Met een sprong komt talent bovendrijven in Museum Jan Cunen

In het Osse Museum Jan Cunen is tot en met 31 januari 2021 de tentoonstelling Jump! te zien, met werk van acht betrekkelijk jonge kunstenaars die allen een zogeheten talentenontwikkelingsprogramma doorliepen. Grote thema’s als identiteit, transformatie of mondialisering voeren de boventoon, waarbij het een beetje zoeken is naar de ontwikkeling die de talenten hebben doorgemaakt.

door Pieter Siebers

Talent is een rekbaar begrip. We hebben de neiging te denken dat het vooral een kwestie is van aanleg, iets waarmee iemand ‘gezegend’ is. Talent moet vervolgens ontwikkeld worden. Door scholing en training, door hard te werken en soms ook door ontbering. Een voorbeeld van dat laatste toont de roman Hoe ik talent kreeg voor het leven, van Rodaan Al Galidi uit 2016. Literatuur als gevolg van zijn kennismaking met Nederland, die bestond uit een aaneenschakeling van tegenwerking, vernedering en onbarmhartigheid. Hoe en wanneer talent zich precies ontwikkelt, is allerminst een uitgemaakte zaak, maar wetenschappers zijn het er redelijk over eens dat we te maken hebben met een ‘emergente’ eigenschap. Dat begrip komt van het Latijnse ‘emergere’: aan de oppervlakte komen, opduiken.

Fang Mij, Het mooiste plekje ooit, 2018, gemengde techniek, 11 x 15 cm

Als we nu kijken naar de beeldende kunst, dan gaat in de moderne tijd al lang niet meer om het soort talent dat we tegenkomen in bijvoorbeeld Karel van Manders zestiende-eeuwse Schilder-Boeck, ‘waarin voor het eerst aan de leergierige jeugd de principes der nobele schilderkunst in verscheidene delen worden gepresenteerd’. Met praktische adviezen als Des Somers vroech slapen gaen en opstaen wordt gheraden, en te gaen hooren der Vogelen sangh. Het Schilder-Boeck is een standaardwerk waarvan een nieuwe uitgave in voorbereiding is. Het stamt uit de tijd dat kunstenaars nog in de leer gingen bij een meester, en het beschrijft onder meer de technische aspecten waarin de diverse kunstenaars uitblonken. Maar zoiets doet er – helaas, denk je wel eens – steeds minder toe. Klassieke benaderingen vielen van hun sokkel in de dagen van het urinoir van Marcel Duchamp uit 1917 (dat werk blijkt overigens niet van hem te zijn, maar van Elsa von Freytag-Loringhoven). Als gevolg van die rebelse stappen blijken onze opvattingen over kwaliteit of talent verre van vastomlijnd.

Rekbaar

De kunstenaars die deelnemen aan Jump! in Museum Jan Cunen zijn dan ook niet geselecteerd op ‘klassieke vaardigheden’, maar op eigentijdse criteria als potentie, artistieke visie, werkhouding en instelling. Die begrippen zijn secundair en rekbaar, en dus arbitrair. Maar ja, vind maar eens betere, in een tijdsgewricht waar de kunsten zich in het defensief gedrongen weten. En zich menen te moeten rechtvaardigen jegens geldschieters die het graag over nut en noodzaak hebben. Programma’s als Jump! zijn onder dat politieke gesternte geboren en doen in de verte dan ook denken aan een concept als ‘traineeships’ waar jonge, vaak hoogopgeleide mensen na hun opleiding kennis maken met het bedrijfsleven of grote instellingen, met de ‘echte’ wereld. Zij krijgen trainingen, worden gecoacht, onderdeel gemaakt van een netwerk om zo zicht krijgen op wat de Engelsen noemen ‘a career, not a job’.

De talenten die in Oss exposeren. “Ze krijgen trainingen, worden gecoacht, onderdeel gemaakt van een netwerk om zo zicht krijgen op wat de Engelsen noemen a career, not a job.”
De tentoonstelling Jump! op de zolder van Museum Jan Cunen. De gele objecten zijn van Tessa Chaplin.

Als alles goed gaat, bindt het talent zich vervolgens aan het bedrijf, dat aldus baat heeft bij de investering in ‘human capital’. Bij Jump! gaat het net wat anders. Daar worden de talenten gekozen door vier Brabantse galeries die met geldelijke steun van de provincie de talenten verder op weg moeten helpen via een talentontwikkelingsprogramma.

Dit programma werd voor het eerst uitgevoerd in 2016. Het duurt anderhalf jaar en het verandert kennelijk ook wat: gaandeweg blijkt het aanbod van coaching en begeleiding meer toegespitst op kunstenaars. Dat zijn vaak kleine zelfstandigen die zich op een arbeidsmarkt bevinden waar minder dan tien procent (van de beeldend kunstenaars) kan rondkomen van zijn of haar werk. Bij de tentoonstelling is een verhelderende documentaire te zien waarin duidelijk wordt wat de kunstenaars, en ook de galeries, nu hebben aan het traject van anderhalf jaar vol van netwerken, kennisoverdracht en deskundigheidsbevordering.

