Column: Grafheuvels

door JACE van de Ven

Nederzettingen, de nieuwe dichtbundel van Bert Bevers (1954), de in Antwerpen woonachtige dichter uit Bergen op Zoom, deed mij onmiddellijk denken aan een plek in Brabant die me altijd heeft gefascineerd: de grafheuvels op de Regte Hei. Ze dateren van 1700 tot 1000 voor Christus. Als je zittend op een van de palen die ze omheinen om je heen kijkt, kun je jezelf goed voorstellen hoe hier in de bronstijd mensen gewoond hebben. De grond rond de grafheuvels ligt meters hoger dan die van het Riels Laag waar de Leij doorheen stroomt, nog geen honderd meter verder. De mensen in de nederzettingen hier, meer dan drieduizend jaar geleden, zaten hoog genoeg om ‘s winters droge voeten te houden en in het dal was volop vis, wild en alles wat er groeien wilde. Of, zoals Bert Bevers het laat zeggen in Nederzettingen: “Drenk in die hoek onze schapen maar, weef / ginds hun wol en braad hun bouten hier.”

Op deze manier ervaar ik de dichtbundel van Bevers, die veel meer is dan het beschrijven van een plek, laat staan deze plek, naar eigen gelieven. Maar iedereen mag een dichtbundel interpreteren zoals hij wil en dit hier op de Regte Hei zijn mijn ‘nederzettingen’. Nederzettingen van Bert Bevers is een persoonlijke, poëtische voorstelling van het leven in de oertijd. Hij heeft zich zo ingeleefd in zijn onderwerp dat het soms lijkt of niet Bevers maar iemand van toen aan het woord is. Zo maakt hij de magie achter wat wij weten over de prehistorie duidelijk en brengt hij een ver verleden heel dichtbij.

Grafheuvel op de Regte Hei bij Goirle. Foto Gemma van der Heyden

De mensen waarover hij dicht stonden in de overgang van een, wat ik zou willen noemen, instinctieve naar een mechanische tijd. In onze tijd maken wij de ontwikkeling van een mechanische naar een virtuele tijd mee. Dat overkomt ons, zoals het destijds deze onbekende voorvaderen overkwam en daarom kunnen we dichtregels van Bevers uit Nederzettingen die in de verleden tijd staan ook in de tegenwoordige tijd lezen: “Zij die hun bestaan aanvaardden, wisten hoe zij leven / moesten, dat wat ze verloren in het vuur ze in de as / zouden vinden.” Prachtig, het lijkt even zo helder als bewezen wetenschap, maar in de afdronk slaat de poëtische pregnantie je om de oren.

Bert Bevers woont waarschijnlijk niet zomaar toevallig in Antwerpen, hij is een Brabander, zijn idioom is gul en barokker dan de talige, nogal gesloten en zo u wilt benepen Hollandse dichtkunst. Bevers zegt de poëzie van H.H. ter Balkt te bewonderen. Begrijpelijk, hij lijkt enigszins met hem verwant, op een zuidelijke, warme wijze, beeldrijk als hij is, en soms orakelend als een profeet: “Ah, die wrede, wrede toekomst.” Want de nederzettingen verdwijnen, de prehistorie legt het af tegen modernere tijden, “die hadden harde zwaarden, en langere.”

Dat alles verwoordt Bevers als een betrokken eenentwintigste-eeuwse beschouwer, maar wel als één die afstamt van de mensen uit deze nederzettingen. Zo voelen ze althans, zijn zinnen waarin de meest voor de hand liggende woordvolgorde soms wordt losgelaten om een betere klank te krijgen of om wat gezegd wordt te kruiden met weemoed en mededogen.

Bij herhaalde lezing krijgt de lezer de neiging de zestien gedichten van steeds ongeveer vijftig woorden mee te gaan prevelen als bezweringen tegen datgene wat komt en, altijd maar weer, datgene wat was, verdrijft. En waarom zouden we dat niet doen, daar op de Regte Hei, gezeten op een van de palen die de grafheuvels omheinen? In de kortste nacht van het jaar bijvoorbeeld. Om te genieten van deze prachtige poëzie en om ons zo in te leven dat de mensen die daar woonden in levenden lijve gaan rondlopen.

De bundel Nederzettingen, waarin ook de cycli Uit de tijd en Gedichten uit een stadje in de heuvels zijn opgenomen, bevat dertig gedichten. Het boekje van 42 pagina’s is uitgegeven door Uitgeverij Kleinood & Grootzeer uit Bergen op Zoom in 100 genummerde en gesigneerde exemplaren (ISBN 978-90-76644-91-2). De bundel kost achttien euro.

© Brabant Cultureel 2019