind aan maken, maar werd ineens benieuwd naar wat mijn woning hen waard was, uitgedrukt niet in woord en gebaar, maar in harde pecunia. Stel, ze noemden een bedrag met drie nullen, ze waren er gek genoeg voor, dan kon ik toch moeilijk weigeren.

Had ik dat maar uit mijn hoofd gelaten! Want het enige effect van deze zigzag-koers was dat Hopman uit zijn roes werd gewekt, alsof hij de landelijke omgeving plotseling te idyllisch, te verheven vond en er genoeg van had. Zijn blik kreeg ineens weer dat hitsige, en met een korte glijbeweging hief hij zijn stok en ‘Heeeey… hóp!’ voerde een nieuwe charge uit.

Wat is hij toch ongedurig, Hopman! Altijd impulsief, altijd verrassingen, iemand die het duidelijk niet van overleg en zorgvuldige afweging moet hebben, maar van schokeffecten, van snelle overgangen. Bij Kananian net zo. Daar gaat hij al even ondoordacht met zijn energie om, even roekeloos als met zijn portefeuille. Toonbeeld van zakelijkheid en gezond verstand, en dan ineens kan hij wild naar een achtergelaten, nog halfvol glas grijpen en het in een keer achteroverslaan. Altijd even koel en vormelijk – ineens houdt hij een brandende peuk tegen een lampenkap. Als je toch zag hoe hij nu weer in de lucht stond te prikken met die wandelstok! God nog an toe! Zelfs Van Looy leek het kinderachtig gedoe te vinden. Die had inmiddels ook genoeg gewandeld en nam er zijn gemak van. Hij ging aan de salontafel zitten, een stijlvol object dat ik van mijn oudtante geërfd heb, een ding van massief tropenhout uit Centraal-Afrika met fraai bewerkte, blauw-wit geverfde poten. ‘Zo, die zit,’ zuchtte hij met een aai over een stropdas die hij thuis had liggen. Helemaal Van Looy, altijd even vadsig, altijd de kantjes er vanaf lopen. Toch heeft hij mij altijd respectvol behandeld, dat moet ik hem nageven, waarschijnlijk omdat hij een voorbeeld in me ziet en ook graag van zijn spaargeld zou willen leven.

Ineens zie ik Hopman halt houden ter hoogte van Van Looy, hoor hem aangenaam verrast zeggen: ‘Kijk aan! Heer Looy! Hoe staat ’t ermee? Hoe staan de zaken, m’n beste?’
‘Hier aankruisen,’ bromde Van Looy.
Hier aankruisen – hoe vaak heb ik hem dat niet horen zeggen? Want Van Looy mag eigen baas zijn, iemand die zich net als Hopman de luxe van onvindbaarheid kan veroorloven, in wiens vak onvindbaarheid misschien zelfs wel een eerste vereiste is, bij Kananian staat hij bekend als ‘de steuntrekker’. Vooral lieden die het minder voor de wind gaat, hoor je die term gebruiken, iets waar hij een vreselijke hekel aan heeft, maar wat hij om wille van het decorum over zijn kant laat gaan. Van Looy hecht aan decorum, precies zoals hij gruwelt van alles wat daarmee in strijd is: iemand die naar zijn zaken zit te vissen bijvoorbeeld. Altijd wendt hij dan hevig ongeïnteresseerd zijn hoofd af en mompelt: ‘Hier aankruisen s.v.p.’, waarmee het gevaar weer even is afgewend. Maar het tegenovergestelde ziet men ook gebeuren: een Van Looy, die zelf in andermans zaken zit te wroeten. Want dat luie wegdraaien van zijn hoofd bij ongepaste vragen is maar schijnbare desinteresse, een verkapte uitnodiging aan de ander om eerst zelf met een weetje op de proppen te komen waarmee hij, Van Looy, zijn voordeel kan doen. Behoorlijk nieuwsgierig, hoor, deze heer, en akelig uitgekookt, maar echt gevaarlijk is hij niet. Misschien vergezocht, maar persoonlijk doet Van Looy me altijd aan een mestkever denken, zoals hij niets liever doet dan zich wellustig in andermans zaakjes wentelen.

