Een coronabezoekje aan mijn geboortestad

door Arnold Verplancke (tekst & beeld)

Wat gaat er door je heen als je voor het eerst weer eens uitgebreid rondloopt en fietst in de oude geboortestad waaruit je meer dan een halve eeuw geleden vertrokken bent? Of dat nou Den Bosch, Breda of Bergen op Zoom is. De stad voelt vertrouwd als een oude jas, totdat je merkt dat de zakken op een andere plaats zitten, de knopen een rits zijn geworden en de ene mouw veel langer is dan de andere. Kortom, er blijkt verrassend veel veranderd.

Beestenmarkt

Kun je spreken van de cultuur van een stad? Als een samenvatting van de sfeer, de historische uitstraling, de openheid van de inwoners of juist hun stroefheid, de drukte in het centrum en de onverwacht stille straatjes en verstopte hofjes? Deze vertrouwde balans maakt dat de stad een beetje als thuis blijft voelen. Ook al snijden een paar grote wegen reeds decennia rakelings langs de binnenstad en rijdt doorgaand verkeer ongehinderd over wat vroeger een beestenmarkt was en een wirwar van grachten en steegjes. Een verlies enerzijds. Maar zie hoe de singels die ooit de volle last van auto’s en stadsbussen droegen, nu veranderd zijn in bochtige straten geschikt voor eenrichtingsverkeer en gezelligheid bij de huisdeur. En daar waar eertijds de wol- en textielfabrieken de grachten met hun afvalwater groen en blauw kleurden en vervolgens met het water ook het leven gedempt leek, vind je nu boomrijke straten met de gezelligheid van veel studentenhuizen of zelfs nieuwe grachten.

De terugkeer naar de stad waar je bent geboren en opgegroeid, blijft verrassen. Op de fiets de Driemanschapskade ontdekken, een water met een fietspad erlangs. En dan weten dat die verbinding vroeger gewoon het Zwarte Pad heette, waar rails lag met daarnaast een pad vol kolengruis, want over dat spoor reden treinen vol kolen naar de gasfabriek. Ach ja, zo’n naam Zwarte Pad past natuurlijk niet als er vlakbij koophuizen staan.

Ga niet op zoek naar een historische stad in Noord-Brabant waarover ik het nu heb, want ik ben geboren in Leiden. Maar voor een Brabander zal een terugkeer niet anders voelen wanneer hij in zijn vaderstad tussendoor alleen nog maar kort en doelgericht op bezoek is geweest.

Echte Brabander

“Willem, mag ik mij nu een Brabander noemen? Ik woon al meer dan de helft van mijn leven in deze provincie”, vroeg ik jaren geleden aan een autochtone collega uit Best. Hij keek me aan met die meewarige blik van ‘ach je bedoelt het goed’. “Nee jij zult nooit een echte Brabander worden”, luidde zijn vriendelijke maar definitieve oordeel.

Terug in Leiden ervaar ik het verschil. Niet dat ik me plotseling weer Leidenaar voel. Ik ben er inmiddels al meer dan vijftig jaar weg. Meer een soort cultuur-Leidenaar, zoals ik me ook cultuur-katholiek voel. Niet echt gelovig meer en zeker niet gebonden aan allerlei door mensen bedachte leefregels. Maar toch, als ik in een katholieke kerk een mis bijwoon, voelt dat zoveel vertrouwder dan al die andere christelijke kerkdiensten die ik in de loop der jaren heb meegemaakt. Zeker als de teksten en gezangen nog in het Latijn klinken. Daar kunnen geen archaïsche zangbundels of kinderlijke evangelische liedjes over Jezus tegenop. Het onkenbare opperwezen kun je het best in een geheimtaal benaderen, vind ik.

Agnus

Mijn grootouders zongen alle Latijnse misteksten fonetisch en eerbiedig mee, zonder precies te weten wat ze beweerden. Het tweetalige missaal bleef meestal dicht. Misschien wisten ze dat het Credo een geloofsbelijdenis was en mogelijk dat Agnus Dei over het lam Gods ging, maar daarmee zal het toch wel op zijn geweest. Zoals trouwens veel Turken, Pakistanen en Indonesiërs lappen Korantekst uit het hoofd kennen zonder ook maar een woord van dat Arabisch te snappen. Aan het Agnus Dei moet ik nog wel altijd denken als ik een blonde Corsendonk bestel. De Agnus spreek ik nog steeds uit als soepel Kerklatijn, zonder harde g.

Waarom voelt een stad waar je ongeveer de eerste twintig jaar hebt gewoond nog vertrouwder dan het Tilburg waar ik nu al veel langer leef? Misschien omdat je de eerste jaren van je leven alles veel nadrukkelijker in je opneemt. De stadsplattegrond van weleer zit nog in mijn geheugen gegrift, want als schooljongen mag je natuurlijk niet verdwalen als je dwars door het centrum naar de lagere school moet. En op die dagelijkse voettocht raak je vertrouwd met de grachten en bruggetjes, de historische gebouwen en bijzondere gevels, de steegjes en hofjes.

Begrijp me goed: geen kwaad woord over Tilburg; volgens mij nog steeds een schromelijk onderschatte cultuurstad. Maar qua sfeer en uitstraling natuurlijk niet te vergelijken met de oud-Hollandse stad die in zijn bloeitijd Amsterdam in belang overtrof en die de belegering van Spanjaarden doorstond.

Plat-Leids

En de Brabantse gemoedelijkheid dan? Ja die is er zeker, maar vriendelijke en open mensen tref ik gelukkig ook aan in het Westen des lands, en ook in Jordanië of Malawi, om maar een paar buitenplaatsen te noemen.

De taal? Het Brabants, althans de varianten die ik in Oost- en Midden-Brabant heb leren kennen, klinkt me na al die jaren best vertrouwd in de oren. Maar als ik het zelf probeer, in een poging er bij te horen, schiet iedereen in de lach omdat ik een buitenstaander blijf die Limburgs en Vlaams verhaspelt. Vind je het plat-Leids dan mooi, een beetje zangerig en met die rollende RR? De enkele keer dat ik het nog hoor, vertedert het me, omdat het aan mijn jeugd doet denken. Als ik me heel erg inspan, kan ik het zelf nog een beetje.

Filatelist

Waarom heb ik trouwens een tijdje in Leiden gebivakkeerd? Zo vlak bij de Marekerk uit 1649 die met zijn zware bronzen klok nog steeds de halve en hele uren slaat? Het coronavirus heeft de theaters gesloten, de concertzalen, de filmhuizen en restaurants, kortom al die gelegenheden waar ik normaal veel tijd doorbreng en waarover ik schrijf. Ik voel me als een filatelist die in één coronawindvlaag al zijn mooie postzegels ziet wegvliegen.

Het is een mooie ervaring en ik kan het aanraden: als u niet tot de harde kern van de risicogroep behoort en Rutte het goed vindt: zoek als een verbaasde toerist uw geboorteplaats op. Indien u die nog te goed kent of te klein vindt voor dit doel, dan mag u ook de mijne wel even lenen.

© Brabant Cultureel 2020