Kunstkritiek op het gebied van fotografie en videokunst

Onlangs verschenen bij uitgeverij nai010 twee boeken over kunstkritiek in Nederland, een over fotografie en een over videokunst. Ze maken deel uit van een reeks over de waardering van de moderne en hedendaagse beeldende kunst in ons land en geven en passant de ontwikkeling van beide media weer.

 door Irma van Bommel

 Het boek over fotografie heeft als titel Tussen kunst en document. Fotografiekritiek in Nederland 1980-2015 en is samengesteld door de kunsthistorici Frits Gierstberg (werkzaam bij het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam) en Anne Ruygt (werkzaam geweest bij het Stedelijk Museum in Amsterdam). Beiden houden zich al jarenlang binnen de kunstgeschiedenis bezig met fotografie en hebben het verhaal van binnenuit geschreven. Het boek is een feest van herkenning voor wie bekend is met de geschiedenis van de fotografie, maar is ook een eyeopener voor wie nog niet zo vertrouwd is met het onderwerp.

Pauline Terreehorst met Jan Bons (l) en Aart Klein (r) in 1986. Foto Pieter Boersma

De fotografie – in 1839 uitgevonden – werd in Nederland pas in de jaren tachtig van de twintigste eeuw als zelfstandig medium binnen de kunsten gewaardeerd en verzameld. Het onderzoek van Gierstberg en Ruygt richtte zich op activiteiten, organisaties en publicaties die hebben bijgedragen tot de populariteit van het medium. In recensies in dag- en maandbladen lezen we hoe deze werden ontvangen. Maar we lezen ook over de worsteling van de pers met de vraag hoe over fotografie geschreven moest worden: als kunst, als document of als een cultureel en maatschappelijk verschijnsel? Het boek biedt géén overzicht van Nederlandse fotografie en beoogt dit ook niet. Toch worden hier en daar fotografen uit binnen- en buitenland genoemd, zoals Ed van der Elsken, Erwin Olaf en Nan Goldin, die spraakmakende tentoonstellingen hebben gemaakt waar dan weer interessante kritieken over zijn verschenen.

Inhaalslag
Het boek start met de jaren tachtig van de vorige eeuw. In dat decennium is namelijk sprake van een inhaalslag. Er werd door musea een begin gemaakt met het ontsluiten van fotografiecollecties, de eerste fotografietijdschriften verschenen, de eerste fotogaleries werden opgericht en de eerste fotofestivals werden georganiseerd. “Vaktijdschriften als Skrien en Perspektief vervulden een belangrijke aanjagende rol als het ging om debat, theorie en aansluiting bij het buitenland. Maar het waren vooral dagbladen als de Volkskrant en het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad en weekbladen als Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer waar in de afgelopen 35 jaar de meeste uitgebreide, kritische en meeslepende beschouwingen over fotografie zijn verschenen.”

Naast Skrien en Perspektief worden ook de fotografietijdschriften Zien en Plaatwerk genoemd. Perspektief was niet alleen de naam van een tijdschrift maar ook van een in 1980 opgerichte galerie in Rotterdam. In Amsterdam openden de fotogaleries Canon en Fiolet in de jaren zeventig al hun deuren. Bij de oudste fotogaleries in Nederland (maar hier niet genoemd) hoort ook Galerie Pennings die in 1979 in Eindhoven startte en als enige fotogalerie van het eerste uur nog bestaat.

Over fotografie zijn de laatste decennia een aantal overzichtswerken gepubliceerd, zowel van de fotografiecollecties van de grote musea als van Nederlandse fotografen. In 1978-1979 verscheen voor het eerst een overzicht, Fotografie in Nederland, verdeeld over de perioden 1839-1920, 1920-1940 en 1940-1975. Inmiddels zijn deze drie delen collectors items. “Fotografie in Nederland omvatte nagenoeg alle fotografische disciplines en toepassingen: documentaire fotografie, fotojournalistiek, sociale, wetenschappelijke, familie- en amateurfotografie en ook kunstfotografie”, schrijven Gierstberg en Ruygt. “Die brede opzet had als poging of misschien zelfs als statement kunnen worden begrepen om de ‘kunstvraag’ definitief naar de geschiedenis te verwijzen. Het tegendeel geschiedde, ze werd net als de ‘werkelijkheidsvraag’ juist als urgent ervaren. Beide issues bleven dan ook met regelmaat terugkeren, mede door ontwikkelingen in de fotografie zelf. De strijd van fotografen om artistieke erkenning, eigen instellingen en betere toegang tot subsidies speelde eveneens een rol.”

Ook collectors items (maar hier niet genoemd) zijn de tentoonstellingsboekjes die de Nederlandse Kunststichting en Bureau Beeldende Kunst Buitenland eind jaren zeventig en begin jaren tachtig maakten in opdracht van het Ministerie van WVC. WVC zette zich in voor de promotie van fotografie en richtte zich daarbij zowel op documentaire en journalistieke fotografie als beeldende kunst waarbij fotografie als medium werd gebruikt.