Hopman stond nog altijd blij verrast voor hem, maar raakte nu toch wat geïrriteerd door dit uitblijven van een wederbegroeting. ‘Beste man, praat niet zoveel!’ hoorde ik hem uitvallen tegen Van Looy. ‘Ach so,’ geeuwde deze, waarbij hij in plaats van zijn hand voor de mond te houden zich in het kruis krabde. Hij begon er zelfs zijn schoenen bij uit te trekken en bleek nog een gat in zijn sok te hebben ook. Van de andere schoen had hij de veter al los, maar hij kwam weer eens niet verder. Hij zat erbij alsof hij ineens doodmoe was. Kijk, dat bedoel ik nou: zó slonzig, zó vadsig! Ik dacht bij mezelf: en met zo iemand gaat men om! Is het niet bij de beesten af?!

Hopman is anders. Correcter, netter op zichzelf ook. Ook al zou je het niet zeggen, innerlijke beschaving heeft hij. En hij gunt een ander zijn pleziertje. Toen hij Van Looy aanklampte en vroeg hoe het met hem ging, was dat beslist niet om er zelf beter van te worden, hooguit om te voorkomen dat Van Looy in slaap zou sukkelen. Want voor wie zou hij, Hopman, dan zijn fratsen moeten opvoeren? Hopman heeft bijval nodig, en dat is Van Looy voor hem op de eerste plaats: bijval, applaus. Maar voor de rest, nee, Hopman heeft in de verste verte niets van het keverachtige van Van Looy. Hij straalt juist iets buitengewoon cleans uit. Al vanaf de eerste keer dat ik hem zag bij Kananian, associeer ik hem niet met een kever, maar met een mier, een zilvermier. Die heb je nog op Mauritius, ook al zie je ze zelden. Want het zijn slimme beestjes, hoor. En eigenwijs? Het kan heet zijn op Mauritius, eerder verzengend dan aangenaam. Je puft het uit en vlucht van schaduw naar schaduw. De zilvermier heeft daar wat op gevonden, heeft zich in de loop der eeuwen een hittebestendig schild aangemeten. Het absorbeert maar een paar procent van de hitte, als brandstof. Een zilvermier beweegt zich ook niet in een gestaag tempo voort, zoals de meeste mieren, maar met korte, elektrische snukjes. Hij heeft iets flitsends, iets knisperigs over zich. Behalve als hij een open vlakte oversteekt; dat doet hij in één keer, full speed, zonder bij te laden, terend op zijn reserves – kortom, helemaal Hopman zoals we hem kennen van Kananian. Maar hier? Vanmiddag? Vergeet het maar. Even vadsig als Van Looy plofte ook hij neer in een stoel, aan de andere kant van het tafeltje, en precies als Van Looy slaakte ook hij daarbij een zucht: ‘Hèhè, die zit.’ Opmerkelijk, want was Van Looy hier niet de na-aper? En dan zou Hopman die rol ineens overnemen?! Jawel, maar Hopman deed dat ook niet om zich te spiegelen aan Van Looy, maar gewoon, omdat hij nu eenmaal het patent heeft op verrassingen.

Een andere vraag leek me onder de omstandigheden meer van toepassing: hoe krijg ik ze hier weg? Het zag er niet naar uit dat ik ze met zachte hand de deur uit zou kunnen werken, laat staan dat ze uit eigen beweging zouden gaan. Ik was er na aan toe om ‘help!’ te roepen, maar hield me in. Behalve hen zou ik dan ook nog een horde buurtbewoners hebben rondlopen hier.

