Boek ‘De Gastjes’ over de paupers van Oisterwijk ontstijgt de lokale geschiedenis

In de negentiende en begin twintigste eeuw stond in Oisterwijk aan het spoor een rijtje van acht woningen die de naam De Gastjes kregen. Veel meer dan krotten waren het niet en de bewoners waren paupers, letterlijk en figuurlijk aan de rand van de samenleving (en soms daaroverheen). Ad van den Oord – wiens oma in De Gastjes opgroeide – beschrijft hun lief en leed.

door Lauran Toorians

Ad van den Oord (Oisterwijk 1956) omschrijft zichzelf als historisch onderzoeker en publicist. Hij studeerde sociologie in Tilburg en promoveerde daar in 1990 op een historisch-sociologisch proefschrift over collectieve acties van werklozen in Nederland. Vanaf 1994 werkt hij als zelfstandig onderzoeker, publicist en uitgever en daarnaast was hij jarenlang  actief in de Oisterwijkse gemeentepolitiek. En hij is genealoog, zoals blijkt uit zijn boek De Gastjes. En hij kan uitstekend schrijven.

Dit is een boek waarbij het van geen enkel belang is of je als lezer de familie kent en dat je meeneemt naar een wereld die je anders nooit zou kennen.

Genealogie lijkt een behoorlijk verslavende bezigheid en zoals zoveel genealogen begon de nieuwsgierigheid ook bij Van den Oord niet in eerste instantie bij zichzelf, maar bij zijn oma, de moeder van zijn moeder. Veel andere genealogen beginnen bij de familie van hun echtgenote. In het vervolg zijn er dan veel mogelijkheden. Het simpelst is natuurlijk het opbouwen van een rechtstreekse stamlijst, de vader van de vader van de vader, of – nog steeds minder gangbaar – een reeks moeders.

Telefoonboek

‘Simpel’ is overigens relatief, want vóór de invoering van de burgerlijke stand en met voorouders die niet erg honkvast waren, kan het al snel een speurtocht vol hindernissen zijn. Dan zijn er de zoekers die niet rusten voordat zij alle vakjes in hun kwartierstaat hebben ingevuld; dus van beide ouders alle voorouders en dan idealiter van al die voorouders ook weer de afstammelingen. Wie dat consequent doet en een generatie of tien terug kan, heeft al gauw een telefoonboek vol namen. En reken maar na: met gemiddeld drie generaties per eeuw en rond 800 circa dertig miljoen inwoners in Europa hebben we allemaal Karel de Grote wel ergens in onze kwartierstaat.

Kees Rokven en familie met hun woonwagen waarmee zij door België, West-Brabant en Zeeland trokken.
De foto is rond 1922 genomen in Oost-Souburg.

Maar dit soort genealogie levert zelden iets op dat interessant is voor anderen dan de onderzoeker zelf. Het is een hobby zoals postzegels verzamelen, of suikerzakjes. Interessant wordt het pas wanneer die voorouders mensen van vlees en bloed worden en om dat voor elkaar te krijgen is veel meer onderzoek nodig dan het uitspitten van de burgerlijke stand en doop-, trouw- en begraafregisters. Met De Gastjes laat Van den Oord zien wat dit kan opleveren: een boek waarbij het van geen enkel belang is of je als lezer de familie kent en dat je meeneemt naar een wereld die je anders nooit zou kennen.

Verheffing

Gewone mensen komen er in de geschiedschrijving meestal bekaaid vanaf en in dit geval gaat het zelfs niet om doorsnee ‘gewone burgers’, maar om een groep paupers en arme arbeiders die zonder een gedetailleerd onderzoek als dit hooguit een datapunt in een statistiek zouden zijn. Misschien is dit niet hoe ‘verheffing van het volk’ is bedoeld, maar dat is wel wat hier gebeurt. Postuum wordt hier een groep mensen uit hun diepe ellende opgetild en in de volle schijnwerper gezet. En dat niet als rariteit, maar met mededogen en begrip voor hun situatie.

In De Gastjes wordt postuum een groep mensen uit hun diepe ellende opgetild en volop in de schijnwerper gezet

De geschiedenis van Van den Oords oma begint in de achttiende eeuw in Rucphen, of beter op ’t Heike, een armoedig buurtschap met geen al te beste reputatie. Hendrik Rokven dankte zijn naam aan die plaats van herkomst. Door een huwelijk in 1733 kwam hij terecht in Kaatsheuvel, meer precies in het Eerste Straatje dat al even armoedig was als ’t Heike waar hij vandaan kwam. Hendrik Rokven werd hier, in ’t Stròtje, de stamvader van een groot aantal Rokvennen die net als de andere bewoners van dit buurtschap de kost probeerden te verdienen als dagloner bij boeren in de omgeving, met het vlechten van matten en manden en als ‘ruilebuiter’ – handelaar in alles wat zich aandient – en zo nodig ook als bedelaar. Ook diefstal was geen uitzondering, want – het is een rode draad in het boek – eerst komt het eten (overleven), dan de moraal.

