Intermezzo

door JACE van de Ven

‘… maar wat er ook veranderd zal zijn na de crisis, niet de menselijke natuur. Die is onveranderlijk en hopeloos. Met de hartstocht van lang gescheiden minnaars zullen we ons herenigen met onze slechte gewoontes, en er nog een paar aan toevoegen. De machine zal, met andere woorden, nog meedogenlozer gaan draaien dan voorheen. Maar er is een stil moment geweest, een bezinning die uitzicht gaf op een wereld zonder ons, waarin de geiten uit de heuvels kwamen om de heggen kaal te vreten.’

Mooi hè? Het is het slot van de wekelijkse column van Tommy Wieringa in de NRC van 4 april 2020. Het raakte mij niet alleen om zijn diepe waarheid – iedereen met enige interesse in de historie van de mensheid kan voorbeelden te over aanhalen die de inhoud van deze regels ondersteunen – maar ook om zijn on-Nederlandse beeld. Anders dan Wieringa suggereert, leven we in een land met gekooide geiten en Hornbach-afscheidingen tussen onze tuinen. Maar dat terzijde.

Het gaat om zijn geluid tegenover het geluid van een Donald Trump en een Jort Kelder. Zoals van dit soort figuren verwacht kon worden, benaderen zij de existentiële crisis van het moment alleen economisch en met de vraag of je zoveel energie en geld moet investeren in oude mensen die toch nog maar enkele jaren te leven hebben? Tja, dat is een morele kwestie en om daarover na te denken hebben Trump en Kelder eigenlijk geen tijd. Dus draven zij consequent door in hun vaststaande overtuigingen: Ga je bij een gigantische dierenepidemie varkens of runderen ruimen omdat de schade voor de economie dan het kleinst is – we herinneren ons allemaal de beelden van grote grijpers die kadavers in containers tillen – waarom zou je dat dan niet met mensen doen?

Hun redenering past ook nog eens prima bij het feit dat de mens niet naast de natuur staat, maar daar zelf onderdeel van is en er dus ook geen afstand van kan nemen. Los van alle metafysisch gefilosofeer zijn mensen op de eerste plaats zoogdieren, weliswaar aan de top van de voedselketen, maar fysiek van eenzelfde statuur als de dieren die wij gebruiken en verbruiken. Dus ruimen met die handel, en dan verder met die meedogenloos draaiende machine waar Wieringa het over heeft. Veel, meer, sneller, overal de eerste zijn, het bezit van de wereld claimen en daar naar handelen. De wereld is van ons.

Russische uitgave uit 1914 van ‘Hoeveel land heeft een mens nodig?’

Die dwaze wedloop waar figuren als Trump en Kelder zo in doorgeslagen zijn, werd een kleine honderdvijftig jaar geleden al eens prachtig verwoord door Leo Tolstoi in het verhaal Hoeveel land heeft een mens nodig? Daarin weet een boer, een zekere Pachom, steeds meer land te verwerven. Als hij al een grote herenboer is, hoort hij dat je in Oost-Rusland bij de nomaden voor duizend roebel een machtig stuk land kunt kopen, zo groot als het gebied waar je in één dag vanaf zonsopgang omheen kunt lopen. Je moet dan wel voor zonsondergang terug zijn. Zoveel land voor zo weinig geld, dat wil Pachom wel.

Boven op een heuvel, aangemoedigd door de nomaden, begint hij te lopen zo gauw de zon opkomt. Hij denkt toch zeker zo’n vijftig vierkante kilometer te kunnen halen. Maar als hij na een zevental kilometer links wil, ziet hij een vruchtbaar dal dat hij ook wel wil. Hij gooit zijn laarzen uit en begint harder te lopen om ook dit gebied te kunnen inpikken. Zo gaat het verschillende keren die dag en in de namiddag moet hij stukken gaan afsnijden om op tijd binnen te zijn. Het is heet geworden en Pachom gooit op zijn hemd na al zijn kleren weg. Hij rent en hijgt, valt en staat weer op. De zon is al flink aan het zakken, maar gelukkig kan hij de nomaden op de heuvel weer zien. Ze moedigen hem aan. Pachom doet er nog en schepje bovenop en klauwt tegen de helling op, maar, helaas, halverwege is het donker en hij valt teleurgesteld ter aarde. Hoewel? Boven op de heuvel schreeuwen de nomaden hem nog steeds toe om haast te maken. Hij beseft dat zij daar boven de zon nog wel kunnen zien en perst een laatste eindsprint uit zijn lijf. Onder het gejuich van de inboorlingen bereikt hij de top en valt in zijn witte hemd over de eindstreep. Pachoms knecht komt juichend naar hem toe en richt hem op, maar zijn baas hangt dood in zijn armen. De nomaden zijn bedroefd om zoveel ongeluk en druipen terneergeslagen af. De knecht weet niets beters te doen dan voor zijn baas in een kuil van twee bij één meter te begraven en hem daar in te leggen. Zoveel land heeft een mens nodig.

Trump en de zijnen gaan nog verder, zij claimen niet alleen het land maar ook de mensen die erop wonen. Niets of niemand mag de ratrace in de weg staan. Zij willen de hele aarde bezitten en alles wat daarop staat, mens en dier incluis. In hun ogen is de mens geslaagd als hij dagelijks om grote stukken land heen rent, of laat rennen, om daarna te kunnen zeggen dat het van hem is met alles erop en eraan.

Door toedoen van figuren als Trump en Kelder en hun miljoenen medestanders zal de mens op aarde niet overleven, zal hij een voorbijgaand element in de evolutie blijken te zijn. Een element dat de aarde – van wie alles op aarde uiteraard is – zo ging irriteren dat zij het uiteindelijk moest doden om te kunnen blijven bestaan.

Dan zal er even tijd zijn voor de geiten om uit de bergen te komen en te eten van onze heggen, want al snel zal er een ander dominant organisme aan de top van de voedselketen verschijnen om de wereld te claimen. Net als bij de virussen. 

© Brabant Cultureel 2020