Column: Pacte des Cygnes

door JACE van de Ven

In mijn jeugd in de jaren vijftig in Gemert wilde iedereen op de speelplaats bij politie en boef de Zwarte Ruiter zijn. Hij was een crimineel uit Boekel wiens grootste heldendaad het was ontsnapt te zijn uit de gevangenis in Scheveningen, de gevangenis waar de Hollanders hem hadden opgesloten. Hij was aan Holland ontkomen, Brabant was dat toen nog niet.

Begin deze maand bezocht ik een debatmiddag over de Brabantse identiteit, georganiseerd door het Pacte des Cygnes, een club die zijn naam ontleent aan de legende van de Zwaanridder die in een bootje, getrokken door een zwaan, de Brabantse hertogsdochter kwam ontzetten. Een idyllische naam voor een club uit de eenentwintigste eeuw. Stellen de mensen achter een dergelijke naam de realiteit wel boven dromen? Wantrouwen dreef me naar de bijeenkomst.

“De geschiedenis is niet mild voor ons geweest”, begon iemand van het Pacte des Cygnes. Oei, dacht ik, die gaat selectief zitten vissen in het verleden en alleen momenten bovenhalen waarin Brabant achtergesteld is, maar eerlijk gezegd viel dit uiteindelijk alles mee. Het Pacte des Cygnes, dat aanvankelijk nog streefde naar een onafhankelijk Brabant – het Nederlandse en het Belgische deel herenigd – begint kennelijk in te zien dat naar het verleden kijken minder zin heeft dan de blik op de toekomst te richten. De kreet ‘Brabant onafhankelijk’ is niet serieus te nemen, temeer daar de meeste Brabanders dat niet eens zouden willen, laat staan dat de Belgische Brabanders met de ‘Hollandse’ samen zouden willen gaan.

Ach, eigenlijk ben ik wel blij met provinciegenoten die vertrekken vanuit respect voor hun eigen erfgoed, zolang ze hun ogen niet sluiten voor het feit dat iedereen in onze tijd niet anders dan wereldburger kan zijn. Laat ze de bezieling die ze vinden in het verleden op vreedzame wijze uitdragen in de toekomst en de vaak te nederige Brabander wat trots in zijn donder steken. Zo kan er hier gewerkt worden aan een voorbeeldige plek om te leven. Een plek voor iedereen. De energie daarvoor moet geput worden uit een nieuw elan dat voortkomt uit het feit dat het hier economisch goed gaat en niet uit frustratie over het verleden.

De debatmiddag over de Brabantse identiteit, georganiseerd door het Pacte des Cygnes. Foto Gemma van der Heyden

De grootste frustratie van Brabant is Holland. Op Brabants grondgebied werd tachtig jaar lang een oorlog voor godsdienstvrijheid uitgevochten (zoals in heel Nederland op scholen geleerd werd) en toen die oorlog voor godsdienstvrijheid gewonnen was, mocht het katholicisme in het openbaar niet meer beleden worden. Sterker nog, Brabant kreeg geen provinciebestuur, maar werd geregeerd vanuit Den Haag – als Generaliteitsland – en ook alle ambtenarenbanen konden slechts door katholieken bekleed worden als er nergens een calvinist voor die baan te vinden was. Brabant werd beschouwd als buffergebied tussen Holland en de vijand. Illustratief hiervoor is onder meer, wat ook in heel Nederland op scholen werd geleerd, dat de Hollandse Waterlinie werd aangelegd om ‘ons’ land te beschermen. Hoezo ons land? En dat de zeventiende eeuw voor ‘ons’ land de Gouden Eeuw is geweest. Nou voor Brabant niet hoor? Hier werd geen penning van het van de Spanjaarden geroofde goud en zilver geïnvesteerd.

Enige frustratie ten aanzien van de eeuwenlange achterstelling van onze contreien is begrijpelijk en wordt door Hollandse historici graag weggepoetst met woorden in de trant van: ‘de hoogte van de aan Brabant opgelegde belastingen viel wel mee’ en ‘met het verbod op de uitoefening van het katholicisme liep zo’n vaart niet’.

Dat klopt, want er was nou eenmaal niet veel geld te halen in een gebied dat meer dan een eeuw – ook na de Tachtigjarige Oorlog nog door de Fransen – geteisterd werd door invallen en geplunderd door soldaten die niet op tijd werden betaald. Iedereen die iets bezat was er weggegaan. En waar wilde men de ambtenaren vandaan halen die de uitvoering van het katholicisme moesten fnuiken? Er waren er niet veel die naar dat ‘donkere zuiden’ wilden afzakken. Het was voor Hollanders heel onaangenaam in Brabant. Er was tijdens de Generaliteitsperiode nooit een echte opstand, maar Hollandse ambtenaren werden stelselmatig tegengewerkt en ooit zelfs letterlijk afgeslagen. Vergrijpen tegen regels van bovenaf werden toegejuicht en degenen die zich eraan schuldig maakten waren eerder helden dan boeven. Tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw toe: Het zijn van De Zwarte Ruiter bij politie en boef op de speelplaats was de hoogst begeerde rol.

Momenteel is Noord-Brabant misschien wel het stukje Nederland dat het economisch het best voor elkaar heeft. We vertolken hier weer een voortrekkersrol als ten tijde van het Hertogdom Brabant. Is het daarom dat sentimenten als die het Pacte des Cygnes uitdraagt de kop opsteken? Of komt het door het feit dat de Brabantse cultuur, wat dat dan ook zou mogen zijn, onder druk staat, of, beter gezegd, vervaagt, zoals alle regionale culturen in een steeds kleiner wordende wereld.

Veel van de sentimenten van leden van organisaties als het Pacte des Cygnes komen volgens mij voort uit het feit dat hun voorouders niet geaccepteerd werden als volwaardig burger. Dat is vergelijkbaar met de gevoelens van de nakomelingen van slaven. Ik begrijp dat en nu de kansen gekeerd zijn, mogen zij zich van mij daarom best even op de borst slaan, ze hebben lang genoeg nederig moeten doen. Als ze daarna maar weer braaf aan het werk gaan en gevaarlijke ideeën buiten de deur houden. Nieuwe kansen, nieuw geluk en nooit meer iemand niet mee laten doen.

© Brabant Cultureel 2019