Pauper

Drankmisbruik, kindersterfte en aanvaringen met justitie vormen de andere kettingdraden waarop deze geschiedenis wordt geweven. Van Oord laat goed zien hoe moeilijk het is voor individuen en groepen om zich aan deze status van pauper te ontworstelen. De uitzichtloosheid wordt van generatie op generatie doorgegeven en feitelijk lijkt het pas in de jaren na de Tweede Wereldoorlog mogelijk te worden om zich hieraan te ontworstelen. Dat dit tot meer dan welstand kan leiden, valt af te zien aan de familie (en firma) Mandemakers die net als de Rokvennen zijn oorsprong vindt in het Eerste Straatje in Kaatsheuvel.

Dorus en Franske Rokven-Dekkers, overgrootouders van Ad van den Oord, voor hun woning aan de Oisterwijkse Kerkstraat waar zij vanaf de jaren dertig woonden.

Later in de negentiende eeuw gingen inwoners van het Eerste Straatje behalve met matten en manden ook ventend rond met zelfgemaakte zwavelstokjes en pantoffels, met de hondenkar en soms ook met een woonwagen. Kees Rokven (1856-1932), stoelenmatter en scharenslijper, was de eerste die er vanaf 1900 een woonwagen had en daarmee zijn actieradius flink vergrootte. Hij werd de stamvader van een grote groep woonwagenbewoners. Piet Rokven (1832-1922) verhuisde in 1878 naar Oisterwijk waar de nabijgelegen steenovens bij Udenhout werk boden aan ongeschoolde arbeiders. Echte verbetering bracht dit niet. Hier kwam een nieuwe dynastie Rokvennen terecht in De Gastjes, een groepje krotwoningen dat zijn bijnaam dankte aan het Gasthuis dat zich bevond aan de overkant van de spoorlijn.

De oma van Ad van den Oord sprak uit schaamte nooit over de diepste misère in haar jeugd

De andere ‘tak’, de familie Diepens van de opa, was in 1873 vanuit Vessem in Oisterwijk aanbeland. Deze familie bracht het er iets beter vanaf. Leden waren fabrieksarbeider en zij woonden in Klein Amsterdam, een achterbuurtje in Oisterwijk, maar toch beter dan De Gastjes waar de allerarmsten woonden. Opa Dorus Diepens en oma Janske Rokven behoorden allebei weliswaar tot de arbeidersklasse, maar Janske kwam uit De Gastjes en had zelfs met haar ouders nog enige tijd in een plaggenhut gewoond. Zij zou zich daar haar leven lang voor schamen en er ook niet over praten. En dat prikkelde juist de nieuwsgierigheid van Ad van de Oord.

Ontrafelen

Die nieuwsgierigheid leidde tot een twintig jaar durende speurtocht langs oudere familieleden en vooral door alle mogelijke archieven. Uiteindelijk slaagde Van den Oord erin de geschiedenis van de families Rokven en Diepens in de negentiende en de twintigste eeuw in groot detail te ontrafelen. Daarmee werden de namen in de genealogie niet alleen mensen van vlees en bloed, maar krijgt de lezer van het boek nu ook een indringend beeld van het leven van arme sloebers in deze periode. Een beeld dat in hoofdlijnen niet exclusief Kaatsheuvels en Oisterwijks zal zijn en daardoor de familiegeschiedenis is overstijgt en interessant is voor iedereen met een historische belangstelling.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was er een gaarkeuken op het Kerkplein in Oisterwijk.

Les miserables had als ondertitel niet misstaan en het familieverhaal bevat nog meer misère dan hier wordt aangehaald. Van den Oord zelf is er de illustratie van hoe snel de wereld vanaf de jaren zestig veranderde. Hij groeide op als enig kind (vrijwel alle andere personen in het boek kregen en verloren talloze kinderen), studeerde en werd – als rooie rakker, dat wel – politiek actief waardoor hij greep kreeg op de wereld om hem heen. En hij is de enige niet, ondergetekende en veel lezers zullen dit herkennen. Wij zijn de geluksvogels die ondertussen druk doende zijn om de wereld voor volgende generaties te verkloten. Dat staat niet in dit boek, maar het lezen ervan stimuleert wel om daar eens over na te denken. Het kost moeite om de sociale verworvenheden in stand te houden, en dat is die moeite meer dan waard. De ellende van de Rokvennen, de Diepensen en al die anderen die ons voorgingen, die is ‘leuk’ als historische couleur locale. Terug is geen optie. Vroeger was alles slechter.

Ad van den Oord, De Gastjes. De schaamte van mijn oma. Overleven in armoede, Oisterwijk: Stichting Het Kwartier van Oisterwijk & Uitgeverij A. van den Oord 2020, 231 pp., ISBN 978-90-824154-9-0, hb., € 19,00.

www.kwartiervanoisterwijk.nl

www.advandenoord.nl

Foto boven dit artikel: inkijkje in De Brakken rond 1911-1913. De Brakken vormde samen met De Gastjes het meest troosteloze volksbuurtje van Oisterwijk.

Terug is geen optie. Vroeger was alles slechter.

© Brabant Cultureel 2020