Toen overkwam me iets vreemds. In een flits van verzwakte alertheid vroeg ik me af: komen ze wel voor mijn flat? Zijn ze hier wellicht uit medeleven? Komen ze kijken of het wel goed met me gaat, dat ik zolang mijn gezicht niet heb laten zien bij Kananian? Daar keuren ze me geen blik waardig, maar wat blijkt? Dat ze wel degelijk met me meeleven! Ik voelde me gevleid, zomaar geliefd, ja dankbaar. Daardoor kwam het wellicht dat ik erover dacht hen wat aan te bieden, een glas water of zo, of vruchtensapje. Het lag me al op de tong: ‘Zeg, kan ik jullie wat inschenken?’ Maar juist op dat moment ontdekte Hopman de fles Vernizza-cognac op mijn kleerkast. Als een haai dook hij erop af, rende terug naar zijn stoel en nam een slok. Zijn gezicht trok samen en hij kwakte de fles op het tafeltje neer, sloeg de armen over elkaar, slikte pas toen het zaakje door en tuurde naar de vloer, kin op de borst als een verongelijkt kind. Het ís ook een straf goedje, Vernizza, meer dan zestig procent alcohol. Ik heb het van Mauritius, maar het recept schijnt uit de Congo te komen, een exclusieve melange. De prijs is navenant.

En meteen zette ook Van Looy op die heel eigen quasi-verstrooide, onbeschoft-luie wijze de fles aan de mond en ook zijn gezicht trok samen. Hopman, die zijn ogen nog star op de vloer gericht had, kon deze dronk van Van Looy dus niet gezien hebben, maar hij sprong op, nam de pose van een operazanger aan en sprak met sonore stem: ‘Héhé, blijf van m’n bier af!’ Van Looy schoot in de lach, en als díé lacht en het is een lach die vanzelf komt, hem als het ware ontglipt, nou, dan begint hij alleen maar harder. Hij proestte het uit: ‘Hoho, blijf van m’n bocht af!’ Hij giechelde als een jonge meid, alsof Hopman hem in de zij kietelde en daar niet mee ophield, terwijl die toch gewoon weer zat en niets zei of deed, gewoon weer doorging met somberen, alsof hij ineens doodziek was van zichzelf.

Ik had er goed de pest in zoals die twee daar mijn dure drank om zeep zaten te helpen, wilde opspringen en uitroepen: ‘Heren, laat ik er niet omheen draaien…!’ Maar ai, door die plotselinge beweging trok een hevige pijnscheut door mijn heup. Ze hebben me nog zo gewaarschuwd bij de poli: ‘Rust, meneer Broekmans, rust, en vooral geen opwinding!’ Maar je zult altijd zien dat je op de minst aangename momenten de meest lumineuze ideeën hebt. Hoho, dacht ik bij mezelf, ík ben er ook nog! Dat mogen ze best weten… Dus liet ik een zacht kuchje horen. 
‘Uhum…’
Van Looy keek op, in de mening dat Hopman gekucht had, en zei, niet gediend van deze storing: ‘Hé ho, buurman, hoe hebben we het nu? Dingen zeggen?’
Meteen ontwaakte Hopman uit zijn nukkig zwijgen en reageerde fel. ‘Wat nu? Liggen praten?’
En Van Looy, brutaal tegen hem opbiedend: ‘Hoor ik het goed? Dingen doen die met ’n pee beginnen?’
‘Wat? Liggen ennen, essen, teeën?’ riep Hopman, van zijn stoel opspringend, en ja hoor, daar ging-ie weer: ‘Heeeeey… hóp!’, maar nu met een perfecte draai om zijn as, en wel hierom perfect, omdat dit ‘hóp’ precies viel op het moment dat hij de pirouette beëindigde en tot stilstand kwam.