Verwrongen

In de tentoonstelling is alleen actueel werk te zien, waardoor die eerder te beschouwen is als een momentopname dan als het resultaat van een ontwikkelingstraject. Waar daar wel sprake van is, wordt het meteen interessanter. Zo heeft Guido van Amelsfoort een tijd doorgebracht in de Beeldenstorm, een werkplaats in Eindhoven waar kunstenaars kunnen werken met materiaal als glas, kunststof en metaal – samen met mensen die daar verstand van hebben. Van Amelsfoort maakte er een bronzen beeld van een verwrongen treinwagon, een variant op zijn eerdere, keramische beelden. In de bronzen uitvoering ziet hij af van kleur, wat het beeld van een dramatische, sobere grandeur voorziet.

Guido van Amelsfoort, Hand van verdoemenis, 2020. Foto > Almicheal Fraay

Ook het werk van Maurits Wouters stelt het zonder kleur, met een andere reden. Hij werkt aan een ‘docu-game’, gebaseerd op het boek Locus Solus van Raymond Roussel uit 1914. Daarin komt een park voor met daarin ‘La machine celibataire’, een machine die je eeuwig laat leven. De enige voorwaarde is dat je een halfdode zonder geheugen wordt. Juist dat geheugen interesseert Wouters, in het bijzonder de betrouwbaarheid ervan en de mate waarin het wordt beïnvloed in een samenleving waarin de grenzen tussen feit en fictie, tussen waan en werkelijkheid vervagen. In de tentoonstelling zijn ‘nostalgische’, grote zwart-wit afbeeldingen te zien van een kerk in een berglandschap, van een waterval en van een onderaards grottenstelsel. Het zijn tevens previews van omgevingen die digitaal met elkaar verbonden gaan worden in de game waarin de virtuele reiziger zijn weg moet zien te vinden.

Maurits Wouters, beeld uit Locus Solus.

Reizen is in zekere zin, als een zoektocht, ook het onderwerp van Tessa Chaplin. Zij verdiept zich in onze verhouding tot en onze representatie van wat ooit de Oriënt werd genoemd – landen ten oosten van Europa.

Tessa Chaplin z.t. 200 x 140 cm, 2020, olieverf op doek

In haar werk is de beeldtaal (voor zover van ‘de’ kan worden gesproken) van het verre oosten herkenbaar, maar meer nog drukt het werk een soort verlangen uit. Niet naar zoiets als een ongerept verleden of een idyllische, ver van hier gelegen wereld, maar naar iets onbestemds, iets dat we nog niet kennen, een nieuwe soort van harmonie.

Symbiose

De werken van Chaplin, Wouters en Van Amelsfoort maken nieuwsgierig naar het vervolg, en dat geldt voor eigenlijk alle kunstenaars in deze expositie. Murat Yildiz laat een even sterk als eenvoudig beeld zien over de menselijke maat, Fang Mij toont poëtische beelden waarin droom en werkelijkheid elkaar ontmoeten, Remy Neumann maakt expressieve, welhaast bezwerende schilderijen terwijl het duo Rijkers en Blonk een symbiose tracht te vinden tussen esthetiek en vergankelijkheid.

Murat Yildiz, 9 Rulers, 2020, inkt op hardboard, 50 x 50 cm.

Aan de hand van deze tentoonstelling valt weinig te zeggen over de ontwikkeling – de ‘jump’ of sprong – van deze kunstenaars, anders dan dat zij, blijkens de documentaire, baat hebben gehad bij het ontwikkelingstraject. Idealiter bestaat dat traject uit een vruchtbare wisselwerking tussen kunstenaars, galeries, werkplaatsen en specialisten. Daaruit ontwikkelt zich een werkwijze die per persoon kan verschillen, maar die hoe dan ook tijd en aandacht vergt. Daarmee ligt er een goed fundament.

Het is ook een benadering die niet misstaat in een fatsoenlijk kunstklimaat, wanneer het trajecten als deze tenminste wordt vergund tijd te krijgen om te rijpen. Wat eruit volgt is ongewis, maar als er een humuslaag ontstaat met ingrediënten als toewijding, ernst en aandacht dan komt er – wie weet – ooit weer een talent als Nabokov bovendrijven. Die schreef ooit dat als je leest je op een of andere manier verbonden bent met een andere staat van zijn, één ‘waarin kunst (nieuwsgierigheid, tederheid, zachtmoedigheid, extase) de norm is’. Zo’n staat van zijn, die zou je toch willen bevorderen, zeker in de kille tijden van nu. Alles wat daaraan bijdraagt verdient lof en eer. En meer dan dat.

Jump! Springplank voor talent, tot en met 31 januari 2021 in Museum Jan Cunen, Oss. In verband met corona is het museum tot en met 18 november 2020 gesloten.

www.museumjancunen.nl

De vier galeries die meewerken aan Jump! zijn Jan van Hoof Galerie (’s-Hertogenbosch), Galerie Mieke van Schaijk 
(’s-Hertogenbosch), Luycks Gallery (Tilburg) en Galerie Nasty Alice (Eindhoven). De deelnemende kunstenaars zijn Fang Mij, Guido van Amelsfoort, Jeroen Duijf, Maurits Wouters,
Murat Yildiz, Remy Neumann, Rijkers & Blonk, Tessa Chaplin.

Lees ook op Brabant Cultureel
Brabants traject talentontwikkeling na de kunstacademie valt goed

© Brabant Cultureel 2020