Nostalgie tegen het licht gehouden, maar blijft schimmig

In een proefschrift onderzocht Olivier Rieter het hoe en waarom van nostalgie in Noord-Brabant. Een interessant onderwerp, want het gaat over hoe we naar ons eigen verleden kijken en daar een beeld van scheppen. Maar Rieter blijft steken in getheoretiseer en een regelmatig onvoldoende begrepen verleden.

door Lauran Toorians

Half juni 2018 promoveerde Olivier Rieter aan de Universiteit van Tilburg. Onderwerp van zijn proefschrift is ‘hedendaagse nostalgie en nostalgisering in Noord-Brabant’, en dan vooral het hoe en waarom daarvan. Dat klinkt leuk, maar het blijkt een zwaar en taai onderwerp, net zoals het proefschrift op loodzwaar papier is gedrukt. Dat boek verscheen in eigen beheer en is dus lastig verkrijgbaar.

Waarschuwing
Het boek opent, na een inleiding, met een theoretisch hoofdstuk waarin Rieter uiteenzet wat nostalgie zoal is (en wat niet) en een aantal ‘zusterconcepten’ beschrijft. In de inleiding wordt de lezer al gewaarschuwd dat dit een sterk theoretisch hoofdstuk is dat de meer praktisch ingestelde lezer eventueel kan overslaan. Ik sloeg die waarschuwing in de wind en verdwaalde al snel in een oerwoud aan ooit geopperde ideeën en gedachten over nostalgie. De conclusie – mijn conclusie – lijkt te zijn dat iedereen die over nostalgie schrijft er zo zijn eigen definitie op na houdt en dat Rieter niet kan kiezen. Hij komt niet met een heldere en eenduidige definitie en blijft ook in de rest van dit proefschrift schijnbaar lukraak plukken uit de rijke (en misschien ook wel lukraak) door hem geraadpleegde literatuur. Zo is er altijd wel iemand om het mee eens te zijn of je tegen af te zetten en blijft het geheel bijzonder impressionistisch.

De voorkant van de dichtbundel ‘Land der Zuidwandelaars’ van Paul Vlemminx, pseudoniem van Ferdinand Smulders (Tilburg 1938). De tekening is van de hand van Luc van Hoek.

In de volgende hoofdstukken gaat het over ‘nostalgisch herinneren’, ‘nostalgisch fantaseren’, ‘nostalgisch leven’ en ‘nostalgisch representeren’, steeds in combinatie met een ‘casestudie’. Bij het herinneren gaat het over het Rijke Roomsche Leven en de herinnering daaraan. En dan vooral de zoete herinnering. De ‘talibanisering’ die velen hebben ervaren, blijft buiten beeld (want dat is anti-nostalgie). Bij het fantaseren gaat het over zaken als de themaparken Efteling en Land van Ooit, de Brabantsedag in Heeze en het gildewezen. Naar mijn idee zijn dat nogal onvergelijkbare zaken, temeer daar Efteling een keihard commercieel bedrijf is dat nostalgie (op alle niveaus) net zo inzet als veel biermerken dat doen (‘ambachtelijk gebrouwen sinds…’). Dat Rieter met droge ogen verwijst naar een ander Tilburgs proefschrift dat – betaald door de Efteling – pure verheerlijking van dit bedrijf laat zien, is bepaald naïef (Monique Hover, De Efteling als ‘Verteller’ van Sprookjes, Tilburg 2013). Ook de manier waarop hij de ontstaansgeschiedenis van het park beschrijft, is meer die van de afdeling marketing dan van een serieuze historicus.

Opgeblazen
Nostalgisch leven gebeurt volgens Rieter in Heusden en in Brandevoort. Ook hier schiet de historicus tekort, want hoewel hij weet dat in 1944 het renaissance gemeentehuis van Heusden verloren ging, kent hij niet het daarbij horende verhaal (of begreep hij de impact daarvan niet). In de nacht voordat geallieerde troepen Heusden innamen, is dit gemeentehuis door terugtrekkende Duitsers opgeblazen, waarbij een substantieel deel van de Heusdense bevolking dat in de kelders van dit monumentale pand school, is omgekomen. Voor deze oorlogsmisdaad is nooit een schuldige berecht (de resultaten van het onderzoek daarnaar raakten zoek) en pas sinds enkele jaren is deze traumatische gebeurtenis in Heusden voorzichtig bespreekbaar geworden. Wie dit buiten zijn betoog laat over de restauratie (reconstructie) van Heusden als vestingstad, mist mijns inziens de essentie. De omgang met het verleden is hierdoor in Heusden zwaar belast en de bewust ‘andere draai’ die burgemeester G.M. Scholten in 1968 aan zijn stad gaf, moet beslist ook in dit licht worden bezien.