Hen iets aanbieden, tja, dat leek me inderdaad de enige optie, zodat ze in elk geval het gevoel hadden dat ze niet voor niets waren gekomen. Maar wát aanbieden? Vernizza hadden ze al. Nootjes dan maar? Of een kaasplankje? Lastig. Met het oog op vertrek had ik alleen nog wat Edammer in huis. Van Looy zou toehappen, zeker weten, maar Hopman? Ik betwijfelde het. Zilvermieren zijn niet gek op Edammer. Ze moeten er niets van hebben. Alleen het woord drijft hen al op de vlucht. Zelf zijn ze overigens vrij smakeloos, zilvermieren. Ze worden wel gegeten op Mauritius; gefrituurd zijn ze zelfs een specialiteit en je betaalt er een vermogen voor, aangezien hen vangen een uiterst arbeidsintensief karwei is. Ondanks hun reputatie van ‘lekker en exclusief’ vind ik er toch kraak noch smaak aan. En hetzelfde vond ik van Hopman. Zozeer stond die me tegen dat het me niets zou verbazen als de zilvermier zijn gedrag van hem, Hopman, heeft afgekeken in plaats van andersom.

Juist zag ik Van Looy weer naar de Vernizza grijpen. Hij nam een slok, slikte, nam vlug een tweede, keek de fles verstoord aan en dreigde met zijn vinger: ‘Denk erom, ophouden nu, en wel onmiddellijk! Versta je me? Schluss damit!’ Ik dacht bij mezelf: en díe moet ik hier laten logeren? Voor geen goud! Ik zal geen moment rust hebben op Mauritius…

Ineens staat Hopman voor me en buigt naar me over. Pal voor me staat hij, zijn neus raakt zowat de mijne. Zijn ogen knijpen samen en hij spert ze weer wijd open. Geschrokken veert hij overeind. Met zijn vinger naar mij wijzend en zijn hoofd in tegengestelde richting – zo, in deze spagaat blijft hij staan en stamelt: ‘Nee maar, dit… Dit is…’ Van Looy richtte zich op uit zijn stoel. Hij reageerde buitengewoon adequaat voor zijn doen en kwam aanlopen. Ook bij hem opperste verbazing. Hij deinsde terug, ook zijn stem haperde: ‘Maar dit.. dit is Brúckner!’

Ongehoord was het! Dat ze me al die tijd genegeerd hadden, vooruit, maar net doen of ik een ontdekking van jewelste ben? Ze werden er wel ineens een stuk actiever van, die indruk had ik ja: dat ze nu eindelijk wat animo begonnen te krijgen voor de zaak waarvoor ze gekomen waren. Hopman kreeg zelfs iets joligs over zich. Hij liep weg, heftig met zijn armen zwaaiend, alsmaar roepend: ‘O, zit je híér? Maar had dat effe gezegd!’

Van Looy net zo. Met een verwaand gezicht gaf hij een trap tegen de tafelpoot. ‘O, híér?! Ben je hier?! Maar zég dat dan!’ kreunde hij, met beide handen zijn voet omvattend. Want hij had zijn schoen nog uit, en het is misschien maar een klein tafeltje, maar wel van eersteklas pokhout uit donker Afrika, een soort zo zwaar dat het als een baksteen zinkt in water. Mijn oudtante moest er bij de grote schoonmaak altijd een in hijsklussen gespecialiseerd bedrijf bij halen om het van zijn plek te krijgen.

