Succesvolle dirigent Antony Hermus wil met muziek wereld beetje beter maken

Dirigent Antony Hermus oogstte veel lof voor ‘Die tote Stadt’ en Mahler 7. Maar het succes is hem niet naar het hoofd gestegen. Hij heeft een indrukwekkende staat van dienst, onder meer als chefdirigent in Duitsland maar ook met concerten op festival Lowlands. Nu komt hij als freelancer bij veel orkesten in binnen- en buitenland. ‘Ik zit volop in mijn muzikale puberteit’. Een interview met een idealistische dirigent die ook de studie Bestuurlijke Informatiekunde heeft gedaan.

door Camiel Hamans

Hoewel Antony Hermus (Oosterhout 1973) als kind al vroeg piano speelde en naar de vooropleiding ging van het Brabants Conservatorium in Tilburg, zag het er geenszins naar uit dat hij voor de muziek zou kiezen. “Ik kom niet uit een uitgesproken muzikaal gezin. Mijn vader heeft wel een paar jaar vioolles gehad en heeft, toen hij de leiding kreeg van het kerkkoor in zijn geboortedorp Lage Zwaluwe, een cursus slagtechniek gevolgd. Bij ons thuis stond een piano. Ik begon met een beetje klavarskribo (notenschrift, red.). Tegen het eind van mijn middelbare schooltijd aan het Sint-Oelbertgymnasium in Oosterhout moest ik kiezen. Mijn ouders vonden muziek een fantastische hobby, maar zagen daar niet echt toekomst in. Wat als je de top niet haalt?”

Antony Hermus. Foto Marco Borggreve

“Ik heb heel veel interesses en dus ben ik Bestuurlijke Informatiekunde gaan studeren aan de KUB (Katholieke Universiteit Tilburg; red.). Ik heb die studie ook netjes afgemaakt; ik mag me doctorandus noemen. Ik heb zelfs nog even een baan gehad in deze sector… Maar tegelijkertijd met mijn studie zat ik op het conservatorium. Het diploma Uitvoerend Musicus piano heb ik ook op zak. Ik speelde destijds regelmatig solo met orkesten. Toen de dirigent een keer ziek was werd mij gevraagd de repetitie over te nemen. Ik had altijd een partituur bij me, want ik vond het leuk daarin te neuzen. De repetitie ging goed en daarom gebeurde het steeds vaker dat ik een repetitie mocht dirigeren. Ik heb toen maar eens geklopt op de deur van Jac van Steen die de directieklas van het conservatorium leidde. Ik mocht aanschuiven. Dat was tijdens mijn laatste jaar hoofdvak piano, maar tegelijkertijd studeerde ik ook aan de KUB. Ik deed dus wat veel tegelijk. Bij het overgangsexamen zei Van Steen: Op basis van het niveau van dit overgangsexamen mag ik je niet laten zakken, maar ik overweeg het toch te doen, want je doet veel te veel tegelijk: je moet je focussen. Hij adviseerde me om naar het buitenland te gaan, want om als Nederlander in Nederland carrière als dirigent te maken is ontzettend lastig. Hij vond dat ik naar Duitsland moest gaan, naar een Duits theater, zien hoe het daar functioneert.”

“Als jochie van veertien had ik ooit blaadjes omgeslagen bij een pianogenerale van een Carmenproductie en daar is het vuur ontbrand.” Foto Marco Borggreve

Jochie
“Van Steen wist een stageplek voor me. In Hagen, net achter het Ruhrgebiet. Als je het daar leuk vindt, zei hij, dan blijf je daar. Bevalt het je niet, dan ben je binnen twee dagen terug. Ik had het er erg naar mijn zin. Ik vond opera leuk. Als jochie van veertien had ik ooit blaadjes omgeslagen bij een pianogenerale van een Carmenproductie en daar is het vuur ontbrand. De GMD – de Generalmusikdirektor, de leider van het operahuis – had een vacature voor een repetitor voor twee maanden. Ik heb er dag en nacht gewerkt: ‘vijfentwintig uur per dag’ piano gespeeld, noten geplakt, audities begeleid, met zangers rollen ingestudeerd, het koor achter de Bühne gedirigeerd enzovoorts. Na twee maanden kreeg ik een vast contract en een jaar later werd ik ‘Studienleiter’. Dat is een soort hoofdrepetitor, de man die alles regelt en organiseert, die alles weet of in elk geval zou moeten weten.”