De tentoonstelling The Photographers Eye, Van Abbemuseum Eindhoven 1970. Foto Van den Bichelaer

Theorievorming
We moeten echter niet uit het oog verliezen dat het de auteurs hier niet gaat om de geschiedenis van de fotografie in Nederland, maar om wat er voor belangwekkends is georganiseerd ter stimulering van het medium en wat erover is geschreven in de pers: welke kritieken hebben bijgedragen tot de beeldvorming over fotografie. Voor de theorievorming over fotografie zijn twee boeken van groot belang geweest: On Photography van Susan Sontag uit 1977, waarvan twee jaar later een Nederlandse vertaling verscheen. En La chambre claire. Note sur la photographie van Roland Barthes uit 1980 en waarvan pas in 1988 een vertaling verscheen. Pauline Terreehorst besteedde in 1980 al aandacht aan het boek van Barthes in het tijdschrift Skrien. Terreehorst, nu directeur van het Natlab (waar onder andere een filmhuis is gevestigd) in Eindhoven, schreef in de jaren tachtig over film, fotografie, videokunst en mode.

Eveneens van belang was het boek The Photographer’s Eye dat de gezaghebbende conservator fotografie van het Museum of Modern Art in New York, John Szarkowski, schreef in 1964. Hij stelde zich de vraag waarin fotografie essentieel verschilt van andere media. In de jaren tachtig werd hij echter om zijn formalistische benadering bekritiseerd. De expositie naar aanleiding van het boek ging de wereld over. “The Photographer’s Eye deed in 1970 ook Nederland aan, in het Van Abbemuseum in Eindhoven, dat met exposities van Bernd en Hilla Becher (1968), Diane Arbus (1974) en Man Ray (1975) op dat moment een voortrekkersrol speelde met het naar Nederland halen van belangrijke fototentoonstellingen.”

De inhaalslag in de jaren tachtig resulteerde in 1989 in een voorlopig hoogtepunt in de viering van het honderdvijftigjarige bestaan van de fotografie, met grote exposities in het Rijksmuseum te Amsterdam (met de net verworven collectie Hartkamp van de Rijksdienst Beeldende Kunst), het Stedelijk Museum te Amsterdam (de eigen twintigste-eeuwse collectie), Museum Gouda (de collectie Grégoire van het Prentenkabinet van de Universiteit Leiden) en Het Noordbrabants Museum in Den Bosch (over het Nederlandse fotoboek). De kritieken waren lovend. “Fotografie viel niet meer weg te denken.”

Naakt voor de camera
Natuurlijk waren er ook tentoonstellingen die discussies opriepen zoals ‘Naakt voor de camera’ (1987). De vraag was of kinderen wel of niet bloot afgebeeld mochten worden. Maar kritieken gingen ook over de esthetisering van maatschappelijke thema’s, met name bij de uitreiking van de World Press Photo Award of de Zilveren Camera. Of over digitale beeldbewerking zoals in het werk van Inez van Lamsweerde. En over de kritiek op de poëtische fotografie met verwijzingen naar de schilderkunst, wat Hans den Hartig Jager de uitspraak ‘luie schilders’ ontlokte.

Achterin het boek is een literatuurlijst opgenomen die wel wat uitgebreider had mogen zijn. Het boek Vrij Spel (1993) waarin Frits Gierstberg het essay ‘Fotografie en beeldende kunst’ schreef, had hier best vermeld mogen worden. Dit boek staat overigens wel vermeld in de literatuurlijst achterin het boek over videokunst, maar dan vanwege een hoofdstuk gewijd aan videokunst. Verder had ook Beeldspraak (1995) van Ton Hendriks vermeld mogen worden, evenals Fotografen in Nederland. Een anthologie 1885-2002 (2002) van Wim van Sinderen en de nieuwe uitgave van het Rijksmuseum Modern Times. Photography in the 20th Century (2014) van Mattie Boom en Hans Rooseboom.

De video-installatie Autochthonus Alien van Tony Oursler in Het Van Abbemuseum in Eindhoven, 1995. Foto Peter Cox

De video-installatie Autochthonus Alien van Tony Oursler in Het Van Abbemuseum in Eindhoven, 1995. Foto Peter Cox

Videokunst
Het boek Turbulentie rond videokunst. Kunstkritische reflecties op een nieuw medium 1970-2010 is geschreven door Sander Kletter, die behalve kunstgeschiedenis ook Beeld en Media Technologie studeerde. Het boek bestrijkt ongeveer dezelfde periode als het boek over fotografie, maar veel meer dan in het boek over fotografie worden in dit boek namen genoemd van de makers, wat maakt dat dit tevens een overzichtswerk is van de videokunst in Nederland. Kritieken verschenen naar aanleiding van exposities en videofestivals, grotendeels van dezelfde auteurs.