Ik had er mijn buik nu echt vol van, dat kan ik wel zeggen. Eindelijk verlost te zijn van die twee, niets liever dan dat, maar ik leek alleen maar meer in dubio te raken. Mijn driftige aard zei: ‘Eruit met die hansworsten, en vlug wat!’ Maar dat is nu precies waarom ik bekend sta bij Kananian: niet om daadkracht of besluitvaardigheid, maar om de gereserveerdheid waarmee ik mijn eigen impulsen benader. Altijd als ik kwaad word en mijn temperament lijkt de beste kaarten te hebben, wacht ik nog even. Een hebbelijkheid die nu zijn nut bewees. Want daardoor vond ik het ineens helemaal zo ongewoon niet meer, ja eigenlijk heel begrijpelijk dat Van Looy daar in mijn eigen huis zijn teen stond te masseren, terwijl Hopman het vuurtje nog eens opstookte door hem juist op dat pijnlijke moment uit te dagen.
‘Heb je wat?’ hoorde ik hem stoer doen.
‘Wou je wat?!’ snauwde Van Looy terug.
‘Kom maar op,’ zei Hopman, als een kickbokser zijn vuisten ballend. Maar Van Looy zat alweer, hij legde zijn zere voet op het tafeltje en wuifde de uitdaging weg, met dat minimalistische, overduidelijk van verlopen adel afgekeken slappe handje dat zo typerend voor hem is. En ik? Ik verdroeg het, onderwierp me eraan. Mijn hoofd dwaalde, zweefde weg in een bijgelovig soort vermoeden dat het zo moest zijn, die twee daar, die zich van niemendal wat aantrokken, en ikzelf die niet ophield de zaak van alle kanten te bekijken ten einde deze heikele kwestie die later de gemoederen bij Kananian beslist zou bezighouden tot een voor alle partijen bevredigend einde te brengen.

Met dat al had ik het niet eens door, toen Van Looy weer voor me stond, god weet waarvandaan ineens, en me van top tot teen stond te bekijken. ‘Bah,’ hoorde ik hem zeggen.
Hopman, maar half begrijpend, vroeg: ‘Scheelt er wat?’
‘Bezopen,’ zei Van Looy met een knikje naar mij.
Dat deed ook bij Hopman de alarmbellen weer afgaan. Hij kwam direct aanlopen en riep: ‘Het zal toch niet?!’
En Van Looy: ‘Het kan toch niet?!’ En beiden begonnen me weer te besnuffelen, meer systematisch nu, van onder naar boven en terug, mijn das, hemd, mijn vest, ja vooral dat laatste. Ik snap wel dat ze daarvan opkeken. Ze kennen me immers alleen in het kamgaren vest dat ik bij Kananian altijd draag. Maar thuis heb ik mijn huisvest aan, een lichtbruin ondervest. Hopman begon er verbaasd aan te frunniken, streek met volle hand over het borststuk… ‘Affreus!’ zei hij ‘Aa-ffreus!’

Dit pikte ik niet. Een natuurzijden vest! Een Hilditch & Key, cognac satinet, speciaal uit Londen laten komen! Ik wilde Hopman op de vingers tikken, maar hij draaide alweer bij me weg en tolde door de kamer – nu weer voor Van Lóóy aanleiding om aan me te gaan friemelen. Hij nam de stof van mijn vest tussen duim en wijsvinger en murmelde in zichzelf: ‘Affreus? Mm, nee, dat niet, dat kan ik niet zeggen.’
‘Handen thuis!’ beet ik hem toe. Van Looy deinsde terug, sloeg een hand voor zijn mond.
‘Hop! Zeg, Hop, hij maakt geluid!’—
Met grote passen kwam Hopman op me af, als om de dreiging meteen de kop in te drukken. Ja, ik dacht werkelijk dat hij me een oplawaai kwam verkopen. Maar tot mijn grote ontsteltenis werd hij juist heel vriendelijk, boog zich minzaam naar me over, lachte me toe, aaide me over het hoofd. ‘Zozo,’ fleemde hij, ‘zit ‘t zo, Bruck-Brucknertje?’
Van Looy stoorde zich zichtbaar aan deze sentimentaliteit. Toch wilde hij het niet missen, wilde ook nu weer niet bij Hopman achterblijven, drong deze brutaal opzij en liefkoosde me eveneens, inniger nog. ‘Al goed, al goed, lief klein Broeck,’ kreunde hij, tegelijk met één arm Hopman bij me weghoudend. Maar Hopman liet zich niet weghouden. Met beide handen omklemde die mijn hoofd en drukte er een kus op, boven op mijn schedel.