“Ik kende destijds maar zeven opera’s en Carmen, en twijfelde daarom zeer of ik het zou moeten aannemen, maar de GMD zei: Je kunt toch organiseren, dat is het belangrijkste. En ik dacht: dat klopt. Dus durfde ik het aan. Af en toe mocht ik in deze positie ook dirigeren. Zo, zonder repetitie, hup, de bak in. Ik herinner me dat ik op die manier opeens de twintigste voorstelling van Das Land des Lächelns, een operette van Lehár, moest overnemen. Het orkest kende het stuk zo goed als uit het hoofd en was me goed gezind. Zo maak je vlieguren en leer je het vak. En op die manier werd ik een paar jaar later ‘Erste Kapellmeister’. Vervolgens vertrok de GMD naar een ander operahuis. Er waren veel belangstellenden voor zijn functie, maar niemand kwam door de selectie. Toen stelde het orkest voor mij te benoemen. In 2002, ik was nog geen dertig, werd ik GMD in Hagen. Net voordat ik dat werd heb ik bij Jac van Steen mijn examen gedaan. De commissie is naar Duitsland gekomen en was tevreden toen ze me aan het werk zagen in een eigen productie van Carmen.”

“Lowlands is bekend terrein voor me. Ik ben er nu drie keer geweest.” Foto Marco Borggreve

Selectiecommissie
“In 2008 ben ik uit Hagen vertrokken. Ik kende er ondertussen elke steen en iedere stoelpoot. Om me verder te ontwikkelen voelde ik dat ik ergens anders heen moest, een andere omgeving nodig had. Maar ik heb nog steeds zeer goede relaties met Hagen. Vorig jaar heb ik in de selectiecommissie gezeten voor de opvolger van mijn opvolger. Na Hagen werd het Dessau, veel verder naar het Oosten. Daar heb ik zes jaar gezeten en alle grote producties kunnen doen, die ik wilde: een hele Ring, een Lohengrin, een Turandot, Lady MacbethKhovanchina, enzovoorts.”

“Na zes jaar Dessau en een hele Ring vroeg ik me af: Wat kan ik hier nu nog doen? Bovendien overleed mijn moeder in die tijd. Ik zat op een afstand van achthonderd kilometer van mijn vader en mijn familie. Ik heb toen besloten freelance verder te gaan. In 2013 had ik een Tristan und Isolde gedirigeerd bij de toen nog Nationale Reisopera, een productie geregisseerd door Jakob Peters-Messer die nu ook de regie gedaan heeft voor Die Tote Stadt.”

Lowlands
“De critici waren blij verrast dat een onbekende landgenoot zo goed voor de dag wist te komen. Het orkest was het Noord Nederlands Orkest. Die samenwerking was ontzettend fijn en zij hebben me, toen ik in Dessau vertrok, meteen geëngageerd als vaste gastdirigent. Zo’n drie, vier weken per jaar sta ik nu voor dat orkest. Ik doe er elk jaar een andere Mahlersymfonie, maar ook heb ik met het orkest op Lowlands gestaan. Lowlands is bekend terrein voor me. Ik ben er nu drie keer geweest, ook een keer met het Radio Filharmonisch Orkest en eveneens met het Nationaal Jeugd Orkest. Het publiek op Lowlands bestaat uit muziekliefhebbers, niet noodzakelijk klassieke muziekliefhebbers. Zevenduizend man in een tent en dan Prokovjef spelen, Romeo en Julia, of the Mysteries of the Macabre van Ligeti en dan merken hoe je dingen losmaakt bij mensen, hoe je ze dwingt tot nadenken.”

Daniel Frank (Paul) en Iordanka Derilova (Marietta) spelen de hoofdrollen in ‘Die Tote Stadt’ van de Nederlandse Reisopera. Antony Hermus dirigeert het Noord Nederlands Orkest in deze productie . Foto Marco Borggreve

“In Groningen heb ik ook een Scratchconcert gedirigeerd: met honderden amateurzangers en het orkest in één dag een groot koorstuk instuderen. Ik heb dit eerder ook in Hagen en Dessau gedaan. In Groningen werd het de Carmina Burana. Heerlijk. Tevoren geloofde niemand dat het mogelijk zou zijn om in een dag met vier- tot vijfhonderd mensen een werk in te studeren. Maar het lukte. Het was een enorme ervaring, niet alleen voor mij en het orkest, maar vooral voor die honderden zangers. Die allemaal weer familie en vrienden meebrachten naar het concert – mensen die zelden een klassiek concert bezochten.”

Orkesten
“Intussen heb ik zo’n beetje met alle Nederlandse orkesten gewerkt, tot aan het Concertgebouworkest toe en ook in het buitenland word ik veel gevraagd voor zowel opera als symfonisch repertoire. Bij de opera in Straatsburg, English National Opera, de Komische Oper in Berlijn, de opera in Göteborg, en ook bij orkesten als Philharmonia, Royal Philharmonic, Seoul Philharmonic en BBC Philharmonic. Bij de Opéra de Rouen in Normandië heb ik informeel eenzelfde soort positie als in Groningen. In mei dirigeer ik daar een Jevgeni Onegin van Tsjaikovski. De opera heeft daar een verdomd goed kamerorkest. Dat wil graag Beethovensymfonieën met mij spelen. Elk jaar spelen we er een of twee, steeds andere.”