“Halverwege de jaren zestig werd video voor het eerst door beeldend kunstenaars toegepast. Video bleek nieuwe, onverwachte artistieke mogelijkheden te bieden aan kunstenaars uit de fluxusbeweging, conceptual art, feministische kunst, performance art, land art en body art”, schrijft Kletter in het voorwoord. Volgens John Hanhardt, hoofd van de film- en videoafdeling van het Whitney Museum of American Art in New York en wereldwijd beschouwd als expert op het gebied van videokunst, is deze kunstvorm ook ontstaan als reactie op de commerciële televisie.

Het boek begint met het jaar 1970 omdat in dat jaar voor het eerst in de Nederlandse pers aandacht is besteed aan videokunst. Als afsluiting is het jaar 2010 gekozen, omdat rond die tijd video als vorm van kunst volledig is geaccepteerd. Hoewel het begrip videokunst inmiddels achterhaald is, vanwege nieuwe digitale ontwikkelingen op mediagebied, is er (nog) geen nieuwe benaming voor in de plaats gekomen. De term ‘mediakunst’ ligt voor de hand, maar is verwarrend door de opkomst van de beeldcultuur en doordat iedereen nu met een mobieltje eenvoudig beeld kan maken.

Van Abbe
Het eerste museum in Nederland dat videokunst presenteerde was het Van Abbemuseum. In 1969 werden daar onder andere videotapes van Bruce Naumann getoond. In 1971 besteedde de manifestatie ‘Sonsbeek buiten de perken’ in Arnhem aandacht aan videokunst. Spoedig daarna volgden het Stedelijk Museum en De Appel in Amsterdam, het Bonnefantenmuseum in Maastricht en de Rotterdamse Kunststichting. De eerste in video gespecialiseerde galerie werd in 1978 opgericht door televisieregisseur en documentairemaker René Coelho: galerie Montevideo in Amsterdam. Opmerkelijk is dat de pers in de beginjaren weinig aandacht had voor video.

Van 1984 tot 2004 verstrekte de Rijksoverheid subsidie aan verschillende video-instellingen en organisaties, onder andere aan V2 in ’s-Hertogenbosch en het World Wide Video Festival (gestart in 1982) in Den Haag, wat een stimulans betekende voor het medium. Genoemd festival toonde niet alleen audiovisuele kunst maar ook politieke en sociaal maatschappelijke geëngageerde pamfletten en documentaires. Door het subsidiebeleid groeide de aandacht voor videokunst, ook in andere steden, zoals Middelburg, Gouda, Groningen en Arnhem. Vanaf de oprichting in 1992 toont ook Museum De Pont in Tilburg met grote regelmaat videokunst.

De kunstkritieken gingen in het begin over de vraag of video gezien moest worden als aparte vorm van kunst, of als een medium dat gebruikt wordt door beeldend kunstenaars. Dezelfde vraag deed zich voor bij fotografie. Is een kunstenaar die foto’s of video’s maakt een fotograaf dan wel videokunstenaar of is hij een beeldend kunstenaar die fotografie of video als medium gebruikt?

De video 'Oilworkers' van David Claerbout uit 2013, getoond in een presentatie in de nieuwbouw van Museum De Pont in Tilburg van september 2016 t/m januari 2017.

De video ‘Oilworkers’ van David Claerbout uit 2013, getoond in een presentatie in de nieuwbouw van Museum De Pont in Tilburg van september 2016 t/m januari 2017.

Turbulentie
Kletter spreekt van kunstkritische turbulentie ten aanzien van afbakening, categorisering, definiëring en positionering van videokunst. Volgens Pauline Terreehorst (in 1985 in de Volkskrant) “is video een soort vrijplaats. Daarom is de discussie of video nu een onderdeel is van de beeldende kunst, de film, het theater, de dans, de grafische vormgeving, de televisie of de muziek ook zo uitzichtloos.”

In de beginjaren kwam er kritiek op de gebrekkige techniek, later op video’s die te lang duurden en onvoldoende spannend waren. Uiteindelijk ontwikkelde de videokunst zich in de jaren negentig tot een volwaardige, boeiende vorm van kunst door het gebruik van een voor het medium specifieke techniek, namelijk slowmotion. David Claerbout en Bill Viola maakten hiermee trage, contemplatieve videokunst, die werd gepresenteerd in mega-installaties, zoals recentelijk in Museum De Pont in Tilburg.

 

Frits Gierstberg en Anne Ruygt, Tussen kunst en document. Fotografiekritiek in Nederland 1980-2015. Rotterdam: nai010 uitgevers 2016, 288 pp., ISBN 978-94-6208-139-0, pb., € 34,95.

 Sander Kletter, Turbulentie rond videokunst. Kunstkritische reflecties op een nieuw medium 1970-2010. Rotterdam: nai010 uitgevers 2016, 288 pp., ISBN 978-94-6208-138-3, pb., € 34,95.

 Deel 9 en 10 in de elfdelige reeks Kunstkritiek in Nederland 1885-2015,
Rotterdam (nai010 uitgevers) in samenwerking met het Prins Bernhard Cultuurfonds.

www.nai010.com

 

© Brabant Cultureel – januari 2017

 

 

 

Tags:

Nai010, kunstkritiek, fotografie, videokunst