Dit ging Van Looy te ver. Hij beleerde Hopman op gebiedende toon: ‘Héhé, zijn knars? Zijn kale knars kussen, hoe zit dat? Vergeet niet, Hopman, Bruckner is móesicus!’
‘Ach nein, Sie sind Musiker?’ wendde Hopman zich vol bewondering tot mij.
‘Man, dat zie je toch zo,’ zei Van Looy.
‘Leeft-ie eigenlijk nog?’ wilde Hopman weten.
‘Wie bedoel je?’
‘Bruckner?’
Van Looy keek hem niet begrijpend aan, keek naar mij en begon toen mijn hoofd opnieuw, maar nu grondiger onder de loep te nemen, tikte met de knokkel van zijn wijsvinger op mijn schedel, gaf me een stomp recht in mijn gezicht…
‘Ik dacht van wel,’ zei hij.
‘Dan is-ie ziek zeker,’ meende Hopman.
‘Ziek? Welnee, hij is niet ziek.’
‘Ziek, Van Looy,’ zei Hopman, zich weer kwaad makend, ‘Bruckner is ziek. Ziek, zeg ik je.’
Op dat moment sloegen bij mij alle stoppen door, ik kon het niet langer voor me houden. ‘Nee, Bruckner is niet ziek,’ luchtte ik mijn hart, ‘hij is verhinderd.’
Het maakte weinig indruk. Alsof ze me niet wilden horen. Hopman liep weer te zwalken, zich op te blazen, alsmaar roepend: ‘Bruckner is ziek, dood-, doodziek!’ Het ging alle perken te buiten. Als het niet lukte Van Looy met kracht van argumenten te overtuigen, probeerde hij het maar met herhaling. Maar Van Looy bleef erbij: ‘Bruckner ís niet ziek. Bruckner heeft schulden. Hij kan zijn wasserij niet eens betalen. Artikel tien, sub drie: bij ingebrekestelling volgt vordering…!’

Razend was ik, witheet van woede. Ik wilde Hopman in zijn hand bijten toen hij weer langskwam, maar hij wist me soepeltjes te ontwijken en wandelde rustig verder, kalmer zelfs, statig bijna. Nee, dit kon men geen ‘wandelen’ meer noemen wat hij deed, dit was ‘schrijden’. Met de armen maximaal gespreid schreed hij voort, richting de gangdeur, plechtig voor zich heen sprekend als in extase: ‘O, over zonnige pleinen…’

Van Looy genoot, hij smulde, huppelde Hopman na, begon net zo te schrijden, met gespreide armen, eveneens scanderend met zalvende stem: ‘O, onder statige bomen…!’
‘O, tussen rode gordijnen…!’ zong Hopman.
‘O, wándelen daar!’ griende Van Looy.
Ja, smartelijk klonken hun stemmen, als vervuld van grote hunkering, van machteloosheid welhaast. Zo gingen ze de kamer uit, de trap af. In de hal hoorde ik Hopman nog melodiëren: ‘O wandelen! Wándelen! Eens!’ En Van Looy: ‘O eens! Eén keertje maar!’
Voor wie het wil weten: ik heb me buitengewoon gestoord aan deze gang van zaken. De kamer uit lopen zonder de deur achter je te sluiten! In wat voor wereld leven we?!

Afbeelding hierboven: portret van Bruckner door Hermann von Kaulbach en zilvermier

Vanwege de coronacrisis vinden de presentaties van Dautzenbergs stadsgedichten voorlopig online plaats. Van elk gedicht wordt door Jeroen de Leijer een speciale uitgave vervaardigd met de risoprinter. De gedichten verschijnen in een beperkte oplage van vijftig genummerde en gesigneerde exemplaren, te koop bij de Tilburgse boekhandel Livius de Zevensprong. Intekenen op de hele set is mogelijk. De opbrengst wordt gebruikt om de deelnemende kunstenaars fatsoenlijk te kunnen betalen. Het beschikbare budget voor het stadsdichterschap is daarvoor ontoereikend. 

© Brabant Cultureel 2020