“Vanaf 2011 werk ik regelmatig met het Nationaal Jeugd Orkest. Vanaf 2015 ben ik daar artistiek adviseur van. Dat is zoiets bijzonders: jonge mensen, technisch op een enorm niveau, die met ongelooflijk veel energie en drive musiceren. Ze staan nog zo open, zijn zo hongerig. Hoe die zich op zowel persoonlijk als op muzikaal gebied ontwikkelen in één week, dat is ongelooflijk. Het niveau van het orkest en van de musici is zeer hoog.”

Antony Hermus tijdens de doorloop van ‘Die Tote Stadt’ op 14 januari in het Muziekcentrum van het Wilminktheater in Enschede. Foto’s Gemma van der Heyden

Freelancer
“Het bestaan als freelancer bevalt me op dit moment prima. Natuurlijk, je leeft vaak uit de koffer, maar er zijn ook veel voordelen. Als chefdirigent in een operahuis maak je tropenjaren. Als je dan iets meer wilt doen dan de maat slaan, moet je veel aanwezig zijn en heb je grote administratieve verantwoordelijkheid. Het is voor mij momenteel heel belangrijk dat ik vrijheid heb, dat ik dingen doe waar ik blij van word en waarmee ik me kan ontwikkelen. Ik streef per seizoen naar vijftig procent symfonisch repertoire en vijftig procent opera. En ik heb het geluk dat ik momenteel zoveel aanbiedingen krijg dat ik mijn seizoen bijna twee keer kan vullen.”

“Mijn hart gaat uit naar het laatromantische repertoire. Zo’n Korngold bijvoorbeeld, die we nu spelen, of Mahler. Maar ik houd ook erg van Mozart. Eigentijdse Nederlandse muziek net zo. Ik heb cd’s gemaakt met Nederlands repertoire, heb Wagenaar gespeeld, in Berlijn werk van Willem Jeths geprogrammeerd en in Duisburg heb ik met Erik Bosgraaf van diezelfde Jeths het Concert voor blokfluit en orkest uitgevoerd en nog veel meer.”

“Ik heb grote moeite met politici die kunst en cultuur wegzetten als slagroom op de taart.” Foto Marco Borggreve

Omnivoor
“Zelf ben ik een soort muzikale omnivoor in de meest brede zin van het woord. Ik houd van veel soorten muziek. Ik kan net zoveel genieten van salsamuziek als van Mahler, van liedjes van Youp van ’t Hek en Claudia de Breij als van de Senta Ballade in Der fliegende Holländer. Voor mij draait het om de vraag waarom je muziek maakt. Muziek is voor mij een verbindende factor. Het kan mensen diep in het hart raken, waardoor ze geïnspireerd worden. Muziek kan een inspiratiebron vormen voor het dagelijkse leven. Verbinding is het toverwoord tussen mensen met gevoel – en muziek kan die bieden. Mijn taak als muzikant, als humanist, is het om met alle collega-musici de muziek zo uit te dragen dat onze stem binnenkomt bij de mensen, bij ons publiek, zodat wij indirect kunnen bijdragen aan een betere wereld.”

“Muziek is ontzettend belangrijk voor een mens. In Parijs staakten ooit de vuilnismannen en het effect was al na drie dagen merkbaar in de stad. Wel, als de samenleving zonder muziek zou zijn, zou het resultaat al veel eerder merkbaar zijn in ons binnenste! Daarom heb ik grote moeite met politici die kunst en cultuur wegzetten als slagroom op de taart. Het is juist andersom: kunst en cultuur zijn de tarwe in het deeg. Ze hebben verschillende functies. Ze kunnen je laten verstommen, je opbeuren, je boos maken of blij, je laten lachen en ook laten huilen. Ik zou willen dat dit in de politiek begrepen wordt en dat de politici van Nederland kunst en cultuur weer gebruiken om van Nederland een zo leefbaar mogelijk land te maken.” Hij laat nog nagenietend een stilte vallen en sluit dan nadenkend af met “Ik zie het als mijn missie zoveel mogelijk mensen aan muziek te verbinden. Een van mijn slogans is: “iedereen houdt van klassieke muziek, alleen nog niet iedereen weet dat!”

Antony Hermus

Die Tote Stadt is tot 9 februari te zien in de Nederlandse theaters:
Die-Tote-Stadt

Lees terug:
De Nederlandse Reisopera brengt Korngolds

Die Tote Stadt perfect tot leven

(c) Brabant Cultureel 2019