Het in 1944 vernietigde renaissance stadhuis van Heusden, gefotografeerd in 1930. Foto Rijksdienst Cultureel Erfgoed.

Behalve flaneren door beide plaatsen had Rieter er goed aan gedaan zich wat verder in de plaatsen te verdiepen. Ook het interviewen van bewoners had best wat uitvoeriger gemogen. Met twee of drie geïnterviewden per plaats kan bepaald niet van ‘onderzoek’ worden gesproken. Zo had ook opgemerkt mogen worden dat een inwoner van Brandevoort die rond de veertig is een hbo-opleiding heeft, waarschijnlijk ook een baan zal hebben en daardoor niet merkt dat de plaats tijdens kantooruren uitgestorven is.

In het hoofdstuk over ‘nostalgisch representeren’ vergelijkt Rieter de tijdschriften Brabantia Nostra en Brabants Heem (de eerste tien jaargangen) met elkaar. Zoals hij zelf al aangeeft, is het eerste sterk programmatisch en propagandistisch, terwijl het tweede vooral informatief wilde zijn. Lastig te vergelijken dus, en dat blijkt uit de gegeven analyse. In die eerste jaargangen van Brabants Heem was archeologie een belangrijk onderwerp en dan is het nogal vals om de auteurs te verwijten dat zij gebruik maken van vage termen als ‘oertijd’ of ‘een ver verleden’. Pas sinds in 1963 de zogenaamde C14-methode in gebruik kwam, waarmee archeologische vondsten van ‘harde’ dateringen konden worden voorzien, was per definitie elke datering die een archeoloog gaf vaag, zonder daarom nostalgisch te zijn.

Ook het begrip ‘Oergermaans’ was lange tijd de gangbare term voor wat we tegenwoordig liever Proto-Germaans noemen, het taalstadium waarin zich binnen de Indo-Europese taalfamilie een herkenbare entiteit als Germaans manifesteert, voordat deze uiteenvalt in de diverse talen die wij nu kennen als de Germaanse taalgroep (waar ook het Nederlands deel van uitmaakt). Ook hier dus geen nostalgie, maar gewoon gebruik van algemeen geaccepteerd jargon, zoals dat ook het geval is bij het gebruik van het woord ‘borgemeester’. Borgemeesters beheerden tot aan de Franse tijd de dorpskas en zijn beslist niet te verwarren met burgemeesters, zoals Rieter lijkt te doen. De vraag is dan ook of hij het artikel van Ferdinand Smulders – die hij hier nostalgie verwijt – wel heeft gelezen (en begrepen). Nostalgisch was Smulders als dichter onder het pseudoniem Paul Vlemminx, duidelijk een andere rol van dezelfde persoon.

Jeugdherinneringen

Naar mijn idee is dit een boek over een interessant onderwerp, maar onvoldoende doordacht en met vaak te lichtvaardig gevelde oordelen. De vraag die na lezing blijft hangen, is hoe nostalgisch de auteur zelf eigenlijk is. Rieter refereert een aantal malen expliciet aan eigen jeugdherinneringen en aan zijn (uitgevoerde) wens om terug te verhuizen naar Noord-Brabant, maar ook tussen de regels komt hij vaak naar voren als nostalgisch (of is het melancholisch?). In één zin iemand archaïsch taalgebruik (en nostalgie) verwijten en zelf het woord ‘doordesemd’ gebruiken, getuigt ook van een gevoel voor humor.

Ik weet dat dit boek in eigen beheer is uitgegeven omdat de financiering voor uitgave bij een uitgeverij niet rondkwam. Over het uiterlijk van het boek dus verder geen verwijt. Maar een commissie van twee promotoren en vier overige commissieleden had best wat kritischer op de tekst mogen zijn. Hetzelfde betoog had ook beknopter kunnen worden verwoord en voor de historische uitglijders had de auteur moeten worden behoed.

Olivier Rieter, Het patina van de tijd. Vormen en functies van hedendaagse nostalgie en nostalgisering in Noord-Brabant. Uitgave in eigen beheer 2018, 482 pp., ISBN 978-90-8858-026-0, pb.

 

 

© Brabant Cultureel 2018